Over Daniël Bertina
‘Veel kunst gaat teveel om het pleasen’
11 februari 2013 | Daniël BertinaHet begon met een mail uit het niets. Kunstenaar Joncquil had mijn website gegoogled en was getroffen door de naam. Zelf was ik bijna vergeten hoe ik ooit aan die naam gekomen was, Joy of Irony: een nummer van de legendarische, zeer ondergewaardeerde Engelse noise/metalband Fudge Tunnel. Joncquil kwam op mijn site vanwege zijn toenmalige expo, Himmel und Joy. Hij had wat van mijn stukken gelezen en introduceerde zichzelf. Misschien dat we ooit koffie konden drinken om een beetje over kunst te praten.
Aldus geschiedde. Verder lezen
‘Oh, die wordt een beetje uit elkaar gerukt’ #wu13
20 januari 2013 | Daniël BertinaIn 1 strip of 1000 woorden sprak blogger en columnist Peter Breedveld met drie invloedrijke tekenaars, Barbara Stok, Peter van Dongen en Thé Tjong-Khing aan de hand van geprojecteerde afbeeldingen uit hun prachtige werk. Het ontspannen gesprek was een verademing tussen het overige woest-geëngageerde debatgeweld op het festival. Verder lezen
Bloggen vs. demonen #wu13
19 januari 2013 | Daniël Bertina“We gebruiken de sociale media niet omdat het cool is,” zegt de Tunesische internetactivist Sami Ben Gharbia. “Maar in een dictatuur is het de enige manier om mensen te informeren over wat er echt gaande is. Om de demonen in de samenleving te bevechten. Ik ben niet een techny geworden omdat het leuk is. Ik had gewoon bruikbare kennis nodig over internetcodes, om mijn burgeractivisme mogelijk te maken.” Verder lezen
‘Voor mij bestaat alleen de tekst’ – Alberto Manguel & Hans Goedkoop over zwarte bladzijden #wu13
19 januari 2013 | Daniël BertinaMet een bomvol programma zoals Writers Unlimited 2013 wil het wel eens gebeuren dat je, ook als professioneel journalist, ondanks alles toch ergens té laat komt binnenvallen, en dan nog net een glimp opvangt van iets heel moois. In dit geval, na de krachttoer van Amos Oz en Adriaan van Dis, was dat het spoken word optreden van de Keniaanse Ngwatilo Mawiyoo. Mea culpa daarvoor. Verder lezen
Veel Oz & een beetje Van Dis over onmogelijke dromen en idealen #wu13
19 januari 2013 | Daniël BertinaTijdens de aftrap van Winternacht 1 bracht publicist Bas Heijne de twee literaire giganten Amos Oz en Adriaan van Dis nader tot elkaar. Wat is er van hun vroegere idealisme overgebleven? Oz’ spervuur van prachtige oneliners bleek lastig te temmen en zorgde voor een hilarisch, maar beetje onevenwichtig gesprek. Verder lezen
Death Grips is 20 min. adembenemende razernij
9 november 2012 | Daniël BertinaDe experimentele hiphop / noiseband Death Grips speelt schuimbekkende takkeherrie. Maar wel hele spannende, interessante takkeherrie met paranoïde, surreële teksten. Live was het een verademing. In hun concert in Bitterzoet (gepresenteerd door Paradiso) ontketenen vocalist MC Ride (Stefan Burnett) en drummer Zach Hill een 20 minuten durende orkaan van adembenemende razernij. Verder lezen
Rembo & Rembo verbroederen in ‘Sex Sells’
12 oktober 2012 | Daniël BertinaTheo Wesselo en Maxim Hartman maakten zich onsterfelijk met hun iconische tv-programma Rembo & Rembo. De twee komen nader tot elkaar in hun tentoonstelling Sex Sells. Nu te zien in de Amsterdamse galerie Vriend van Bavink, tot en met 12 oktober. Lucas van Eck en Daniël Bertina spraken ze, vlak voor de opening… Verder lezen
Kunstenaars schilderen kunstenaars in ‘We, the Artists’
15 september 2012 | Daniël BertinaUnruly Gallery, een piepkleine underground kunstgalerie in de Amsterdamse Cliffordstraat, presenteert de groepstentoonstelling We, the Artists. Met portretten van kunstenaars, gemaakt door andere kunstenaars. Hoe zelfreferentieel wil je het hebben? Toch zeer de moeite waard.
Unruly Gallery is een van de weinige artist-run galeries in Amsterdam met een verfrissende do-it-yourself instelling. De galerie werd opgezet door Niels Meulman en Adele Renault, en dient als eigen expositieruimte en uitvalsbasis voor hun geestverwanten. Meulman en Renault houden zich verre van de gevestigde kunstscene, waar men in de regel elkaars bloed wel kan drinken, maar organiseren met grote regelmaat spannende en eigenzinnige exposities van underground kunst en street art. Zoals We, the Artists.
Meulman is één van Neerlandsch onbetwiste graffitilegendes, die onder zijn alias Shoe sinds de jaren tachtig de Amsterdamse binnenstad verfraaide, daarna met zijn bedrijfje Caulfield & Tensing een deuk sloeg in de wereld van de grafische vormgeving, en zich nu de laatste jaren steeds meer is gaan profileren als interessante beeldend kunstenaar met zijn kunstvorm Calligraffiti. Renault – van huis uit ook graficus en Meulman’s partner in crime & life – presenteert zich in We, the Artists nu ook als schilder met drie intrigerende portretten. Renault:
“Ik vind het heel spannend om nu die stap te zetten. Maar ik heb genoeg vertrouwen in deze drie schilderijen om ze naast het werk van die andere, meer gevestigde namen te laten zien.”
De drie mannen die Renault portretteerde – de kunstenaar Aldert Mantje (die zelf ook vier doeken toont op We, the Artists), componist Jean-Christophe Renault (haar vader) en de obscure Franse kunstenaar, levensgenieter en bohémien Luc Claude Malle – hebben allemaal een argwanende, behoedzame blik in de ogen. Alsof ze op het punt staan om een moeilijke beslissing te nemen. Ook opvallend is het vervreemdende, kraakwitte lichtgebruik waardoor de portretten een surreële, dromerige sfeer krijgen. Renault:
“Het zijn allemaal bijzondere kunstenaars met goeie koppen. Vooral dat laatste was belangrijk.”
Dat thema van schuilhouden is opvallend aanwezig in al het werk in We, the Artists. Op de doeken van Menno Schenk zijn de Rob Scholte, Sigmar Polke, Jeff Koons en Jan Schoonhoven bijna onherkenbaar verborgen achter lagen visuele ‘ruis’, rasters, uitgeveegde lagen verf en grote pixelachtige stippen of blokken. En cultfiguur en kunstenaar Aldert Mantje reduceert in zijn vier schilderijen onder andere een aantal hoofden van iconische figuren uit de Pop Art en het Abstract Expressionisme tot onderdelen van een bouwpakket.
De drie intieme zwart-wit portretten van Peter Kempff zijn geweldig. Van performancekunst-god Joseph Beuys, de Amerikaanse feministische fotografe Cindy Sherman en de monumentale componist Ludwig van Beethoven (alleen diens schedel). In het Beuys portret zijn twee figuren van de kunstenaar achter elkaar te zien. Alsof de échte Beuys zich schuilhoudt achter de zijn tweelingbroer: de performer.
Kunstenaars die andere kunstenaars portretteren? Dat kan neigen naar een raar soort genavelstaar. Goddank blijft het werk in We, the Artists onafgebroken spannend om naar te kijken.
We, the Artists is te bekijken op t/m zondag 16 september tussen 12:00-20:00 in de Cliffordstraat 26, Amsterdam. Daarna op afspraak. Zie Unruly Gallery voor meer informatie.
Nobody likes a critic
27 juli 2012 | Daniël BertinaAl YouTubesurfend stuitte ik op deze messcherpe sketches van Stephen Fry en Hugh Laurie. Afkomstig uit de hoogtijdagen van hun geniale programma A Bit Of Fry & Laurie. Bij het zien van deze prachtig gepersifleerde windbuilerij, overviel me het akelige gevoel dat er sinds de uitzending van deze sketch verdomd weinig is veranderd in de mentaliteit van de kunstcritici. De zelfgenoegzaamheid ligt altijd op de loer. Verder lezen
William Kentridge & de generale repetitie voor de Holocaust
16 juli 2012 | Daniël BertinaMet Black Box / Chambre Noire presenteert het Joods Historisch Museum de eerste tentoonstelling van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge in Nederland. Een multimediakunstwerk over de eerste volkerenmoord van de twintigste eeuw. Nu te zien in het Joods Historisch Museum. Verder lezen
‘FATFORM is vet genoeg voor alle vrije radicalen’
28 juni 2012 | Daniël BertinaTwee jaar geleden annexeerde een aantal kunstenaars van collectief FUCK en productiebedrijf Vinger.nl het dak van winkelcentrum Kraaiennest in Amsterdam Zuidoost, en stampte FATFORM uit de grond. Een ongrijpbaar kunstproject, rooftop-party en vrijstaatje. Nu zijn ze honderd meter opgeschoven. Verder lezen
In Accordion Wrestling gaan 10 Finse worstelaars de strijd aan met 1 accordeonspeler. De raarste voorstelling op #hf12
18 juni 2012 | Daniël BertinaEén voor één komen de worstelaars van Helsinki Nelson het podium van de stadsschouwburg op rennen. Op de mat ligt de grootste van het stel, op zijn buik, uitgestrekt in defensieve positie. Om en om proberen zijn tegenstander hem te kiepen, en hem met z’n beide schouders plat op de mat te drukken. Tevergeefs. Accordeonpunkrocker Kommi Pohjonen komt op, en met één sonische uithaal van zijn instrument vliegt de reus de mat af. De muziek wint.
Accordeon Wrestling, het geesteskind van Pohjonen, is de raarste voorstelling op het Holland Festival 2012. Maar eerst even wat achtergrond. In verwoede pogingen om zijn geliefde instrument wat hipper te maken is Pohjonen al een tijd bezig met woest experiment, en vermengt folk, rock en elektronische muziek met de traditionele klanken van zijn instrument.
In deze zoektocht stuitte Pohjonen op een markante geschiedenis. Tussen de jaren ’20 en ’60 van de vorige eeuw werd er in Finland accordeon gespeeld tijdens de lokale worstelwedstrijden. Overigens gaat het hier niet over die belachelijke hyperagressieve Hulk Hoganachtige clownsacts, maar de zuivere Olympische stijlen: Grieks-Romeins en Vrije Stijl. Na afloop werd er gedanst. Jarenlang ging zo in Finland de oudste über-masculine vechtkunst ter wereld als vanzelfsprekend samen met volksdans en smartlappen. Dit undergroundfenomeen verdween toen de versterkte muziek de overhand nam.
Geweldig verhaal natuurlijk. En een documentaire op zich waard. Helaas slaagt Pohjonen er niet in om van Accordeon Wrestling ook een spannende voorstelling te maken.
Dat ligt zeker niet aan de tien worstelaars – twee vrouwen, twee oude mannen, en zes jerommeke’s. Zij doen hun stinkende best om de gechoreografeerde sequenties van grepen, worpen, takedowns, suplexen, valpartijen, rollen, salto’s en andere acrobatische toeren er fantastisch spectaculair uit te laten zien. Het ligt ook niet aan de inzet van Pohjonen, die een imposante en desoriënterende bak kabaal uit zijn instrument krijgt getovert, en als een demonische dompteur annex poppenspeler met zijn muziek de worstelaars opjut.
Het grote probleem van Accordion Wrestling is dat de voorstelling eigenlijk niet zoveel om het lijf heeft. Los van het spectaculaire gooi- en smijtwerk dan. De worstelaars worstelen op de klanken van Pohjonen. En na een machtstrijd nemen ze uiteindelijk zijn muziek over. That’s it.
Hier en daar wordt de actie onderbroken door een voiceover uit een interview met een stel worstelaars van de oude garde, die vertellen over the good old days. Die zijn interessant, want geven een inkijk in de geschiedenis van deze ongebruikelijke Finse versmelting van Kunst en Strijd. Zo komt het verhaal voorbij over de eerste vrouwelijke worstelaars, en hoe zij, na een periode van argwaan door de mannen, uiteindelijk toch als volwaardige trainingspartners werden gezien.
Accordeon Wrestling was een stuk interessanter geweest, als er meer van dit soort documentaireachtige passages in waren verweven. Of als er bij wijze van contrast naast de worstelaars ook echte acteurs of dansers hadden meegespeeld, om de spelscènes wat meer op scherp te zetten. Nu blijft de voorstelling voornamelijk hangen op het niveau van een knappe act. Een héle spectaculaire act. Dat wel.
Met haar hemeltergend mooie stem lijkt Shara Worden tijd en ruimte te ontstijgen #hf12
18 juni 2012 | Daniël BertinaShara Worden stuitert lenig over het podium van het Bimhuis, gehuld in een rare, veelkleurige sprookjesoutfit met pluche bolletjes. En ze zingt de sterren van de hemel, met waanzinnige timing en souplesse.
Haar hemeltergend mooie stem lijkt te dansen met een geweldige dynamiek. Van beangstigende subtiel en ijl, van warm en diep resonerend tot sidderend hoge uithalen op orkaankracht. Ze lijkt tijd en ruimte te ontstijgen.
In het programma All Things Will Unwind speelde Worden een groot deel van de nummers van haar gelijknamige plaat, ondersteund door haar vaste drummer Brian Wolfe, violaspeler Nadia Sirota en een gelegenheidsensemble van altviool, cello, viool, fluit, klarinet en trompet. De ongelooflijk strakke set werd aangevuld met een stel oude krakers zoals Workhorse, die – hoe kan het ook anders, dat materiaal is natuurlijk veel beter ingesleten – vooral in de laatste maten ontaarden in virtuoze, woest kolkende improvisaties tussen Wolfe en Worden. En weer valt op hoe goed Worden en consorten hun dynamiek beheersen. Van héél subtiel en minimalistisch tot wilde kolereherrie. Maar het is precies raak. Elke keer, en in elk nummer.
Ik heb All Things Will Unwind nu al een tijdje in huis, en hoe interessant en subtiel die plaat ook is, ik kan de verpletterende indruk van Wordens eerdere albums Bring Me The Workhorse en A Thousand Shark’s Teeth moeilijk loslaten. Deze zijn namelijk aanzienlijk meer zwartgallig en duister van klank en thematiek. Worden praat daarover in mijn guerrilla interview, hier. In contrast heeft All Things Will Unwind een veel vrolijkere en optimistische sfeer, en neigt meer naar kamermuziek en cabaret – niet in de laatste plaats dankzij de uitgebreide, sprookjesachtige tringel-trangel instrumentatie.
Niet bepaald iets wat ik normaal bij singer-songwritermuziek erg aantrekkelijk vind. Goede muzikanten moeten namelijk LIJDEN. Toch? Ik zat dus met enige reserve in het Bimhuis. En, toen Worden bij wijze van opening in haar Sesamstraatoutfit en cartoonmasker vrolijk over het toneel begon te stuiteren, vreesde ik het ergste. ‘Dit wordt héél erg shiny happy people!’
Maar dan begint ze te zingen…
En met een ontwapenend enthousiasme krijgt ze de zaal aan haar voeten. Met het hartverscheurende wiegeliedje voor haar zoontje, I Have Never Loved Someone tot de afsluiter: het rockende Inside A Boy. Drie keer moet ze terugkomen voor een encore. Waaronder een spectaculaire versie van Nina Simones iconische uitvoering van Feeling Good. En zo verlaat ik de zaal. Diepgeraakt. Feeling good.
#hf12 Shara Worden speaks about All Things Will Unwind. And sings a new song
16 juni 2012 | Daniël BertinaMulti-instrumentalist and singer-songwriter Shara Worden – also known as My Brightest Diamond – is waiting for me, armed with her ukelele. Just before the interview, she wrote a new song. Worden laughs: “There are way too many videos on the internet of me playing the same songs over and over. I thought I should try something new.”
Foto: © Denny Renshaw
De Dodo was there to hear it for the first time. In a windy corner of Amsterdam. Afterwards, we spoke about her new work, the social engagement in her lyrics, and her attempts to ‘catch’ the muse…
This sunday, Worden will be performing songs from her latest album All Things Will Unwind at the Bimhuis, together with her compatriots Brian Wolfe (drums), Nadia Sirota (viola) and ensemble.
More info on this unique, one-time event here
Bijna sterft Wunderbaums Detroit Dealers aan een overdosis ideeën, maar overleeft door onverwachte muzikaliteit #HF12
16 juni 2012 | Daniël BertinaIn Detroit Dealers vermengt Wunderbaum een persoonlijk familieverhaal met de teloorgang van Detroit, ooit één van de meest invloedrijke industriële steden ter wereld, en filosofische overpeinzingen over de auto, als romantische metafoor van vooruitgang en de Amerikaanse Droom. De voorstelling zwalkt alle kanten uit.
Detroit Dealers is deels documentairefilm, jazzconcert, performance, spoken word poetry, rap battle, en theater. Deze overdosis aan ideeën is moeilijk te volgen, maar de voorstelling wordt gered door onverwachte muzikale virtuositeit.
Hoe ontregelend kan een theatervoorstelling beginnen? In de showroom van Automobielbedrijf Van Vloten gaan een drummer en saxofonist helemaal los in vlijmscherpte, opgefokte free jazz, terwijl twee Wunderbaumacteurs onderkoeld staan te swingen en het publiek de tribune beklimt. Een bezoeker glijdt uit, maakt een nare smak en bezeert zich zó, dat ze moet worden afgevoerd. De band blijft koelbloedig doorbeuken. Daarna begint Detroit Dealers pas echt, met een documentaire van 20 minuten.
Theatermaker Walter Bart reisde naar Detroit op zoek naar zijn verre familie en filmde samen met collega’s Maartje Remmers en Gerbrand Burger zijn zoektocht. In de voetstappen van Barts grootvader, autodealer Arie, die in de jaren vijftig op zakenreis in Detroit belandde. Arie deed goede zaken in The Motor City en op een eenzame avond keek hij nachtclubzangeres Florence diep in de ogen. Gevolg: een liefdesbaby. Zoveel jaar na dato besloot Walter als blanke Hollandse knul zijn Afro-Amerikaanse familie op te zoeken. Aldus het sympathieke begin van Detroit Dealers.
Bart raakte gefascineerd door Detroit. Ooit was The Motor City de heart & soul van de Amerikaanse auto-industrie. Nu is het een postkapitalistisch niemandsland. De grote bedrijven zijn vertrokken, de economie is ingestort, er is massale leegstand en armoede. Maar de achterblijvers, zoals zijn nichtje Rosemarie Wilson, zijn gewapend met een bijzondere levenslust en zelfredzaamheid. Rosemarie blijkt een ontzettend leuk mens te zijn, en ook als spoken word poet niet bang om op het podium te klimmen. Dus speelt ze mee in Detroit Dealers.
Dát is al interessant genoeg, zou je zeggen.
Helaas raakt het familieverhaal bijna bedolven in de Wunderbaumse ideeënstorm. Het lijkt alsof de makers alle indrukken en inzichten opgedaan tijdens de reis in één voorstelling hebben gepropt, en vervolgens thematisch hebben opgehangen aan ‘de auto’. Dus komen in Detroit Dealers battle raps vóór en tegen de auto voorbij, een fietsjihadi met clownsmasker die roept dat alle auto’s dood moeten, tot rare monologen waarin de auto in drie vrouwelijke droombeelden voorbijkomt – van sexy lustobject, via ranzige vervuiler, tot ecovriendelijk en hypermodern – belichaamt door Remmers in nauwsluitende stoeipakjes.
Gelukkig zorgt de muzikale compositie door Bo Koek, met vuur gespeeld door Jens Bouttery en Andrew Claes, voor genoeg onverwachte en spannende contrasten. Zo blijft Detroit Dealers toch boeien. Free jazz, elektronica, hip hop en glitch vloeien door elkaar heen. Ook blijkt Rosemarie naast haar felle raps en poety spits over een dijk van een zangstem te beschikken.
Aan het eind van Detroit Dealers spelen Rosemarie en Walter de eerste ontmoeting tussen hun beide grootouders – van afstand gefilmd, en in zwart wit tegen de zijmuren geprojecteerd. Florence vastberaden en zwoel, Arie nerveus en klungelig charmant. Prachtig gespeeld door beiden, met een ontwapenende flair. Van zulke scènes had ik er meer willen zien.
In het prachtig subtiele The Speaker’s Progress wordt Shakespeares klucht opeens een revolutionair wapen #hf12
7 juni 2012 | Daniël BertinaStrak in het pak. Fris geknipt. En met een zalvende, trefzekere stem lijkt The Speaker – gespeeld door regisseur Sulayman Al-Bassam – een gelikte pr-man. Of beter: een beschaafde Arabische dictator met een Oxford diploma. Zo eentje die gesteund wordt door het Westen en diep wordt gehaat door de eigen bevolking.
Hij stapt achter een lessenaar en vertelt. Ooit was hij een radicale, woest experimentele theatermaker. Nu loopt hij fanatiek in de pas met het aartsconservatieve regime, in een niet nader benoemde Arabische bananenrepubliek.
The Speaker is vastberaden om de ‘verdorven, mentale plaag van het theater’ voorgoed uit te bannen. Dat doet hij door voor de állerlaatste keer een oude Arabische filmversie van Shakespeare’s kluchtige Twelfth Night – een stuk over onstuimige hunkering, liefde, en met veel verwerpelijke travestie – scène voor scène na te spelen. Bijgestaan door zijn team gelijkgestemde zeloten. Nadrukkelijk geen echte acteurs. Want alleen door deze afstandelijke deconstructie kan de corrumperende invloed van het blijspel worden ontmaskerd. Aldus The Speaker.
In The Speaker’s Progress zijn we getuige van een Kafkaësk laboratorium. Aan weerszijden van een klein, houten podium staan de ambtenaren in stofjassen achter werktafels met obscure meetapparatuur. Tegen de achterwand worden grofkorrelige zwart-wit fragmenten van de Arabische Twelfth Night geprojecteerd, terwijl op een klein houten podium deze saaie types om en om de scènes naspelen. Alles wordt benoemd tot in absurde details, alle houdingen en gezichtsuitdrukkingen worden beschreven, en de tekst wordt door meerdere ambtenaren tegelijkertijd gesouffleerd. Tenenkrommend grappig.
Regisseur Sulayman Al-Bassam maakte The Speaker’s Progress als derde deel in een Arabische Shakespeare trilogie, Al Hamlet Summit en Richard III, an Arab Tragedy gingen hieraan vooraf. Het productieproces ging van start vlak voor het uitbreken van de Arabische Lente. En hoewel het stuk eerst was bedoeld als gitzwart commentaar op de moervast verankerde dictaturen in de regio, werd het steeds meer een lofzang op de spontane, revolutionaire energie en hang naar vrijheid die in de Arabische Lente zo krachtig tot uiting kwam.
Na een aantal afgrijselijk geestdodende scènes Shakespeare, krijgen de suffe ambtenaren langzaam de smaak te pakken. Ze krijgen steeds meer lol in het spel en beginnen hun rol steeds serieuzer te nemen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Zo ook bij de oud-theatermaker The Speaker, die op een gegeven moment na een iets té vrijzinnige spelaanwijzing rücksichtslos door de fanatieke Directeur van Toerisme wordt teruggefloten, en offstage te grazen wordt genomen.
Van alle spelers blijkt deze figuur – hilarisch neergezet door de Syrische acteur Fayez Kazak, met een mix van onderdrukte geilheid en religieus fanatisme – nog het strengst in de leer te zijn. Niet toevallig speelt hij ook de rol van Mullah. Halverwege de voorstelling neemt hij de microfoon over van The Speaker, om het publiek even te wijzen op de kraakheldere stranden in hun oliestaatje: 100% niet aangeraakt door mensenhanden, of de revolutie. Het is een subtiele sneer naar het feit dat veel van de omgevallen, brute dictaturen (Tunesië, Egypte) tot voor kort nog geliefde vakantiebestemmingen waren. Vooral voor Westerlingen.
Maar toch. Eén voor een verliezen de spelers zich in hun rol en The Speaker’s Progress wordt overgenomen door spontane improvisaties, poëzievoordrachten en experimentele drang. Zo maakt deze subtiele voorstelling goed voelbaar, hoe jarenlange onderdrukte en opgekropte creatieve energie opeens tot uitbarsting kan komen.
Het is in dit laatste, expressieve deel van The Speaker’s Progress, dat ik moet bekennen dat ik op een gegeven moment helemaal de draad ben kwijtgeraakt. De spelers lijken in een aantal fragmentarische scènes te verwijzen naar specifieke sleutelmomenten in de revolutie, en ik voelde een behoorlijk aantal culturele verwijzingen onbenoemd aan me voorbijgaan. Om The Speaker’s Progress écht op waarde te kunnen schatten, zou de voorstelling misschien wel moeten zien met een Arabische vriend. In de stoel naast je.
The Speaker’s Progress is 7 juni nog te zien, 20:30, Theater Bellevue. Meer info
Zie ook de interessante Ted talk van Sulayman Al-Bassam:
Overleef het bloedbad, het besmeurde naakt en het waanzinnige gekrijs in Requiem 3, en let op de ontroerende tekst #hf12
5 juni 2012 | Daniël BertinaVincent Macaigne lijkt me een regisseur waar je niét mee moet vechten. Gelijk in de eerste seconden van Requiem 3 ramt hij er vol bovenop met de meest hysterische openingscène die ik in tijden heb gezien, en blijft 80 minuten meedogenloos doorhakken. Het is even doorbijten. Maar opeens zorgt de subtiele tekst zowaar voor diepe ontroering, in deze tsunami van bloed, geweld, bloed, besmeurd naakt, en nog meer bloed.
De koning is dood. Rechts hangt het Koninklijke kadaver verbrand en ontkleed aan de touwen, als een gelynchte Amerikaanse huurling die door de straten van Fallujah is gesleurd. Vanuit de rookwolken komen twee hyperactieve hofnarren de speelvloer opgesprint, witgeschminkt en besmeurd met bloed, non-stop aan het krijsen. Dat doen ze zó waanzinnig hard dat je hun stemmen hoort breken. Hun opgefokte, cartooneske speelstijl doet denken aan de over-de-top cinema van Jan Kounen, zoals Capitain X.
In Requiem 3 zijn we getuige van een bizarre troonsopvolging. Broers Kain en Abel strijden om de kroon. Prins Abel is de gedoodverfde opvolger. Letterlijk. Want nadat hij zijn zoon Hamlet – een jankende baby in een buggy – heeft verstoten en zijn vrouw Sarah koelbloedig heeft gedumpt – ‘Vandaag is de liefde gestorven’ – wordt Abel door de twee demonische hofnarren uitgejouwd, gestript, overgoten met chloor, ongebluste kalk, soda, liters nepbloed en goudpoeder.
Eerst was hij een lapzwans, roepen de narren, maar nu moet hij koning worden.
Abel ondergaat alle vernederingen in de hoop om aan de macht te komen. In een sequentie van Hindu push ups kronkelt hij likkend over de vloer en laat een spoor van bloed en goud achter. Daarna dwingen ze hem om te kotsen: de laatste test. Hij slaagt en krijgt een toga, zwaard en papieren kroon. Ex-vrouw Sarah staat erbij en kijkt ernaar. Schreeuwend probeert ze hem te herinneren aan de idealen die hij nu voor de macht heeft opgegeven. Oudere broer Kain zweert wraak – geheel in de Bijbelse traditie: ‘Wrok is het énige aan liefdesgevoelens dat ik nog heb in dit kutstuk.’
De spraakwaterval in Requiem 3 is soms bijna niet te volgen, maar verbazend grappig. Sarcastische kreten, oneliners en geestige terzijdes razen voorbij, die in combinatie met het excessieve kabaal een ontregelend contrast vormen. Abel, na zijn kroning: “Nu ben ik koning van wereld en ruimte. Vandaag zal de diepvriesmaaltijd mij dus extra goed smaken.”
Dit is de eerste keer dat regisseur Macaigne (1978) met zijn werk op het Holland Festival staat. Requiem 3 is een derde enscenering van een van zijn vroegere werken, en hoe extreem dan ook, Macaigne slaagt erin om de broedertwist op ontroerende manier voelbaar te maken.
Op een gegeven moment rollen Kain en Abel innig verstrengeld over de vloer. Worstelend als rivalen, en als bloedbroeders. Op de achtergrond hangt gedurende de hele voorstelling een tv met een slideshow van zwart-wit jeugdfoto’s van de beide acteurs. Ze fluisteren in elkaars oor. De één zegt dat het hem spijt dat hij ooit de ander z’n flippoverzameling heeft weggegooid. De ander fluistert terug: dus jij was dat, klootzak. Héél even vergeven ze elkaar.
Requiem 3 is 5 juni nog te zien in de Westergasfabriek Zuiveringshal West om 20:30. Meer info
Zwischenfälle is een adembenemend spervuur van 54 hilarische, korte scènes over de klungelende mens. Zo virtuoos zie je het zelden #hf12
3 juni 2012 | Daniël BertinaTwee mannen zitten samen aan tafel en eten spaghetti. De één werkt het bord pasta in no time naar binnen, en vertelt tegelijkertijd met volle mond een amusante anekdote – nét niet verstaanbaar – met woeste gebaren en zelfingenomen gebrom. De ander, een bejaarde vent, wordt totaal genegeerd. Ondanks verwoede pogingen slaagt de arme man er maar niet in om met zijn hevig trillende hand ook maar één sliert spaghetti in z’n mond te krijgen. Uitgehongerd begraaft hij zijn kop in de pasta, neemt een grote hap, stikt en sterft. De ander heeft niets in de gaten en lult onverstoorbaar verder. Dit is Zwischenfälle.
De Duitse regisseur Andrea Breth selecteerde 54 korte scènes uit het absurdistische oeuvre van de Russische modernist Daniil Charms, en de kluchten van de Franse toneelschrijvers Georges Courteline en Pierre Henri Cami. Deze scènes knoopte ze aan elkaar in een strakke regie met inventieve vormgeving, afgewisseld met bitterzoete Duitse liefdesliedjes. Maar in het virtuoze spel; dáár gebeurt het…
In Zwischenfälle krijgen de tien acteurs – zes mannen en vier vrouwen, gekleed in non-descripte maatpakken – alle ruimte om een enorm spectrum aan theatrale vaardigheden te laten zien. De scènes variëren in lengte van een paar seconden tot een paar minuten. Dat geeft de voorstelling een enorme vaart. Naast verbale krachtpatserij, waarbij de spelers op duizelingwekkende snelheid elkaar de huid vol schelden of met perfecte timing onzingesprekken en tirades voeren, bestaat Zwischenfälle voor een groot deel uit vervreemdende mime en dans. Die disciplines worden door de acteurs nét zo goed beheerst als het gründliche grote zaal-acteerwerk. En dat is ongelooflijk knap.
Zo komen in Zwischenfälle een aantal dansscènes voorbij die strikt genomen helemaal voldoen aan de techniek en conventies van de hedendaagse dans – maar alle bewegingen zijn nét iets pathetischer, iets meer uitvergroot of op een ander manier in het belachelijke getrokken. Zoals in Ballet van de drie onafscheidelijken: een scène waarin drie acteurs idioot dicht op elkaar dansen. Die afwisseling zorgt ervoor dat de voorstelling (3,5 uur, inclusief pauze) echt voorbij vliegt.
Qua stijl doet Zwischenfälle sterk denken aan het werk van de Zweedse cineast Roy Andersson – van de films Songs From The Second Floor en You, The Living. Vooral naar die laatste film lijkt Breth in een scène direct te verwijzen, wanneer ze een van haar actrices een pluche hond over het podium laat sleuren.
De voorstelling is een lofzang op de mens, die zich al klungelend een weg moet zien te banen door de absurditeit van het bestaan. Een jongen, gewapend met een bos bloemen, probeert krampachtig een aria voor zijn geliefde in te studeren; een groep mensen beklaagt zich om één van hen, die om onduidelijke reden voor pampus ligt en weigert nog overeind te komen; een eenzame grijsaard is verliefd op de stem van de radiopresentatrice en zoent zijn radio; een bruid belt haar ouders voor instructies tijdens de huwelijksnacht. Het zijn aandoenlijke stumpers, in onbeduidende tussenmomentjes die ze liever zouden vergeten.
Maar zij worden gezien, lijkt Breth te zeggen. Zij blijven niet onopgemerkt.
Soul Seek is de eerste internetopera ter wereld. Met een knipoog naar Mulholland Drive.
10 mei 2012 | Daniël Bertina“Voor mij is opera véél meer dan alleen muziek,” zegt de Israëlische regisseur Sjaron Minailo. “Het klinkt misschien een beetje hoogdravend, maar mijn internetopera past helemaal in de traditie van Richard Wagner. Soul Seek is echt een multimediaal gesamtkunstwerk, waarin mode, webdesign en digitale media, spel, cinema, theater, dans en experimentele muziek tot één geheel samenvloeien. Zonder dat één element de overhand heeft.”

Soul Seek van Studio Minailo is de eerste internetopera ter wereld. Op www.slsk.nl is deze opera gratis te bekijken, verdeeld over vijf scènes van ongeveer vijf minuten – met cliffhangers. Minailo: “Wie weet is ergens op een obscure site in Sri Lanka nog een andere opera online gezet, maar dit is de eerste opera die helemaal voor het internet is gemaakt.” Hij grijnst. “Nu hoop ik dat Soul Seek zo snel mogelijk viral gaat.”
Als regisseur is Minailo verbonden aan het Kameroperahuis. Ik leerde hem kennen tijdens onze studie Theaterwetenschap en samen maakten we een paar jaar onbegrijpelijk, vreemd bewegingstheater. Minailo studeerde af op zijn eigen kunstvorm: de MTV Opera. Een vermenging van hedendaagse opera, woest experimentele muziek en de snelle beeldenstroom van MTV-clips.
Soul Seek is het geesteskind van Minailo en componist / zanger Anat Spiegel. In vijf korte hoofdstukken toont de internetopera de bizarre wederzijdse obsessie tussen een flamboyante nachtclubperformer (gespeeld door Spiegel) en een haar eenzame bewonderaar (actrice Mira Helmer). De twee worden samengebracht door een spookachtige vrouw (danser Sophie Maczewski) die als een witgeschminkte doodsengel gewapend met twee mysterieuze speeldoosjes het lot van de twee vrouwen lijkt te sturen. In nachtmerrieachtige scènes verwisselen de vrouwen meerdere malen van rol, en van lichaam.
Minailo lacht.
“Mijn werk gaat bijna altijd over psychologische oorlogsvoering én fysiek geweld tussen vrouwen. Misschien is het verknipt, maar ik verdien de kost met vrouwelijk lijden.”
Zowel qua thema als in de beelden verwijst Soul Seek naar de iconische film Persona van Ingmar Bergman, die Minailo vorig jaar ook tot opera bewerkte, en David Lynch’s vervreemdende Mulholland Drive. De scènes worden voortgedreven door een dreigende soundscape, electropop, hoekige John Zornachtige kamermuziek en Spiegels warme, veelzijdige en soms croonende stem – die doet denken aan de expressieve rauwheid van P.J. Harvey met een losse, jazzy timing.
“Muziek is voor mij een taal zonder duidelijke betekenis. Soms lijk ik meer een choreograaf dan een theaterregisseur. Mijn regie werd gestuurd door de muziek en de sferen, beelden en gebeurtenissen die daarbij naar boven kwamen. Het is zeker geen lineair verhaal, maar door het gebrek aan houvast ga je juist heel aandachtig kijken en luisteren.”
Als tieners zaten Spiegel en Minailo samen op de Thelma Yellin theaterschool in Tel Aviv, sindsdien werken ze samen. In 2009 werd Minailo gevraagd om tijdens de Operadagen Rotterdam een derde voorstelling te presenteren, naast zijn producties Elektra | Erwartung en La Femme Humaine. Minailo en Spiegel besloten een soapopera te maken – letterlijk en figuurlijk – bestaande uit vijf korte scènes, gespeeld in de foyer. Minailo:
“Dat hadden we in no time in elkaar gezet, maar we wilden er allebei graag nog op door.”
Drie jaar later kwam Soul Seek tot stand met een minimaal budget, en de grotendeels vrijwillige inzet van alle betrokkenen. In vijf dagen werd alles opgenomen. Toch heeft het project niets van de ongepolijste do-it-yourself grofkorreligheid die je daarbij zou verwachten.
“Ik ben een enorme esthetische zeikerd. Ik houd erg van die strakke, gelikte en mooi uitgelichte beelden.”
“Maar dat streven naar schoonheid is nooit een doel op zich, en zeker niet gebonden aan geld. Met een paar spotgoedkope LED-lampen en een HD camera kom je al een heel eind. Daarnaast had ik een team van goede mensen om me heen verzameld, die allemaal aanvoelden dat dit een heel bijzonder project zou worden. We hebben àlles en iedereen in onze omgeving ingezet om iets nieuws te kunnen maken. Heel postmodern allemaal.”
The Young Makers Marathon: from the beautifully absurd Parkin’son to the claustrophobia of Cow’s Theory
28 april 2012 | Daniël BertinaThe Young Makers Marathon For Your Eyes Only at Springdance features performances by students from the influential dance academies School voor Nieuwe Dans Ontwikkeling (The Netherlands) and P.A.R.T.S. (Belgium). I had the pleaure to see two of them.

Cow’s Theory by Cecila Lisa Eliceche (P.A.R.T.S.) is a hyperintense piece of contact dance. Three female performers move at super slow pace, wrestling eachother in balanced loops, reminicent of multi-armed Hindu god Shiva tied in a knot. Pushing, pulling, dragging eachother along. First slow, then fast, moving from claustrophic distances to wide swirls. At glance, it seems standard contact improvisation. That is, until you realize that certain movements return again and again. The very elaborate sequence of moves, which at first nothing more than grabs and pulls, are repeated with increased intensity from one dancer to the other. Cow’s Theory is equal parts erotic, violent, and cooperative – the three women from a sensitive balance act, where individual actions have immediate consequences for the rest.
At times, they also expand their movement with vocal accents. Sighs, but also shrieks and indecipherable phrases which seem to emphasize their actions, and are also used as a means of timing. The performance itself seems endless because of the trance-like repetition and slow, deliberate movements building up in speed, but also occationally their slowing down unexpectantly. Allthough intense and uncomfortable, Cow’s Theory is above all consoling. The three dancers form a trinity of movement and purpose. They are not alone, and neither are we. Our actions – however small – will resonate and affect others.
By contrast. Parkin’son by SNDO choreographer Guilio D’Anna seems a far more personal performance. It’s a heartbreaking, autobiographical interaction between a young dancer and his Parkinson’s stricken father. Interspersed with fragments of recorded monologue, introducing the two men, and telling their story.
Brutally honest, Parkin’son shows the ambitious young man, at the peak of his physical abilties and at the start of his carreer as a dancer, confronted with fear of his own mortality. Refusing to accept the degenerative consequences of his father’s illness. The performance is both hilarious and sentimental – in a good way – in the way that is shows a father and son coming together to create art, but also to reaffirm their love. As for Guilio D’Anna. he wants to die at old age, in his father’s arms. The same way he came into this world. A beautiful absurdity.
See our liveblog:
Fragmentarische eerste choreografie van kunstenaar Martin Creed is vrijblijvend, schetsmatig en mist spanning
27 april 2012 | Daniël Bertina“We’ve been working on some songs and dances,” zegt beeldend kunstenaar Martin Creed, bijgestaan door zijn vijfkoppige band en vijf balletdansers. In zijn fragmentarische voorstelling onderzoekt Creed de relaties tussen de vijf basisposities uit het klassiek ballet, de springerige off-beat ritmes van zijn postrockbandje, en Creeds eigen videokunst. Dit is zijn eerste choreografie en dat is te merken. ”Works No. 1012 Ballet” voelt té schetsmatig en mist spanning. Ondanks de ranzige video’s.
Mechanisch bewegen de dansers zich over het podium. Als balletrobots. De absurdistische liefdesliedjes van Creed en consorten worden afgewisseld door hun statische, cyclische dans, op de klanken van losse noten of toonladders. De ballerina’s beperken zich tot vijf basisposities, maar de volgorde van de bewegingen blijkt heel complex.
De speelvloer is uitgemeten en opgedeeld met kruisjes, precies de lengte van één volle stap, waardoor de dansers zich kunnen oriënteren in de ruimte. Ze bewegen versneld of vertraagd, soms in canon of echo. Ze zijn onderworpen aan mathematische spelregels en stemmen hun bewegingen precies af op de dynamiek van de muziek. Maar in alles volgen ze de klanken van de grillige bandleider Creed. Na elke scène verdwijnen ze één voor één door een zijdeur, net zoals ze zijn opgekomen.
Het zijn vooral de kleine, spaarzame interacties tussen de dansers en muzikanten die ”Work No. 1012 Ballet” interessant maken. Toch blijft de voorstelling een serie kunstjes zonder grotere spanningsboog en blijft het té vrijblijvend. We gaan van schets naar schets. Van liedje naar dansje naar liedje, met op de achterwand geprojecteerde fragmenten van Creeds bij vlagen erg geestige, soms erg ranzige videokunst.
Creed heeft een reputatie voor uiterst minimalistische, what you see is what you get conceptuele kunstwerken. Zo won hij in 2001 de Turner Prize met zijn ”The Lights Going On and Off (Work No. 227)”, waarbij hij de zaallichten van één van de expositieruimte in de Tate Gallery aan en uit liet gaan. Of hij liet om de dertig seconden, vier maanden lang, een atleet door de Tate Britain rennen. Ook zijn zeer heftige en abjecte videokunst is net zo zorgvuldig bedacht en uitgewerkt.
Opeens is ”Work No. 1012 Ballet” afgelopen. Heel abrupt en onbegrijpelijk. Schijnbaar nog middenin een dansscène. “OK, that’s is,” roept Creed met een demonische grijns. Hij legt uit: “Tonight, we’ve been trying out some bits and pieces.” Daar moeten we het mee doen. Het zaallicht gaat aan en onmiddellijk begint het nagesprek. Creed krijgt een fles champagne in de handen gedrukt en de gespreksleider vraagt of het publiek de kunstenaar nog iets te vragen heeft.
Gedurende dit alles speelt tegen de achterwand een scène uit Shit Film, ook videokunst van Creed. Een Aziatische dame hijst haar jurk op, hurkt, steun, kreunt en gaat pontificaal zitten kakken. Een handjevol mensen vlucht meteen de zaal uit. De rest blijft nog even zitten. Stomgeslagen.
Creed haalt zijn schouders op: “Dáárom houdt ik ook zo van galeries. Die hebben geen stoelen, dus kan je sneller weglopen.”
Work No. 1020 Ballet door Martin Creed. Gezien: Akademietheater, donderdag 26 april.
In wisselvallige en tergend traag ”Untried Untested” blijft de kinderlijke verwondering over de natuurwetten teveel op afstand
25 april 2012 | Daniël BertinaWat is zwaartekracht? Wat is lucht? Wat is adem? In Untried Untested van choreograaf Kate McIntosh onderzoeken vier vrouwen met simpele middelen de magische werking van de natuur. Ze zijn gewapend met tientallen zwarte ballonnen, een kluwen scheepstouw, een handjevol veren, een paar zakken aardappels, windmachines en tl-lampen, een speelvloer van pakpapier. En hun eigen lichamen. Helaas blijft die verwondering té ver op afstand door het vreemde, onevenwichtige tempo.
Bij binnenkomst is de speelvloer leeg en rommelen de vier performers van Untried Untested achteloos met hun rekwisieten. Een voor een lopen ze op en bezaaien de speelvloer met zwarte ballonnen. En ze verdwijnen weer. Vanaf de zijkant beginnen drie windmachines te blazen. Heel zachtjes trillen de ballonnen in de luchtstroom, komen in beweging en worden langzaam naar het midden van de vloer gedreven. Ze dansen! Spontaan komt er orde in de chaos.
Dat is van korte duur. Woest storten de vier performers zich op het rubber. Met klauwende handen knijpen ze de ballonnen kapot, bijten erin, trappen erop, nemen een snoekduik en verpletteren ze, of botsen ermee tegen de zaalmuur. Bij elke knal stort er iemand ter aarde. Het snerpende gekraak, veroorzaakt door de wrijving met het rubber, maakt een indrukwekkende teringherrie. Deze hilarische chaos zet door. Totdat alles kapot is, en de speelvloer bezaaid met losse ballonflodders.
Even later staan twee spelers naast elkaar en tonen verschillende dingen aan het publiek: een handjevol veren, een steen, een boek of een kluwen touw. Allebei met een blik die zowel verontschuldigend als uitdagend lijkt. Opeens blaast een derde speler, liggend in een hoek van de speelvloer een ballon op. Ze springt op, zet een sprint in en rent tegen de zaalmuur aan. Met een harde knal klapt de ballon en de performer smakt op de grond. Voor dood. Geestig natuurlijk, maar ik heb geen idee wat ik hiermee aanmoet.
Bovenstaande grilligheid is symptomatisch voor Untried Untested. Lange passages met zeer minimale beweging worden afgewisseld met plotselinge, absurdistische en hysterische versnellingen. Daar is in principe niets mis mee. Maar het meeste in Untried Untested gebeurt op zo’n hemeltergend langzaam tempo, dat juist bij die plotselinge versnellingen alle spanning in één klap wegglipt en – helaas – ook de associaties niet beklijven.
Op één geweldig beeld na.
Tegen het eind van de voorstelling is één van de vrouwen is ter aarde gestort. Ze wordt als een lappenpop door de anderen in een cirkel over de speelvloer gesleept, die bezaaid is met rekwisieten. Ze blijft haken. Er ontstaat een scheur in het pakpapier en met een oorverdovend geraas wordt het hele papieren speelvlak kapot getrokken. Als in een verwoestende, allesverslindende draaikolk die alles met zich mee sleurt; een tsunami van papier en rotzooi. Ze eindigt als een gigantische berg.
Dit prachtige slot maakt veel goed, maar er ging veel wisselvalligheid aan vooraf.
Pure camp met een enorme theatrale intelligentie in (M)IMOSA, waarin vier flamboyante drag queens om aandacht vragen
22 april 2012 | Daniël BertinaManiakaal galoppeert ze over het podium, stampend als Michael Flatley on crack. Graatmager en met ontbloot bovenlijf raast Marlene Monteiro Freitas tapdansend in de rondte. Ze knijpt in haar tieten en trekt handenvol (nep)haar uit haar scalp. “My name is Mimosa Ferrara,” hijgt ze dreigend, terwijl haar zwarte legging van haar kont zakt en vlak boven de schaamstreek blijft hangen. “And these fucking pants are always falling down.”
In (M)IMOSA belichamen vier flamboyante performers – twee mannen, twee vrouwen, allemaal androgyn – om de beurt de ultieme hysterische fantasietravestiet: Mimosa Ferrara. Dat doen ze in de vorm van een battle, waarin ze elkaar voortdurend in flair en overdaad proberen te overtreffen. De voorstelling is een eerbetoon aan de New Yorkse underground travestietenscene van de jaren tachtig, met haar woeste vogue dansbattles, vastgelegd in de monumentale documentaire Paris is Burning (1990). Vermengd met invloeden uit de hedendaagse dans en chaotische performancekunst.
In hoog tempo volgen de meest uiteenlopende acts elkaar op: hilarische imitaties van popiconen Prince en Kate Bush, fragmenten klassiek ballet, breakdance met schuddende hiphopbillen, standup-comedyachtige monologen, hyperseksuele droogneukbewegingen, operettezang en uitzinnige vogue in de stijl van grondlegger Willi Ninja.
Na Monteiro Freitas barst Trajal Harrell los. Hij is minder flamboyant gekleed dan zijn voorganger, maar introduceert zichzelf ook als Mimosa Ferrara. Harrell grijpt de microfoon en zingt met trillende stem en volle overgave een bombastische tearjerker. Halverwege het nummer struint Francois Chaignaud vanuit het publiek de zaal in, gewapend met een glimmende boa, verentooi, geföhnd hardrockhaar en een snerpende falsetstem. Hij lijkt een kruising tussen rocker Dee Snyder en Hedwig & The Angry Inch, maar hij is óók Mimosa Ferrara. De vierde Mimosa – slangenmens Cecilia Bengolea – kruipt tevoorschijn als een grijze larve in een zeer nauwsluitend, nietsverhullend stretchpakje. Met een nadrukkelijk aanwezige dildo in de broek kronkelt ze als een malloterige transgenderstripper over het podium.
Goddank vermijdt (M)IMOSA de stompzinnige onderbroekenlol. Dat lukt doordat de performers voortdurend alle hysterie en aandachttrekkerij op het podium zélf ondermijnen. Ze geven vilein commentaar op hun eigen voorstelling, en soms ook hun eigen act.
Als voor de zoveelste keer één van de dansers de aandacht opeist met een lied, act of genante ontboezeming, beginnen de anderen vanaf de zijlijn subtiel te klieren. Nadrukkelijk ongeïnteresseerd vijlen ze hun nagels, kammen hun haar, checken zuchtend hun facebookstatus of geven een sneer naar hun collega’s. Het gaat allemaal volstrekt onnadrukkelijk en vanzelfsprekend, zonder het teveel uit te melken. Pure camp, maar met een enorme theatrale intelligentie.
Met 2,5 uur is de (M)IMOSA wel wat aan de lange kant, en na Bengolea’s totaal overstuurde Kate Bush imitatie is de voorstelling ook vrij abrupt afgelopen. Maar (M)IMOSA trilt nog lang na. Dit is een compromisloze, grillige theaterervaring.
Geniaal of geschift? Ik neig naar het eerste.
Traagheid en extreme duur maken van ”Wild Life Take Away Station” van Ibrahim Quraishi een mysterieus stilleven
22 april 2012 | Daniël BertinaBij binnenkomst is Wild Life Take Away Station al vier uur aan de gang. Twee performers – Diego Agulló en Ria Higler, een jonge man en een oude vrouw – slenteren als suffe zombies door de projectstudio van het Centraal Museum. Ze zijn bleek en spiernaakt, op hun rare sloffen en pruiken na. De twee liggen uitgestrekt over de bank, sjokken rond, drinken wat, laten zich vallen of kruipen tegen elkaar aan. Nietszeggende handelingen, uitgevoerd met uitgestreken smoelen. Wild Life Take Away Station is een meditatieve ervaring: je wordt ondergedompeld in een bewegend stilleven. Van uitgewerkte personages of een duidelijk verhaal is nauwelijks sprake, maar het blijft boeien.
“In mijn kunst probeer ik altijd de logica onderuit te halen,” vertelde choreograaf Ibrahim Quraishi mij in een eerder interview. “Als een kunstwerk nutteloos is, zonder duidelijke betekenis, dan krijg je als toeschouwer de vrijheid om het op je eigen manier te ontcijferen.”
Zo wordt alles en iedereen in Wild Life Take Away Station een onderdeel van een schijnbaar willekeurige compositie. Gedurende de performance lijkt het onderscheid tussen spelers, objecten en toeschouwers langzaam te verdwijnen. In een vervreemdende, luide soundscape zijn twee stemmen te horen, soms amper te volgen door rammelende stadsgeluiden, woest kabaal en kraaknoise. Soms in gesprek – ruziënd, vragend of geruststellend – maar vaker verzonken in dromerige monologen over hun onmogelijke liefde.
In de ruimte ruikt het naar gerookte paling, zweet, nat hooi, stoffige veren en smeulende theaterlampen. In het midden staat een grofhouten eettafel, bezaaid met etensresten en halflege borden, een afgebroken brood en glazen rode wijn. Als een klassiek stilleven. Verbouwereerd probeert een handjevol bezoekers zich een weg te banen door het kitcherige huiskamermeubilair, om niet teveel in de weg te lopen. Het maakt weinig uit: de performers kijken dwars door je heen.
De twee personages zien er dieptragisch uit, maar door hun hopeloze uitstraling en rauwe naakte lichamen krijgt alles wat ze doen een geestige ondertoon. De extreme duur en traagheid geven al hun handelingen, hoe klein of banaal dan ook, steeds weer een nieuwe, mysterieuze lading. Dus blijf je kijken. Uiteindelijk grijpt de vrouw haar partner bij zijn slappe lid, hij betast haar bejaarde borsten. Beide met tuinhandschoenen aan. “Auf wiedersehen” – fluisteren ze elkaar toe.
De originele versie van Wild Life Take Away Station stamt uit 2009 en duurde toen maar liefst 24 uur, non-stop. De versie op Springdance blijft beperkt tot (slechts) vijf. Na ongeveer een uur merk ik plotseling dat de soundscape opnieuw start. En realiseer me dat ik elk besef van tijd heb verloren.
‘Het voelde een beetje als de eerste keer seks: veel te direct, gehaast, overactief en grotendeels gebaseerd op onzekerheid’: Ivo Dimchev in gevecht met de draagbare kunst van Franz West
15 april 2012 | Daniël Bertina‘What the fuck moet ik hiermee?’ was de eerste gedachte van choreograaf en performancekunstenaar Ivo Dimchev (1976) bij de kunstwerken van de Oostenrijkse kunstenaar Franz West. Na Dimchev’s solovoorstelling Some Faves (2010) in Wenen zocht West, een veelbekroond maker van bizarre sculpturen en objecten, contact met de choreograaf. Hij vroeg hem om een geïmproviseerde video te maken op basis van zijn ‘adaptives‘: een soort draagbare aanraakkunstwerken.

In zijn ontregelende solovoorstelling I-on gaat de Bulgaarse choreograaf en performer Ivo Dimchev een absurdistische strijd aan met de draagbare kunstwerken van Franz West. Dimchev raakte gefascineerd:
“Ik voelde me sterk aangetrokken tot de absurditeit van Wests kunstobjecten: ze zijn totaal nutteloos, tegelijkertijd is het de bedoeling dat je ze als toeschouwer aanraakt en oppakt. Ze dagen ze je uit om er iets mee te doen. Maar wat? Ik had geen idee, maar ik houd ervan om beslissingen te nemen op basis van mijn eigen weerstand en tegendraadsheid. Dus ik besloot mee te werken.”
Dimchev – gelauwerd als choreograaf, performer en beeldend kunstenaar, wonend en werkend in België – sloot zich op met de draagbare sculpturen van West en filmde zijn eigen improvisaties. West was daar enthousiast over en gebruikte de videobeelden in zijn tentoonstelling, Dimchev zelf was er minder over te spreken.
“Het was nog teveel een losse improvisatie, zoekend naar een juiste vorm van lichamelijk contact met de objecten. Té ongericht. Het voelde een beetje als de eerste keer seks: veel te direct, gehaast, overactief en grotendeels gebaseerd op onzekerheid.”
Hij kreeg de kans om zich te revancheren. Een paar maanden later kwamen de twee elkaar weer tegen. Ditmaal in Rome, toen Dimchev daar zijn solo Lili Handel speelde. Op verzoek van West verzorgde Dimchev de opening van zijn tentoonstelling in Gagosian Gallery met een serieuzere, meer uitgewerkte performance: een strakke choreografie van 15 minuten op basis van twee van West’s adaptives. Later werkte Dimchev dat idee verder uit op grotere schaal in zijn solovoorstelling I-on, nu te zien op Springdance. Drie jaar sinds Paris (2009), zijn eerste choreografie op het festival.
I-on is een absurdistische collage van fysieke interacties tussen het concrete, menselijke lichaam en een aantal amorfe kunstobjecten. Afwisselend opgefokt, vervreemdend, komisch, verontrustend en beangstigend kalm. Maar altijd intens.
“Zo werk ik al jaren. Twaalf jaar geleden vertoonde ik mijn videokunst in een galerie in Sofia, en de curator kwam zich bijna verontschuldigen. Hij dacht dat ik werk van de andere jonge kunstenaars maar een saaie boel vond, want mijn performancekunst was in verhouding toch véél extremer? Dat was echt een verrassing. Ze vonden me extreem én een performancekunstenaar. Terwijl ik mezelf meer beschouw als choreograaf en danser, die alleen de extremiteiten opzoekt wanneer de compositie erom vraagt. Misschien lijk ik soms wel een hysterische gek die medische hulp nodig heeft, maar die intensiteit is een hele bewuste keuze.”
De kunstwerken van West hebben een podium nodig, stelt Dimchev. Daar komen ze pas echt tot hun recht. In een galerie is de relatie tussen de toeschouwers en de objecten té eendimensionaal en beperkend. Door de kunstwerken op een podium te plaatsen en er als performer mee in contact te komen, voor een publiek, ontstaan er talloze mogelijkheden voor interactie, interpretatie en context.
West gaf Dimchev het advies om de objecten in I-on zo abstract mogelijk te benaderen. Een goede tip, maar makkelijker gezegd dan gedaan, vertelt Dimchev:
“De adaptives zijn puur abstract, maar het menselijke lichaam is dat niet. Zodra die twee in samengaan, bestaat er altijd het risico dat de objecten opeens teveel een duidelijke functie krijgen. Daar gaat het me niet om. I-on gaat juist over het verlangen naar het onuitspreekbare – dat wat niet benoemd kan worden. Met mijn lichaam, de objecten, de soundscape en de dynamiek en intensiteit van de bewegingen probeer ik constant te balanceren op de grens tussen zin en onzin.”
I-On is op 19 en 20 april te zien in de Stadsschouwburg Utrecht.
‘Soms slaat het verlangen niet gezien te worden om in een overdaad aan exhibitionisme.’ – Yasmeen Godder over The Toxic Exotic Disappearance Act
11 april 2012 | Daniël BertinaZe heeft het druk gehad. Hoogzwanger werkte Yasmeen Godder (Jeruzalem, 1973) aan haar eerste choreografie voor Batsheva Dance Company. In een maand tijd stampte ze onder de vleugels van Batsheva haar nieuwe voorstelling The Toxic Exotic Disappearance Act uit te grond, en beviel tussendoor van een gezonde dochter.
scenefoto
Voor de derde keer presenteert de Israëlische choreografe Yasmeen Godder haar werk op Springdance. Met Batsheva Dance Company maakte ze The Toxic Exotic Disappearance Act: een voorstelling over exhibitionisme, en de drang om je te willen verschuilen.
Godder, geroemd als danseres en choreografe met haar eigen dansgroep, werd vorig jaar benaderd om werk te maken voor het grootste en meest prestigieuze dansgezelschap van Israël. Heel eervol, maar ze had wél haar bedenkingen.
Vanuit haar woonplaats Jaffa vertelt Godder dat ze vaker wordt uitgenodigd om werk te maken voor andere gezelschappen: ,” vertelt Godder vanuit haar woonplaats Jaffa.
“Het is altijd een moeilijke vraag of ik wel uit mijn veilige werkomgeving wil stappen. Want ik heb een eigen procesmatige, experimentele manier van werken, op basis van een langdurige relatie met mijn dansers.”
Normaal komen haar voorstellingen heel geleidelijk tot stand over een periode van ongeveer acht maanden. Voor The Toxic Exotic Disapperance Act had ze maar één maand de tijd.
“Verder heeft Batsheva ook een andere artistieke visie en bewegingstaal: zij zijn van de soepele flow, terwijl ik me meer richt op fysiek contact, rauwe bewegingen en de emoties van de dansers. Maar ik heb het toch gedaan om mezelf uit te dagen en een beetje uit mijn comfort zone te stappen. Het was heerlijk om even alleen voor choreografe te mogen spelen, zonder tegelijkertijd nog een heel gezelschap te hoeven leiden.”
The Toxic Exotic Disappearance Act is samen met de voorstelling House van Sharon Eyal en Gai Behar op 21 en 22 april te zien in de Stadsschouwburg Utrecht. Het wordt de derde keer dat Godder werk op Springdance presenteert, na Singular Sensation (2009) en Storm End Come (2011). In haar nieuwste voorstelling richt Godder zich op de spanning tussen puur exhibitionisme – de honger om gezien te worden – en de drang om je te willen verschuilen. Godder:
“Soms slaat het verlangen om niet gezien te worden om in een overdaad aan exhibitionisme. Daarnaast ben ik ook erg geïnteresseerd in de paradoxale werking van circusachtige verdwijntrucs: duidelijk zichtbare handelingen op een podium, die juist draaien om het verdwijnen. Ik heb in mijn choreografie met al die ideeën gespeeld en er een flamboyante, atmosferische draai aan gegeven.”
Yasmeen Godder
Eén van Godders inspiratiebronnen voor haar voorstelling is het fotoboek Flamboya van de bekroonde Nederlandse fotografe Viviane Sassen. In haar werk toont Sassen verstilde portretten van Afrikanen, los van alle negatieve stereotypen over hun continent – corruptie, hongersnood, oorlog. Bijna alle gezichten zijn bewust onzichtbaar of door schaduwen verduisterd. Godder stuitte vorig jaar op Sassens fotoboek, toen ze in het Grand Theatre in Groningen aan een voorstudie werkte van Storm End Come.
“Ik liep toen al een tijdje rond met ideeën voor een nieuw stuk. Haar foto’s grepen mijn aandacht vast. Er was iets in de essentie van haar visuele taal dat me enorm intrigeerde. Haar portretten zijn heel direct en ontwapenend; ze laten persoonlijke kwetsbaarheid zien, die tegelijkertijd verborgen en mysterieus blijft.”
Dat deed Godder denken aan haar dansers.
“Zij hebben ook die enorme drang om gezien te worden. Maar de behoefte om op het podium te staan en jezelf soms te overschreeuwen is ook een manier om je ware zelf juist te verhullen. Dat geldt op het podium en in persoonlijke relaties met anderen. Ik ben gefascineerd door het vermogen om jezelf in een ander te kunnen verliezen. Hoe je de ander kunt gebruiken om gezien te worden, of om veilig achter te kunnen schuilen.”
The Toxic Exotic Disapperance Act ging 30 december in première in Tel Aviv. Het werk blijft zich ontwikkelen, zegt Godder.
“De dansers van Batsheva zijn zo geroutineerd dat ze tijdens elke voorstelling hun rol verder kunnen onderzoeken. Het is niet zo dat alles aan elkaar wordt geïmproviseerd, The Toxic Exotic Disapperance Act heeft een hele vaste structuur, maar bij elke uitvoering lijken de dansers een diepere laag te ontdekken. Ze doen research op het podium.”
Godder werkte vaker met fotografie als inspiratiebron. Zowel aan I’m Mean I Am (2006) en Yasmeen Godder and the Bloody Bench Players present Strawberry Cream and Gunpowder (2004) lagen iconische beelden uit fotografie en cinema ten grondslag.
“Ik ben heel geïnteresseerd in de manier waarop fotografie een moment kan vangen. En hoe die impact van dat tweedimensionale, statische beeld weer kan doorwerken in levende bewegingskunst. Toen ik werd gevraagd om voor de derde keer mijn werk op Springdance te laten zien, wist ik niet dat het festivalthema scupltured bodies & body sculptures was.”
Ze lacht.
“Daar sluit mijn voorstelling eigenlijk heel goed bij aan.”
Van waanzinnige Marrokaanse drum ‘n bass naar vervreemdende droomklanken: Dakka al Marrakchia, Zoumana Diarra & Basile Maneka #WU12
22 januari 2012 | Daniël Bertina
Het is ongelooflijk wát een energie de mannen van Manar kunnen opwekken. Deze zes – in djellaba’s gestoken – percussionisten spelen Dekka al Marrakchia: een waanzinnig opzwepende vorm van traditionele Marrokaanse drum ‘n bass feestmuziek en religieuze Gnawa. Na een plechtig, bijna ritualistisch begin – waarbij de band in ganzenpas het podium van het Theater aan het Spui komt opsjokken, begeleid door de dreigende klanken van twee enorme toeters – barsten de drums los en staat de dansvloer vol swingende bezoekers.
Complexe, woest syncoperende, Sufiachtige ritmes vloeien samen gefreestylede vraag-en-antwoordachtige zanglijnen tussen de voorzanger en het koor van percussionisten. Denk aan een mix van Capoeira Regional en Nusrat Fateh Ali Khan. Toegegeven: duurt even voordat je snapt doe het enorme kabaal in elkaar zit. Maar is daarna is het onweerstaanbaar.
Beluister de sonische wervelwind van Manar op Winternacht 1 (klik hier!)
En dan Zoumana Diarra op Winternacht 2. Het is een heel raar ging, zo’n kora. Een Afrikaanse harp met een soort enorme kalebas als klankkast en een lange houten nek met twee rijen snaren – waardoor de speler tegelijkertijd twee melodielijnen kan spelen. De kola wordt bespeeld door Malinese Zoumana Diarr. Hij is telg uit een familie van muzikale dichters / verhalenvertellers / troubadours, de zogenaamde griots, die nog steeds een grote rol spelen in het overdragen van de orale traditie en het Afrikaanse culturele geheugen. Hij wordt bijgestaan door de multi instrumentalist Basile Maneka – afkomstig uit Congo, geaard in Friesland. Samen scheppen de twee mannen een verbazend subtiele, dromerige sfeer. Heel zorgvuldig opgebouwd met prachtige dynamiek. Alsof je in een warm klankbad stapt.
Edney Silvestre ziet het probleem niet zo, in het debat Lust & Colour. ‘In Brazilie zijn we toch allemaal gemixed’ #WU12
21 januari 2012 | Daniël BertinaRobert Vuijsje leest voor (klik hier!)
“It’s raw. The language is very powerful” – noemt de Brazilaanse schrijver Edney Silvestre de voorgelezen passage door zijn Hollandse collega Robert Vuijsje. Het doet hem denken aan toen hij een tiener was, en Henry Miller las. “Daarbij vergelijken is dit wel een beetje een kinderverhaaltje.”
De toon is gezet. In het chaotische debat Lust & Colour vroeg Wim Brands drie auteurs naar het samenvloeien van geilheid en huidskleur. Een lastig onderwerp. Ze kwamen er niet helemaal uit.
Vuijsje – rond de publicatie van zijn boek Alleen Maar Nette Mensen door politiek correct Nederland van racisme beschuldigd, en aan het kruis genageld – mocht het spits afbijten, en vervolgens de erotiserende werking van de Donkere Vrouw en de bijbehorende cliché’s aan Brands uitleggen. Wellicht met de heisa rond zijn boek nog in het achterhoofd, was Vuijsje erg op zijn hoede. “Ieder mens heeft nu eenmaal zijn voorkeuren.”
Edney Silvestre leest voor (klik hier!)
Jij bent joods, vraagt Silvestre aan Vuijsje. “Beschouw jij jezelf als blank?” Blank ja, antwoordt Vuijsje. “Maar wel onderdeel van een minderheid.” Tijdens een verblijf in de Verenigde Staten werd Silvestre constant gevraagd naar zijn eigen etnische achtergrond. Hij lacht sardonisch. “Ze vonden me té blank om Braziliaan te kunnen zijn. Maar wij Brazilianen zijn allemaal genetisch zo gemixed, dat van racisme eigenlijk geen sprake is.”
De Zuid-Afrikaanse Kopano Matlwa beschrijft in haar roman de verwrongen machtsrelatie tussen een blanke priester en zijn zwarte dienstmeisjes. In haar land ziet ze het openlijke racisme steeds meer afnemen. “Maar dat heeft plaatsgemaakt voor een onverschillige vorm van tolerantie. Er zijn nog heel veel raciale taboes en we lopen allemaal op eierschalen. Dat is nergens voor nodig. We moeten veel opener durven zijn.”
Kopano Matlaw leest voor (klik hier!)
Silvestre vind het eigenlijk nogal raar om lust met huidskleur te verbinden. “Lust heeft in mijn werk veel meer te maken met overheersing en macht. Dàt is het grote probleem in mijn land, de sociale en ecomomische ongelijkheid – niet het racisme.”
Column: Staat van Verwenning door Patrick van der Hijden, de opening van het debat Burger King & Burgerschap
21 januari 2012 | Daniël BertinaIn het debat Burger King & Burgerschap geven Patrick van der Hijden, David van Reybrouck, Chris Keulemans en Samuel Vriezen hun visie op de staat van de burger. Publiek mag, maar hoeft niet, meedoen. Hieronder de column Staat van Verwenning, voorgedragen door Patrick van der Hijden – als aftrap voor het debat.
“Ons leven is in de achttiende eeuw uitgevonden.
De leden van de hogere klassen – de elite – hadden een eigen huis, vaak met tuin. Ze stuurden hun kinderen naar school en die begonnen daarna een vervolgopleiding. Ze hadden vrije tijd en kwamen over het algemeen op tijd op hun afspraken, door de horloges die ze droegen en de trekschuiten die op tijd vertrokken (ze klaagden bij vertraging). Burgers die buiten de stad woonden, forensden – met de koets, dat wel. Ze dronken koffie om wakker te blijven. Ze bezochten restaurants met menukaarten. Ze werden ingeënt tegen de pokken en hadden huisdieren. Een geweldige bron over dat leven vormt het dagboek van Otto van Eck, die daar op tienjarige leeftijd onder druk van zijn door de Verlichting bezielde ouders aan begon, in 1791. Daar ontleen ik bovenstaande voorbeelden aan.
Dit leven wordt aan het begin van de eenentwintigste eeuw niet door een kleine minderheid geleefd, maar door een groot deel van de Nederlanders. Die moeten het wel zonder personeel doen. Dat is namelijk vervangen door technologie. Verder lezen
De nuchtere onheilsprofeet John Gray horen spreken, is altijd een verademing #WU12
21 januari 2012 | Daniël BertinaEind jaren tachtig was John N. Gray (South Shields, 1948) adviseur van Margaret Thatcher – Gray: “I was just a small mote of dust in her administration” – nu is hij felle criticaster van alles wat met het neoconservatieve gedachtegoed te maken heeft. Op Writers Unlimited voelde publicist Bas Heijne hem aan de tand.
Gray is politiek filosoof, voormalig docent aan de prestigieuze London School of Economics, beeldenstormer, taoist, onheilsprofeet en schrijver van magistraal scherpe, maar bij vlagen zeer sombere polemieken als False Dawn (1998), Straw Dogs (2002), Al Qaeda and What it Means to be Modern (2003), Heresies (2004) en Black Mass (2007). De man is – net als Noam Chomsky of Zygmunt Bauman – een van die zeldzaam visionaire politieke denkers die over bijna alles iets zinnigs te zeggen heeft.
Het is een verademing om hem te horen spreken. Ook al is zijn blik verre van optimistisch. Want, stelt Gray, na jarenlange van relatieve rust, stabiliteit en grote economische groei moeten wij Europeanen ons voorbereiden op een langdurige periode van stagnatie en terugval. “Wij mensen zijn ontzettend flexibele dieren, maar voor mensen die zich blijven vastklampen aan hun zekerheden en bang zijn voor verandering wordt de komende tijd heel desoriënterend.”
Onder de titel Should we love one another? (vrij naar een essay van Heijne) besprak Gray op Writers Unlimited het persoonlijke en politieke leven van Margaret Thatcher, het opkomende populisme in Europa, de erfenis van Tony Blair, globalisering, de haatpolitiek, de crisis en de dreigende desintegratie van de euro, de Tea Party en de Occupy beweging, de opkomst van Europees fascisme in nieuwe en oude stijl, de onvermijdelijke teloorgang van de Verenigde Staten als oppermacht in de wereld en de invloed van de nieuwe machtsblokken Brazilië, India en China.
Natuurlijk kwam ook Gray’s stokpaardje voorbij: zijn grote scepsis over de maakbare samenleving en het geloof in vooruitgang. Zoals hij uiteenzette in Heresies, zijn vlijmscherpe tirade met de ondertitel Against Progress and Other Illusions. Vooruitgang is de wetenschap is een feit, stelt Gray. Het is cumulatief, en vergaarde kennis gaat niet snel weer verloren. Dat is niet het geval in de ethiek en politiek. Moeizaam bevochten vrijheden en breekbare inzichten kunnen ‘in a blink of an eye’ weer teniet worden gedaan.
Nuchtere, maar geen vrolijke kost. Gray lijkt genoegen te scheppen in de profetische inhoud van zijn essays. Met nauwelijks verhulde zelfgenoegzaamheid verwijst hij, per aangesneden onderwerp, naar eerdere publicaties. Zoals in het geval van marteling. In 2003 schreef Gray een satirisch stuk in The New Statesman, vrij naar Jonathan Swift’s A Modest Proposal, waarin Gray een pleitte voor de onvermijdelijke toepassing van fysieke en geestelijke foltering, om informatie te kunnen inwinnen bij Oorlogsvoering 2.0. “Het was toen ondenkbaar dat de meest invloedrijke democratie in de wereld – lees: de Verenigde Staten – marteling zou goedkeuren. En kijk nu eens. Ze keuren zelfs waterboarding goed.”
Terug naar de titel van het gesprek: should we love one another? “Wél in je persoonlijke leven, maar zéker niet in de politiek,” zegt Gray lachend. “Liefde in de politiek is een gevaarlijke illusie. Die liefde is vaak gereserveerd voor bepaalde groepen, en gaat ten koste van de rest. In de politiek is een houding van sympathie en mededogen genoeg. Ik ben doodsbang voor elke leider die zegt uit liefde te regeren.”

















