En zo zie je plots een verontrustende werkelijkheid onder ogen in Utrecht


Door Wijbrand Schaap

Dat eten is dus heel erg echt en heel erg lekker. Tot zover maakt Festival a/d Werf 2009 de leus ‘get real! waar. De jonge acteur Ilay den Boer serveert de maaltijd en promoveert ons tot gasten op zijn Bar Mitzwa, een jaar of wat geleden in Israël. We zijn tante, oom, neef, grootmoeder of zomaar gasten die hij nooit heeft leren kennen, en we worden geacht veel te drinken en luid te discussiëren.
 
En langzaam maar zeker gaan we deel uitmaken van Ilay’s leven: geboren in Israël uit een Joodse moeder die toen hij drie jaar was terugkeerde naar Nederland uit onvrede over de Israëlische politiek. We zitten in een boek van Chaim Potok en voelen ons acteurs in een film van Woody Allen. Ilay de Boer vertelt ons op een prachtige, lieve toon hoe hij steeds meer is gaan twijfelen over zijn roots en over Israël en over Joods zijn en hij laat prachtig glimlachende stiltes vallen waarin wij met hem mee mogen denken. Aan het eind huilen we zelfs zachtjes met hem mee, omdat het hebben van een geweten opeens geen troostrijk idee meer is. Al blijft het eten goddelijk lekker.
 
Eerder deze maand speelde Toneelgroep Amsterdam een discussiestuk van Caryl Churchill, getiteld ‘Zeven Joodse Kinderen ‘. Een beladen stuk, maar met hetzelfde thema als Ilay Den Boers ‘eet smakelijk’: wat betekent joods zijn in het licht van de verschrikkelijke geschiedenis van de Europese Joden en het verscheurende heden van Israël en de Palestijnse gebieden. Die voorstelling van Churchill was militant op het irritante af, en werd onschadelijk gemaakt door de persoonlijke manier van spelen door de acteurs. Ilay den Boer doet het veel beter. Hij gaat eigenlijk nog een stapje verder, door het spel bij de toeschouwers te leggen en zelf echt te zijn. Dan komt de boodschap opeens tien keer zo hard en helder aan als bij die andere voorstellingen.
 
Hard en helder was ook de voorstelling Hot Estonian Guys door het Estlandse gezelschap No99. Via simultaanvertaling op de koptelefoon zijn we getuige van we een sektarisch clubje Esten dat doordraait op het idee dat de Esten als volk over dertig jaar zijn uitgestorven, als ze niet heel snel als konijnen aan het paren slaan. De heren lenen zich graag voor die zware taak, maar komen uiteindelijk in de problemen, omdat de moeders-to-be zich minder willig opstellen dan gedacht. Heel lang bewegen de in folkloristsche klederdracht gehulde acteurs zich met hun verhaal langs de afgrond van bruinhemdig überchauvinisme. De Esten zijn namelijk nogal onvriendelijk voor de minderheden in hun kleine landje aan de Baltische Golf in de Oostzee. Hun pleidooi voor raszuiverheid gaat ver, en leidt op het toneel tot een, naar theatrale maatstaven gerekend, veel te lange discussie. Vijf minuten voor het einde van de dik tweeënhalf uur durende voorstelling komen ze gelukkig tot de conclusie dat de natiestaat een 19e eeuwse uitvinding is die bij het grof vuil van de geschiedenis dient te worden gezet. De Est bestaat niet, zeggen ze, analoog aan de ware en wijze woorden van onze Maxima. Of liever: de Est, dat zijn we allemaal.
 
Een nogal globalistisch standpunt dat ook in Nederland door een groot deel van de bevolking niet wordt gehuldigd. Wat de ruimdenkende mens dus als een happy end van een gewaagde voorstelling ziet, is voor een verontrustend groot deel van de bevolking een gruwelijk vooruitzicht.
 
Opnieuw heeft Festival a/d Werf daarmee een prachtige invulling gegeven aan het motto: Get real! 
 
Festival a/d Werf duurt nog t/m zondag 31 mei.

Categorie

+ Vertel ons wat je ervan denkt.

Stel een reactie op