Door Willem Jan Keizer
Het Rotterdams Philharmonisch Orkest zet op het moment stevige paaltjes uit om de toekomst af te bakenen. Naast een verbouwde concertzaal als uitvalsbasis en een cd-contract met BIS Records, is het RPhO met chef-dirigent Yannick Nézet-Séguin vanaf 2010 vast gastorkest in het Parijse Théatre des Champs-Élysées. Dat is meer dan in de twintig jaar onder voorganger Gergjev werd bereikt.
Het RPhO waagde zich in de Doelen, nog flink onwennig in de vernieuwde akoestiek, aan een hoogst merkwaardige combinatie. De ‘Liederen van wanhoop en verdriet’ van de Hongaar György Kurtág werden gekoppeld aan Beethovens Negende Symfonie. De enige overeenkomst is de bezetting voor koor en orkest. Beethovens ouverture ‘Die Weihe des Hauses’ zal, betrokken op de oplevering van de zaal, wel een betekenis hebben gehad. Maar in de praktijk betekende het vooral een oponthoud van dik twintig minuten. In artistieke zin zat deze ouverture het hele concert flink in de weg.
Dat Kurtág in zijn vocale werken een voorliefde heeft voor de Russische taal wordt hem in zijn thuisland Hongarije niet in dank afgenomen. De geschiedenis van het land waar de Russen het lang voor het zeggen hadden is nog te jong. Toch is het wel begrijpelijk. De Hongaarse taal is sterk ritmisch bepaald en heeft minder oor voor de klank ervan. Het Russisch daarentegen is juist zangerig en kleurrijk, vooral in het donkere palet. En dat is waar Kurtág nu juist gevoelig voor is.
In de ‘Liederen van wanhoop en verdriet’ gebruikt hij teksten van onder anderen Lermontov, Blok en Mandelstam om stemmingen weer te geven. Het koor krijgt verschillende zangtechnieken voorgeschreven om steeds verglijdende akkoorden aan de teksten mee te geven. De kleuringen in het ensemble ontstaan door het gebruik van vier accordeons, twee harpen, wat koperblazers, een piano, een harmonium en slagwerk. Rundfunkchor Berlin wist zich in dit spaarzaam geïnstrumenteerde werk razend knap staande te houden.
Dat hij met een koor overweg kan was geen geheim en het kwartet solisten werd eveneens prima begeleid. Het slotdeel van deze symfonie kent talrijke valkuilen, die Nézet-Séguin allemaal wist te omzeilen. Beethoven was immers een classicus en geen romanticus, dus geen pathos en geen vocale orkaan hier. Als Nézet-Séguin het klaarspeelt om economischer te dirigeren dan hij nu doet, dan valt er nog veel progressie te boeken in deze combinatie van orkest en dirigent die op zichzelf al dik in orde is.


