Door Ingrid van Frankenhuyzen
De Zuid-Afrikaanse performancekunstenaar Steven Cohen prakt Hitler, racisme en exhibitionisme in de blender tijdens het Holland Festival.
Steven Cohen -jood, homo en blank- balanceert op de rand van kitsch en kunst, smaak en wansmaak. Bij de ene helft van zijn publiek roept hij wrevel en ergernis op, de andere helft draagt hem op handen. Wat doet de Johannesburger om zo’n verdeeldheid te zaaien? In zijn beste werk, Chandelieruit 2002, laat hij zich filmen in een illegale nederzetting van de allerarmste zwarten aan de rand van zijn geboortestad. Alcoholisme, degeneratie maar ook vrolijkheid tekent zich op de gezichten van de bewoners af. Hun gammele hutten worden afgebroken. Precies in die deplorabele Zuid-Afrikaanse hel, komt Cohen (1962) op. Torenhoge travestietenschoenen, een korset dat uit de armen van een kroonluchter bestaat, nepwimpers tot aan de hemel, clownesk geschminkt, niet meer dan een lapje stof over zijn kruis. Zijn evenwicht bewarend beweegt hij als een faun, onverstoorbaar, vrijwel contactloos. Sommige bewoners zien zijn performance als een provocatie en komen met stokken aangelopen, anderen aanbidden hem als een Jezus maar de meesten reageren nauwelijks. Te ver heen.
Gehuld in diezelfde kroonluchter komt Cohen het toneel op, laat zich aan het plafond takelen en lijkt later de zaal in te willen lopen. Weer is er die onverstoorbaarheid en de absolute eenzaamheid van de man met de ongelukkige jeugd en een permanente identiteitscrisis.
Cohen, die al een aantal jaar in Frankrijk woont, maakt van zichzelf een kunstwerk. In Dancing Inside Out uit 2004, heeft hij twee minicamera’s waarmee hij op toespraken van Adolf Hitler, generaal Pétain en Jiddische muziek live zijn intiemste lichaamsdelen filmt. Hij steekt de cameraatjes in zijn anus en filmt het binnenste van zijn penis. De link tussen nazisme, joodse identiteit en het poepgat, zou moeten choqueren maar de zaal giechelt en een zucht over de puberale manier van provoceren komt bovendrijven.
Het commentaar dat Cohen lijkt te willen geven op zichzelf en de geschiedenis blijft hangen in die provocatie. Hij tilt het er niet boven de uit en bovendien: we zijn wel wat gewend de laatste jaren als het om penissen en vagina’s gaat. Het laat een doorgewinterd publiek in het Holland Festival dan ook onverschillig. Als hij met een Jodenster op zijn hoofd, compleet met zijn travestietenkostuum over straat loopt in Frankrijk, wordt niemand boos maar glimlacht. Hij wordt wel door drie agenten van straat gehaald maar met een vergrootglas voor zijn blote geslacht is dat niet verwonderlijk.
Dat spelen met het geslacht lijkt seksueel exhibitionisme maar Cohen heeft altijd ontkend dat het om seks gaat. Het gaat over vleeshandel, schaamte, het macabere en de grenzen tussen het persoonlijke en het publiek domein. Zelfs slavenhandel. In zijn film Maid in South Africa(2005) laat hij zijn zwarte, inmiddels hoogbejaarde kinderjuffrouw Nomsa doen wat ze altijd deed: het huis van de blanken schoonmaken. Cohen laat het haar echter doen in neonkleurige lingerie met nappen aan haar tepels en jarretels over haar billen. Onsmakelijk. Dat ze zich daarvoor leent denk je meteen, zou Cohen haar betaald hebben? Als blanke haar bevolen hebben zich zo ‘onwaardig’ te laten filmen?
Cohen zoekt de grenzen van het fatsoen met eigen en andermans lijf. En kitscht zich daar een weg doorheen. Soms verveelt het, soms is het kinderachtig, en vaak denk je: Steven Cohen is geen groot kunstenaar die nieuwe wegen inslaat. Maar wat beklijft is de ongelooflijke eenzaamheid die Cohen in al zijn werk tentoonspreidt. Zijn onmacht om met de werkelijkheid te leven is in iedere vezel voelbaar. Net als in die van alle andere mensen in zijn wereld.
Steven Cohen: Chandelier en andere werken is nog te zien op 7 en 8 juni in theater Bellevue in Amsterdam. Inlichtingen: www.hollandfestival.nl





Reacties