Berichten vanMaarten Baanders
Minicursus Opening @HollandFestival, deel 1: Totaaltheater over glibberige communicatie
22 mei 2013 | Maarten BaandersDans en muziek gaan in elkaar op in Gesamtkunstwerk SHIROKURO
3 mei 2013 | Maarten Baanders
Holland Festival ,,Ik gebruik graag het woord ‘Gesamtkunstwerk’. Licht, ruimte, materie, lichaam, geluid: het hoort allemaal bij elkaar. Elk aspect vormt een wezenlijk onderdeel van het geheel.”
Choreografe Nicole Beutler bereidt zich met pianiste Tomoko Mukaiyama en Verder lezen
‘Mijn slappe komedie’: grandioos spel en puntige humor
25 maart 2013 | Maarten BaandersIedereen kent die irritante situatie wel: je wilt lekker uit eten, maar bij aankomst in het restaurant moet je wachten tot er een tafel vrijkomt. Dit overkomt Verder lezen
Welk Afrika haalt het Holland Festival naar ons land?
7 maart 2013 | Maarten BaandersRokia Traoré, Dieudonné Niangouna, Brett Bailey, Compagnie La Baraka van choreograaf Abou Lagraa, El Gusto met Kashba Blues: er is veel Afrika in het Holland Festival 2013. Voorstellingen die Verder lezen
Choreografe Cecilia Moisio: als de dood voor de jaren vijftig
6 februari 2013 | Maarten Baanders,,Je zou denken: de vrouw is geëmancipeerd. Maar men verlangt weer naar de clichés en vooroordelen over de vrouw uit de jaren vijftig. Als je je supervrouwelijk kleedt, word je nagefloten als een hond. Maar hoe moet Verder lezen
Dansgroep LeineRoebana doorbreekt grenzen in Cello Biënnale
1 november 2012 | Maarten BaandersDans en muziek horen bij elkaar. Toch is er in deze combinatie altijd wel weer wat nieuws te ontdekken. De Amsterdamse Cello Biënnale nodigde dansgroep LeineRoebana uit om met cellist Jakob Koranyi en CvA Percussion een dans- en muziekvoorstelling te maken op muziek van componist Tan Dun: ‘Snow in June’. LeineRoebana heeft de laatste jaren als geen andere groep laten zien hoe verrijkend onconventionele combinaties tussen dans en muziek kunnen zijn. Verder lezen
Nieuwe impuls door jong danstalent op PUNCH! Festival
21 oktober 2012 | Maarten BaandersPUNCH! is een fantastisch festival. Het laat zien hoeveel moois, nieuws en verrassends er ontstaat als de grens tussen dans en performance wordt opgeheven. PUNCH! bevordert een verfrissende kijk op de wereld en schudt vastgeroeste interpretaties los. De jonge dansmakers en performers laten een enorme originaliteit en creativiteit zien, waar je niet alleen met plezier naar kijkt, je gaat er zelf na afloop ook creatiever van naar huis.
Het PUNCH! Festival en producent Dansmakers Amsterdam krijgen volgend jaar minder subsidie. Zij vertegenwoordigen jong, vernieuwend talent in de podiumkunsten. Het demissionaire kabinet Rutte heeft de productiehuizen, waar jong talent tot wasdom kan komen, afgebroken…
Het gaat op PUNCH! niet om dans die hapklaar wordt aangeboden. Je moet er wat voor doen. Maar de makers stellen voorop dat ze de ruimte, de bewegingen en hun ideeën met het publiek willen delen. Met woorden van deze strekking opende artistiek leider Suzy Blok het PUNCH! Festival in Bellevue in Amsterdam. PUNCH! is dus allesbehalve een moeilijk festival dat ver van het publiek staat.
De openingsvoorstelling .whatdowefinallyshare. van choreograaf Fernando Belfiore sluit op deze woorden aan. Het woord ‘share’ is aan slijtage onderhevig, dankzij de social media. ‘Iets met elkaar delen’ suggereert intimiteit en verbondenheid. Maar zijn die er echt?
Twee mannen en een vrouw bewegen springend en kreten slakend over de vloer. De intensiteit stijgt. In het begin wekt de voorstelling verwondering en scepsis. Wordt hier de draak gestoken met bewegingskunst? De energie van de dansers blijkt enorm effectief te zijn. Wat de dansers met het publiek delen blijft uiteindelijk een raadsel en is afhankelijk van wat ieder erin ziet. Maar meeslepend is het. Daar kan niemand omheen.
<Hier filmpje: 121011 PUNCH 3 Marie Goeminne.m4v>
Mooi om ‘Que ser?’ van Sofia Fitas en en ‘Puls’ van Marie Goeminne vlak na elkaar te zien! Ze zijn zo tegengesteld aan elkaar als maar mogelijk is.
Que ser?
Twee handen lichten op in de duisternis op het toneel. De bewegingen zijn minimaal en toch worden de ogen ernaartoe gezogen. Juist het kleine en geconcentreerde maakt dat je de opbouw naar grote gebaren als het opsteken van een storm ervaart. Erg sterk, zoals Sofia Fitas het publiek met zo weinig middelen weet te vangen en meevoert in de prachtig opgebouwde spanning.
Puls
Kreeg je bij Sofia Fitas alleen de contouren van het lichaam te zien, in ‘Puls’ van Marie Goeminne is elke spierspanning en elk trekje op haar gezicht te zien. Poëtische teksten vol zuivere natuurlyriek op de achterwand spreken van een groot, zoet verlangen. Performer Maaike van de Westeringh komt in beweging als iemand die ontwaakt uit een volmaakte slaap en een geborgen gevoel terug wil vinden op de koude, wit beschenen vloer. ‘Puls’ is van een ontroerende zuiverheid. Het is erg mooi zoals Van de Westeringh uit bezieling en kwetsbaarheid kracht en elan laat groeien.
‘CMMN SNS PRJCT’ van Martin Schick en Laura Kalauz heeft iets van een praatshow over onze ingesleten denkbeelden over het economisch verkeer. Maar dan wel een schrandere praatshow. Ze geven allerlei voorwerpen weg. Het publiek weet niet wat het overkomt. Heerlijk: iets gratis krijgen! Dan vraagt Schick: ‘Wie heeft er een T-shirt voor mij?’ Ineens voelt het idee ‘gratis weggeven’ heel anders. Schick en Kalauz stellen het publiek voortdurend voor onverwachte vragen en invalshoeken. Allerlei inzichten over rijkdom, verdeling en levensgeluk delen ze met de aanwezigen op de tribune. Wat betekent: ‘Dit huis is van mij’? Van wie zijn ideeën? Van wie ben je zelf? De ene rake sprong na de andere brengt hen tot de grens tussen hebben en zijn. Helaas houden Schick en Kalauz de spanning niet vol. Het wordt te veel een gewoon gesprek, zonder grens tussen performer en toeschouwers.
Ze zijn dagelijks op straat te zien: mensen met hun gedachten ergens anders. Ze tonen niets van wat er in hen omgaat, anders lopen ze de kans voor gek te staan. In ‘About There & Here’, een choreografie van Jasper van Luijk, valt deze grens weg. Performer Denise Klevering laat zien wat er gebeurt als je met je lichaam toegeeft aan de klappen van pijnlijke herinneringen. Klevering doet dit met een indrukwekkende uitstraling, zeer ingeleefd in het drama van haar personage en zonder de spanning ook maar een moment te laten verslappen.
Gierende remmen, wanhopig claxonneren. Wat gebeurde er op het moment dat filmlegende James Dean verongelukte? In ‘Soap Crash’, een choreografie van Clara Amaral, geven drie meisjes een blikken versie vol ironie van dit gouden verhaal. Tijdens de fatale autorit broeide het van de spanningen tussen Deans vriend en een ex. Dean was een held. Over hem praten was voor jonge meisjes hoe dan ook opwindend, tragisch ongeval of niet. ‘Soap Crash’ is verfrissend en origineel. De performers zijn vlijmscherp op elkaar ingespeeld, zowel vocaal als motorisch en qua timing.
Seinen met vlaggen. Vroeger deed men dat in het leger en bij de scouts. Choreograaf Jochen Stechmann gebruikt het vlagseinen in ‘Signs’ om een humoristische blik te geven op menselijke communicatie en hoe moeilijk we soms uit de voeten kunnen met afgesproken codes. Alleen al het idee dat men vroeger op dit middel aangewezen was om over grote afstanden te communiceren geeft het vlagseinen iets aandoenlijks. Daar komt een prachtige, droogkomische mimiek van de drie performers bij. Door de seincodes zijn ze behoorlijk gehandicapt. Hoe breng je ‘Ik hou van jou’ over? Daar sta je dan met je vlaggen.
Een gordijn dat het toneel in tweeën deelt. Links een man, rechts een vrouw. Dit simpele gegeven in ‘Hi Bye’ van Gabriella Maiorino & Cosmin Manolescu zet vanaf de eerste minuut de zintuigen op scherp. Twee dagdroomwerelden vullen het toneel. Gaan ze zich mengen? De scènes roepen onwillekeurig verhalen op bij de toeschouwer. Welke kanten die verhalen ook op gaan, ze maken voortdurend nieuwsgierig naar het eind. De suggestieve muziek, de intrigerende uitstraling van de man en de vrouw en de gebaren die ze af en toe door het gordijn heen naar elkaar lijken te maken, zorgen voor een grote spanning en een opzienbarend verrassende afloop.
Wie danst doet dat zelf. Dat is zo vanzelfsprekend dat niemand erbij stilstaat. The Mob haalt deze vanzelfsprekendheid onderuit. Wat gebeurt er als je je dansbewegingen door een ander laat maken? Verbijstering maakt zich van je meester als je ziet hoe dit uit de hand kan lopen. De performers (Emma-Cecilia Ajanki en Julia Giertz) sparen zichzelf niet. Hoe ver het gesleur en gegooi door performer Poul Laursen ook gaat, ze ondergaan het zonder een grens te stellen. Dat van willoze, weerloze lichamen zo’n verpletterende expressie kan uitgaan!
‘Parelen’ in de Leidse Lakenhal is een grenzeloze ervaring
21 september 2012 | Maarten Baanders‘Parelen’ is een tentoonstelling met de onbegrensdheid, fantasie en droomachtige vergezichten die bij een sprookje horen. Associaties met de parel rollen alle kanten op. Wie in ‘Parelen’ ronddwaalt vergeet even alles wat met de nuchtere dagelijkse werkelijkheid te maken heeft.
Overal blijken de parels op te kunnen duiken. De kunstwerken die bij deze tentoonstelling horen, zijn verspreid tussen de vast collectie zijn opgehangen of opgesteld: schilderijen die op de een of andere manier iets met parels te maken hebben, kijkkasten met parelkettingen, oude films van parelvissers, foto’s met heldere, surrealistische beelden, video-opnames van parels uit het grote dansrepertoire, fantasierijk aardewerk, textielcreaties, animatiefilmpjes. Je krijgt telkens het gevoel tegen een bijzondere parel aan te lopen. De muziek die van zaal tot zaal drijft, werkt bedwelmend.
De tentoonstelling is met een scherp oog voor contrast ingericht. Het werk van Kinke Kooi, om maar één enkel voorbeeld te noemen, toont geen letterlijke parels, maar springt bijna lichtgevend in het oog tussen de stemmige kleuren van de Hollandse meesters.
Het brein achter ‘Parelen’ is Karin Post. Haar achtergrond ligt in de danskunst, maar al vele jaren brengt zij combinaties met beeldende kunsten tot stand. Zij en andere kunstenaars geven in ‘Parelen’ een goed beeld van de moderne technieken waar de beeldende kunst over beschikt. In decors voor dansvoorstellingen bewegen parelachtige vormen zodanig boven een heuvelachtige ondergrond, dat er een enorm ruimtelijk effect ontstaat en de toeschouwer het gevoel krijgt opgetild te worden en erin mee te zweven. Met ‘motion capture’ techniek laat Post in een animatiefilmpje een parelachtig wezentje dansen. Voortdurend is de natuurgetrouwe menselijke motoriek herkenbaar, terwijl het bolletje toch geen beentjes en armpjes heeft. Het is spannend hiernaar te kijken en je gedachten heen en weer te laten springen tussen het menselijke en het kunstmatige.
Rode draad in ‘Parelen’ is een sprookje over de parelduikster Siluce, waarin vergankelijkheid en eeuwige vernieuwing met mooie, ijle beschrijvingen voelbaar worden gemaakt. Pierre Bokma vertelt dit sprookje in een audiotour. Hoe mooi dit verhaal ook is, als je het hoort tijdens de wandeling door het museum, zit het de ervaring van de tentoonstelling in de weg. Het is te veel van het goede. De expositie heeft zelf al zo’n suggestieve, sprookjesachtige atmosfeer, dat het verhaal dat door de koptelefoon je hoofd binnenkomt als een verstoring werkt en de aandacht fragmenteert. Daarbij dissoneren de verwijzingen naar de actualiteit, al past dat in de huidige tendens dat kunst moet wortelen in de maatschappij. In ‘Parelen’ is dat juist niet zo en dat is in dit geval een verademing. ‘Parelen’ laat zien dat kunst meer kan dan commentaar geven op de samenleving: een eigen wereld creëren, met vergezichten die je innerlijk raken.
Een bijzondere vermelding in de veelheid van ‘Parelen’ is ‘Mein junges Leben hat ein End’, een dansfilm, gemaakt door Peter Delpeut en dansgroep LeineRoebana, op de gelijknamige muziek van Jan Pieterszoon Sweelinck. Dit onderdeel is het meest in het gebouw geïntegreerd. De filmopnames worden in dezelfde gang geprojecteerd als waar ze opgenomen zijn. Een meisje van zeven, een vrouw van 31 en een vrouw van over de negentig dansen in de verlengde gang. Muziek en titel zetten je op het spoor er een vrouw in te zien die zichzelf in diverse levensfasen ontmoet en het verval van de ouderdom ervaart, met alle heftige gemoedsbewegingen en ontroerende kwetsbaarheid die daarbij horen. Maar er is meer. De lijnen zijn doorgetrokken. De gang van de mens wordt tot in onvermoede verten voortgezet. Je ziet verval, maar ook iets oneindigs. De verspringende beelden geven het gevoel dat het leven onbegrensd is en dat je telkens op een ander spoor kunt overstappen. Echt een parel waar je eindeloos naar kunt kijken.
Museum De Lakenhal, Leiden tot 13 januari 2013
Met bijdragen van: Karin Post, Maura Biava, Rib Birza, Pierre Bokma, Felix van Cleeff, Peter Delpeut, LeineRoebana, Rineke Dijkstra, Marlene Dumas, Yvonne Fontijne, Rob de Graaf, Emio Greco|PC, Conny Groenewegen, Koen Hauser, Scarlett Hooft Graafland, Natalia Horecna, Henri Jacobs, Jiří Kylián, Fransje Kilaars, Kinke Kooi, Danielle Kwaaitaal, Yannis Kyriakides, Erik van Lieshout, Joep van Lieshout, Hans van Manen, K. Michel & Dirk Vis, Het Nationale Ballet, Erwin Olaf, Michael Schumacher, Berend Strik, Peter Struycken, Claire Verkoyen, Marijke van Warmerdam, Lee Eun Young, Marinke van Zandwijk, Anne van der Zwaag en Johan Ambaum.
Paradiso vol dansenergie op I Like To Watch Too
19 juli 2012 | Maarten BaandersI Like To Watch Too: overvloed aan voorstellingen laat zien dat dans en performance krachtig aansluiten op de moderne maatschappij.
De danspasjes regenen je tegemoet, nog voordat je Paradiso bent binnengegaan. Tim Boerlijst tapdanst op de stoep.
Dit aanstekelijke welkom trekt de bezoeker meteen in de sfeer van ‘I Like To Watch Too’. Dit festival laat dans en performance van zijn meest energieke en optimistische kant zien. Paradiso bruist. Tussen de vele optredens in de zalen loopt het publiek in de hal argeloos tegen pop-ups op, korte optredens die, juist omdat je erbovenop staat en omdat iedereen in de hal praat en drinkt alsof er geen sprake is van theater, een prettig schokje in je teweegbrengen.
ILTWT dompelt je onder en sleept je mee. Opzwepende techno-dans, prikkelende performances, levensverhalen, zowel komisch als schrijnend, dans waar je over na kunt denken (maar niet te zwaar): het is er allemaal in een continue stroom, alsof de dansenergie door de zalen, de gangen, trap-op-trap-af golft.
Een punt van kritiek dat je op ILTWT kunt hebben is dat veel optredens tegelijk plaatsvinden en je dus niet alles kunt zien, terwijl alles erop wijst dat je daardoor veel mist.
ILTWT geeft een goed gevoel, in deze tijd waarin de podiumkunsten zo onder vuur worden genomen. Dit festival maakt duidelijk dat jonge dansmakers en performers zich niet laten remmen en met verbluffend veel fantasie en creativiteit aan het werk blijven. Ze spelen in veel gevallen verrassend in op wat er in de moderne westerse wereld leeft.
Alessandro Sciarroni gaat op een speelse manier in op hoe wij met computers bezig zijn. In ‘Joseph’ neemt hij zijn bewegingen op met een webcam. Op een gigantisch beeldscherm is zijn lichaam simultaan sterk uitvergroot te zien. Sciarroni is een illusionist, maar dan zonder geheimen. Dat maakt de voorstelling zo leuk en sympathiek. Sciarroni gebruikt eenvoudige, voor iedereen vertrouwde middelen en toch zijn de effecten die hij daarmee bereikt spannend om naar te kijken. Virtueel is het lichaam tot oneindig veel nieuwe bewegingen in staat. Met een vervormingsprgramma kromt en rekt hij zijn ledematen op het beeldscherm. Hij verdubbelt zijn gestalte en laat de twee lichamen in elkaar schuiven tot een wezen met vier armen en benen en zonder hoofd. Een verrassende wending volgt als Sciarroni het bereik van zijn performance met behulp van Chatroulette over de hele wereld uitbreidt.
Een heel andere performance biedt Tegest Pecht-Guido in ‘Girl 29’ van dansgroep T.r.a.s.h. Terwijl zangeres Artemisz Polonyi met koele stem de veiligheidsriedel laat horen die stewardessen aan het begin van een vlucht afdraaien, schiet een schreeuwende, schokkende, rollende en rennende Pecht-Guido van de ene crisiskramp in de andere. Terwijl de stewardes meedeelt wat er in noodgevallen moet worden gedaan om de boel onder controle te houden, verkeert de ‘passagier’ tijdens de gierende vlucht die haar leven is, continu in prangende nood. Uitdagend, hitsig, woedend en angstig gaat ze tekeer. Wat is Tegest Pecht-Guido toch een fenomenaal danseres en performer. Wat een power heeft haar kleine lichaam. Genadeloos laat ze zich op een bed stuiteren. Het doet pijn naar haar te kijken, maar het intrigeert mateloos en af en toe breekt er een lach door de pijn heen. De heldere, ijle zangpartij van Polonyi vormt een onverbiddelijk zacht contrast met al die wanhopige erupties. Het is overdadig, en wurgend om naar te kijken, maar van begin tot eind houdt Tegest Pecht-Guido je in haar greep.
Woeste, ongeremde bewegingen tekenen ook ‘The Bunga Bunga Generation’ van Piccoli Productions, een waarschuwing tegen de seksualisering van de samenleving. Dit onderwerp is in de mode bij theatermakers (denk aan het indringende ‘Bimbo’ van Boogaerdt/VanderSchoot), maar dit Zwitserse drietal gaat op een eigen verrassende manier te werk. De bewegingen verwijzen niets verbloemend naar seks. Krachtig staan ze met hun heupen te schokken en gaan ze te keer om hun lichaam aan een orgasme te helpen. Het ligt er dik bovenop, maar er is iets anders dan dit grove werk wat de voorstelling zo overtuigend maakt. Het ontbreken van passie en de vrolijk opgeruimde manier waarop ze hun ‘boodschap’ aan de man brengen. Het zijn net straatevangelisten. Overvloedige seks is de nieuwe oplossing voor alles, zeggen ze, de revolutie om een werkelijk vrij leven te bereiken.
Er is nog zoveel meer. De waanzinnig scherpe techno-dans met Oost-Aziatische animatiefilmbeelden van Karel Vanlaere en Vanja Rukavina (‘Dance Dance Revolution’); de naar binnen gekeerde act ‘M’ van de nauwkeurig zoekende choreograaf Michele Rizzo; ‘Makes People Talk’ van Jefta van Dinther, waarin jonge dansers uiterst vitaal swingen, terwijl hun mompelende lippen innerlijke triestheid verraden.
Een bescheiden maar indrukwekkende bijdrage leverde Melih Gençboyacı. De gebaren van sprekers bij protesten tegen bezuinigingen op cultuur in juni 2011 in Den Haag, inspireerden hem tot de bewegingsact ‘Access to Anxiety’. Zijn kracht ligt in de speelsheid waarmee hij omgaat met iets wat harde ernst was. Terwijl de actievoerders stonden te oreren, zag Gençboyacı dat er alleen al in hun gebaren kunst zat. In alles is kunst herkenbaar, als je maar creatief genoeg bent. Dat de bezuinigende overheid niet geïnteresseerd is in mensen die met hun creativiteit aantonen hoe rijk en interessant het dagelijks leven is, dringt bij het zien van dit optreden pijnlijk naar voren.
ILTWT bewijst dat de podiumkunsten springlevend en flink in beweging zijn. Speciaal de versmelting van twee genres, dans en performance, blijkt in dit programma zeer vruchtbaar te zijn.
I Like To Watch Too 2012, Paradiso, Amsterdam. Gezien: 13 juli 2012
#hf12: Addio alla fine is weergaloze dans, maar de bootreis heen en terug brengt de boodschap niet sterk genoeg naar voren.
17 juni 2012 | Maarten BaandersWe leven in een destructieve tijd. Natuur, kunst en cultuur, het innerlijk leven: ze gaan kapot onder de tirannie van geld, commercie en efficiency. Emio Greco en Pieter C. Scholten nemen hier stelling tegen. Addio alla fine is een all-in ervaring in de vorm van een bootreis naar een onbekende plaats, waar het publiek wordt ondergedompeld in dans, muziek en beelden. Inspiratiebron is Fellini’s E la nave va. Deze film toont een boot waarop een select gezelschap de as van een operazangeres naar zee brengt en op een onverwachte manier met dood en kwetsbaarheid te maken krijgt.

Addio alla fine is een reis naar het einde, dat tegelijk een begin is. Zo’n reis doet denken aan de nachtelijke boottocht van de Egyptische zonnegod door de onderwereld. Als die tocht volbracht is, kan het leven de volgende ochtend weer een aanvang nemen. Dankzij het besef van einde en vernietiging dat Addio alla fine het publiek wil meegeven, beleeft men op zijn puurst een verlangen naar een nieuw begin.
Dat Greco en Scholten hun voorstelling midden in de actualiteit plaatsen, blijkt nog voor vertrek van de boot. Actievoerders voor het behoud van de neushoorn verwelkomen het publiek. De keuze voor de neushoorn als symbool voor het kwetsbare, weerloze en bescheidene is ijzersterk. Het enige dat zo’n dier heeft is zijn bestaan en zelfs dat is de mens bezig van hem af te pakken. Dat kan. Zoiets fundamenteels en naakts als ‘bestaan’ kan men afpakken.
De voorstelling begint op de loopplank naar de boot. Eigenlijk is de hele voorstelling één lange loopplank, waarover het publiek zich naar de ‘nulpuntservaring’ begeeft. Dit wordt uitgelegd door een spreekstalmeester. Eerder, op de kade, riep deze in een vlammend betoog dat de mens in zijn zoektocht snakt naar betrouwbare leiding, maar deze niet heeft, zeker niet als het om zoiets fundamenteels gaat als deze reis, die men moet maken met het gevoel de laatste mens te zijn. Een soort Ark van Noach is deze boot.
De boot is geblindeerd. Er wordt gedanst op diverse soorten muziek. Als een constante klinken daar telkens de strijkerstonen uit The Unanswered Question van Charles Ives doorheen. Deze muziek heeft niet alleen een titel die prachtig past bij een voorstelling waarin al het vanzelfsprekende wordt afgestroopt, maar sluit ook mooi aan op een ijle, geheimzinnige sfeer, die langzaam groeit en als dunne rookslierten tussen de mensen zweeft.
Een afgelegen loods is de bestemming van de reis. Op een langwerpig podium begint een dans die niet lang genoeg kan duren. Wat een geweldige energie en een fabelachtige overgave stralen deze prachtige dansers uit! De krachtige armgebaren, met afwisselend kleine fladderachtige bewegingen, komen uit het diepst van deze dansende lichamen. De plotselinge verschijning van een doodgewone jongen door een luik heeft een prachtige werking, alsof het leven gezuiverd is.
Na de dans gaat de reis terug. De ramen van de boot zijn niet meer geblindeerd. Wie naar buiten kijkt ziet een bootje met een neushoorn erop. Prachtig is het zoals dat logge dier over de golven gaat en na een poosje in de verte verdwijnt.
Hoe schitterend de dans ook is, de beleving van einde en begin komt toch niet helemaal van de grond. De stemming op de boot is daarvoor niet geconcentreerd genoeg. Het publiek is vaak afgeleid of praat over onderwerpen die ze van huis meenemen. Misschien zijn er te veel mensen. Vooral de terugreis is niet veel meer dan een aangename boottocht. Daarmee is niets mis, maar de beleving van wat Greco en Scholten willen uitdrukken zou veel intenser kunnen. En dat is jammer, want hun statement is belangrijk.
Portugezen Sofia Dias en Vítor Roriz laten de taal bewegen en hun bewegingen spreken
25 april 2012 | Maarten BaandersJe hebt van die voorstellingen die je opmerkelijk eenvoudig en onnadrukkelijk een compleet eigen wereld binnenslepen. Voorstellingen waarin alles herkenbaar is. Woorden, beweging, decor. Alles even vertrouwd en huiselijk. Maar dan wordt er een tikje tegen gegeven. Patronen vervloeien. De taal staat op losse schroeven. Alles rammelt en raakt op drift. En toch klopt het. Voor je ogen en oren speelt zich een wereld af zonder barsten en met een eigen logica. Op de een of andere manier verlaat je na afloop de zaal met een goed gevoel.
Zo’n voorstelling is ‘A gesture is nothing but a threat’. Sofia Dias en Vítor Roriz laten de taal bewegen en hun bewegingen spreken. Hetzelfde ritme, dezelfde vaart omvat hun woorden en hun gebaren. Ze bouwen er een geweldige spanning mee op.
In hun performance-achtige werk, zoals ‘Again from the beginning’, doorbreken Dias en Roriz vaker heersende codes en beelden, om er een nieuw verband uit op te bouwen. In ‘O mesmo mas ligeiramente diferente’ lieten ze met beweging zien wat voor wonderlijke wegen er onder taal schuilgaan.
In ‘A gesture is nothing but a threat’ doen Dias en Roriz iets wonderlijks met woorden. Ze rijgen ze aan elkaar. Ze maken associaties, niet op wat de woorden betekenen, maar op hun klank. ‘Open your eyes,’ nodigen ze het publiek uit. De woorden vloeien uit. ‘I hope you rise,’ komt eruit voort, en vervolgens: ‘You’re right’. Zo gaat het door. Telkens opnieuw brengen ze zo’n prachtige poëtische vloed op gang. Woorden zijn geen afgebakende brokjes met een vaste betekenis meer. Het is opmerkelijk zo creatief als deze twee Portugezen met de Engelse taal omgaan. Of kunnen ze dat juist omdat ze geen native speakers zijn? Zijn ze meer dan Engelsen in staat de schotjes die woorden en hun betekenissen van elkaar scheiden ertussenuit te halen? Volkomen natuurlijk nemen ze je mee in de ene taalverrassing na de andere. De klank bepaalt de kronkelweg. Uiteraard zijn woorden nooit helemaal van hun betekenissen los te maken. Daardoor zijn de woordenreeksen in deze voorstelling zo geestig. In hoog tempo tippen Dias en Roriz allerlei betekenissen aan, zonder erbij stil te staan. De betekenis vliegt zo weer weg. Dit geeft je een duizelingwekkend gevoel, alsof je met enorme vaart door het universum gezwiept wordt.
Met hun bewegingen doen ze hetzelfde, maar geleidelijker en subtieler. Het begin is doodnormaal.: een man en een vrouw aan een tafel. Vanuit die positie bouwen ze een reeks bewegingen op, telkens herhaald, telkens aangevuld met een volgende beweging. Opstaan, een kaart oprapen, water drinken: niets bijzonders, lijkt het. Maar geleidelijk slechten ze op een lichte manier de muurtjes van het normale. Meubels gaan op hun kant. Dramatische gebaren en mimiek breken naar buiten. En dit alles soepel en met een meeslepend ritme. Langzaam maakt de huiselijkheid plaats voor een prachtige absurditeit. Nog steeds heel eenvoudig en helder. Bevrijdend is het. Dat maakt dat je met zo’n goed gevoel de zaal verlaat.
Maarten Baanders
‘A gesture is nothing but a threat’, door Sofia Dias en Vítor Roriz. Gezien: Theater Kikker, 24 april. Daar nog te zien: 25 april, 20.00 uur
Maliphant neemt Rodin als rijke inspiratiebron voor dans, maar maakt teleurstellende opening voor laatste Springdance Festival
20 april 2012 | Maarten BaandersHet festival opent teleurstellend met ‘The Rodin Project’. De beeldhouwer Rodin mag dan een uitdagende keuze zijn, helaas beperkt choreograaf Russell Maliphant zich tot het imiteren van sfeer en uiterlijke plaatjes. Rodin werkte vanuit een uitgesproken idee over materie. Hij was op zoek naar hoe vormen en bewegingen zich uit materie losmaken. Met zijn menselijke gestalten en hun gebaren liet hij zien hoe de mens als fysiek én bezield wezen in het leven staat. De gebaren suggereren een beweging die groter is dan het lichaam zelf.
Rodin is een diepe inspiratiebron om zelf gebaren te maken. Die diepgang heeft Maliphant echter niet opgezocht. Hij staart zich blind op de buitenkant. Natuurlijk: de expressieve stenen gestalten zijn prachtig en meeslepend. Maar als je je ertoe beperkt de houdingen en de zwaarte ervan na te bootsen, dan blijft er iets grenzeloos pathetisch over.
Gezwijmel bij spiermassa’s bijvoorbeeld. Die massa’s zie je inderdaad ook in het door Rodin bewerkte marmer. Net als de geheven armen en de smachtend gekromde houdingen van de danseressen. Ze kronkelen in onderwater-tempo in het decor. Ze zweeflopen zacht en lieflijk of met een vervoering waar de onechtheid van afdruipt. Alles verloopt even traag en zonder relativering. Dit moet op den duur wel saai worden.
De enige versnelling vormen acrobatische bewegingen met een vleugje capoeira van de twee mannen. Dit is verpletterend mooi om naar te kijken. De stunts worden adembenemend uitgevoerd. Maar het verband met de rest van de choreografie is onduidelijk.
Er zijn talloze meer of minder letterlijke verwijzingen naar Rodins beelden. De uitgelichte handen herinneren aan de studies die Rodin van dit lichaamsdeel heeft gemaakt. De mannen klauteren al dansend tegen een verticale wand op. Dit doet denken aan Rodins Hellepoort. Maar wat vindt Maliphant van die beeldhouwwerken? Wat maken ze in hem los, behalve dat hij de buitenkant bewondert?
Eerder op de avond voerde choreograaf en performer Ivo Dimchev in Theater Kikker ‘I-on’ uit. Hij werkte hierin met sculpturen van Franz West. Van begin tot eind was dit origineel, creatief en persoonlijk. Dimchev doet iets met die sculpturen. Hij maakt ze tot zijn verhaal. Deze creativiteit is in ‘The Rodin Project’ ver te zoeken.
Rodin is een goudmijn, maar Maliphant heeft het goud niet opgegraven.
‘The Rodin Project’ door Russell Maliphant Company. Gezien 19 april, Stadsschouwburg Utrecht. Aldaar nog te zien: 20 april, 20.30 uur
‘This is not a love story’ is intiem en eenvoudig, maar neemt je mee op een reis waarvoor de aardbol niet groot genoeg is #Internationale Keuze
19 september 2011 | Maarten BaandersWat is je relatie met walvissen? A. Totaal niet in geïnteresseerd. B. Een beetje geïnteresseerd. C. Heel erg dol op walvissen.
Zo’n vraag hoor je niet vaak in het dagelijks leven. Hij komt voor in ‘This is not a love story’, een vertelde, gedanste en gemusiceerde ‘Zweedse roadmovie’ van choreografe/filmmaakster Gunilla Heilborn. Een reis die Heilborn met de dansers Johan Thelander en Kristiina Viala heeft gemaakt van Tromsö naar Lissabon leverde het materiaal voor deze voorstelling. Verder lezen
#HF11 Het Nationale Ballet kiest voor esthetisch dwalen en exotische plaatjes
18 juni 2011 | Maarten Baanders‘Labyrinth’ heet de choreografie van Sidi Larbi Cherkaoui. Doolhoven intrigeren omdat je er in kunt verdwalen en dan per se de uitgang wilt vinden. Onderweg doet een mens dan allerlei onthullende ervaringen op omtrent zichzelf. Maar Cherkaoui komt niet toe aan deze gang. Hij begint meteen met symboliek. Een danseres houdt een brede band vast die vanuit het toneelhuis naar beneden hangt. De band ontglipt haar en floept terug omhoog. Je zou er een losgeknipte navelstreng in kunnen zien, maar ook het begin van een droom, die de dagelijkse structuur doorbreekt en je in jezelf doet afdalen. Aan het eind van de voorstelling keert de danseres terug in deze positie: ze heeft de band weer in haar handen en houdt hem ferm vast.
Tussen deze twee momenten zien we in ‘Labyrinth’ de ene na de andere ronddwaal-scène, zonder dat dit ooit tot zelfreflectie leidt. De toeschouwer moet het doen met oppervlakkige aanduidingen van algemeen menselijke problemen: hoe functioneer ik in de groep, kan ik mijn vrijheid nemen, wat houdt mij tegen? Eerder werk van Cherkaoui onderscheidde zich juist door verrassende combinaties en authentieke statements, zoals bijvoorbeeld in ‘Rien de rien’.
‘Labyrinth’ steekt daar bleekjes bij af. De voorstelling komt niet verder dan sprookjesachtige wendingen en exotische plaatjes. Het ontbreekt aan een uitgewerkt verhaal. Er wordt drama gesuggereerd, maar al gauw lost de suggestie op in het niets. Wat over blijft zijn de steeds terugkerende grote groepen dansers, die over het toneel stormen in lange gewaden en wentelen als een wonderlijk soort derwishen, behept met een klassieke vijfde positie. Of dit nu priesters zijn of jongens uit de hood, de scènes kabbelen voort zonder dat er van hobbels of uitkomst sprake is. Het stuk lijkt te draaien rond het opgroeien van het meisje met de band.
Er ontwikkelen zich verschillende scenario’s, waarbij grote groepen mannen steeds de achtergrond bepalen. Mannen in de rol van het klassieke corps-de-ballet, het patriarchaat in levende lijve opgevoerd. Het lijkt een leuke omkering, maar de verwijzing wordt niet uitgewerkt en blijft als gegeven in de lucht hangen. Zoals ook de verwijzing naar vrouwelijke trots in een flamenco-scène op spitzen of de mannendans rond een levensboom tegen blauwe horizon, waarmee het stuk eindigt. Het blijven losse, zij het suggestieve beelden, soms ondersteund door prachtig onregelmatig groepswerk.
Uiteindelijk vervalt ‘Labyrinth’, door het gebrek aan verband of het doorzetten van thematiek, in iedere scène terug in louter esthetische gestes. Die kunnen het gebrek aan drama of de uitdrukking van een diepere visie niet verhullen.
Het tweede deel van het nieuwe programma van Het Nationale Ballet is al even esthetisch. ‘Timelapse/Mnemosyne’ is van David Dawson, die ooit als danser aan het Nationale Ballet verbonden was, maar ook in 2005 als huischoreograaf. Maskers, rode handschoenen en zich vermenigvuldigende filmbeelden van dansscènes suggereren een uitgewerkte symboliek.
Opnieuw blijft het bij allusies en ontbreekt een diepere logica of een doorwrochten eenheid. Sterker, Dawson zoekt het spektakel. De geprojecteerde beelden en teksten verwijzen weliswaar naar het thema van herinnering en de verwoestende effecten van tijd. Maar oproepen als “Reconsider everything” doen weinig in het uiterst cleane toneelbeeld, dat aan een museum of showroom doet denken. In de dans gaat het namelijk vooral om effect. Een ritmisch, krachtig swingend trio krijgt van het publiek een gul tussentijds applaus, maar van een verband met de rest van de choreografie is geen sprake. Het zijn mooie ballet-bewegingen, in vrijgevochten klassieke stijl, maar meer dan de wens het publiek te behagen lijkt er niet achter te zitten.
Het Nationale Ballet met ‘Labyrinth’ van Cherkaoui en ‘Timelapse/Mnemosyne’ van Dawson. Gezien: 17 juni Muziektheater Amsterdam.N nog te zien: 19 juni (14.00 u.), 21 t/m 25 juni (20.15 u.)
Fransien van der Putt en Maarten Baanders

#HF11 Milieuboodschap in ‘Birds with Skymirrors’ geeft fantasie geen vleugels, maar zit letterlijk in de weg
4 juni 2011 | Maarten BaandersJe kunt je ogen bijna niet afhouden van de voeten. De dansers maken drukke, snelle pasjes en toch lijken hun lichamen over het toneel te glijden. Het straalt iets van volmaaktheid uit. In ‘Birds with Skymirrors’ krijg je voortdurend het gevoel dat de vogelwereld model heeft gestaan voor de bewegingen. Trillende handen doen aan vleugeltoppen denken, kwetsbaar de luchtlagen aftastend. Choreograaf Lemi Ponifasio voelt zich één met de aarde. De cultuur van zijn geboorte-eiland Samoa heeft dat gevoel onuitwisbaar in hem geplant. Geen scheiding tussen cultuur en natuur. Ponifasio kan niet anders dan dit gevoel in zijn dans verwerken. Zijn danskunst staat midden in het leven. Geen onderscheid tussen kunst en werkelijkheid. Met zijn dans wil hij de beleving van verbondenheid met de natuur op anderen overbrengen. Wees er zuinig op, maak de aarde niet kapot, is zijn boodschap.
Op een dag zag Ponifasio vogels met glinsterende snavels vliegen, of ze spiegeltjes meedroegen. Prachtig. Maar toen hij ze van dichtbij zag, bleken het stukjes videotape te zijn, die in zee waren gedumpt.
De voorstelling is een donker, langgerekt ritueel. Zorgvuldig en geconcentreerd maken mannen armgebaren, mooi afgerond, vloeiend, met soms gedecideerde hoofdbewegingen. Ze lijken te roeren in zeewater of in de lucht, zacht en meegaand. Als ze het hoofd achterover leggen, stralen ze een totale overgave uit aan de stromen die hen omringen. Het wonderlijke is dat diezelfde gebaren tegelijk iets van macht en controle hebben, alsof de stromen om hen heen ook hun eigen bewegingen zijn. Ondanks de ontspannen uitstraling van de dansers is er een strakke discipline.
De muziek is eenvoudig: lange tonen van de aarde die alles wat er op haar gebeurt lijdzaam ondergaat. Hoezeer deze dans ook in het echte leven wortelt, voor een westers publiek blijft de voorstelling toch de stilering van een ver eiland dragen. Zo blijft er afstand bestaan. De dans is vervuld van bezieling door de natuur, maar sleept het publiek daar niet in mee. Ondanks de verschrikte gillen van de vrouwen en hun dans met slingerende bollen, wordt er weinig spanning opgebouwd. Je gaat gaandeweg verlangen naar een dramatische insnijding, een onverwachte wending. Die komt niet en dat maakt ‘Birds with Skymirrors’ op den duur een beetje saai.
De boodschap is overduidelijk. Je ziet filmbeelden van een pelikaan die wanhopig probeert omhoog te komen uit door olie vervuilde golven. Eén van de dansers draagt een vogelkop. Deze letterlijkheid zit het genieten van de dans in de weg. Natuurlijk zijn die filmbeelden aangrijpend, maar ze zeggen niet meer dan: “Kijk eens hoe erg! Vervuil de zee niet.” Wat de voorstelling eigenlijk moet doen, is je fantasie vleugels geven, waardoor je anderhalf uur voelt hoe kwetsbaar je bent. Want kwetsbaar is de natuur. En kwetsbaar is ook de vervuiler die deel van die natuur is.
Lemi Ponifasio en dansgroep MAU met ‘Birds with Skymirrors’. Gezien: 3 juni, Stadsschouwburg, Amsterdam. Nog te zien: 4 en 5 juni, 20.00 uur

Muziek klinkt in de hoofden van de dansers van Emanuel Gat Dance en hangt als een geheim boven het toneel
22 april 2011 | Maarten Baanders
Als er muziek klinkt, heeft bijna iedereen de neiging erbij te bewegen. Muziek leidt tot dans. Die link is glashelder. Maar in de moderne dans is die vanzelfsprekendheid verbroken. Bij het zien van ‘Silent Ballet’ van Emanuel Gat Dance wordt dat indringend duidelijk. Zonder dat er ook maar één klank de zaal ingestuurd wordt, zwermen de acht dansers over het toneel. Ze lopen, achtervolgen elkaar en beschrijven expressieve lijnen met hun armen.
‘Het geluid van de stilte en de dans vormen een dynamische melodie,’ vertelt het programmablaadje. Je kunt inderdaad het aanzwellende en weer wegebbende geluid van voetstappen op de dansvloer als een muzikale compositie beschouwen. Een veel interessantere gedachte die de voorstelling oproept is: het lijkt wel of er muziek klinkt in de hoofden van de dansers. De eenheid in energie en de gezamenlijke ritmische impulsen zijn zo overtuigend aanwezig dat de gedachte opkomt: zouden ze misschien oortjes in hebben, waardoor ieder de muziek ingesouffleerd krijgt? Maar die oortjes zitten er niet.
De eenheid en het samen bouwen aan de stille dans komt echt puur uit de dansers en hun lichamen voort. Dit hangt als een geheim boven het toneel: muziek die in de zaal niet hoorbaar is, maar waarvan de uitwerking helder op het publiek afkomt, in de vorm van beeldende gebaren en een gezamenlijke intuïtie die alle dansers volgen. Ze gaan op in spelletjes waarvan ze de spelregels van moment tot moment van elkaars lichamen lijken af te lezen. Uit loopscènes kristalliseren zich duetten en groepsdansen uit. Telkens duiken markante armgebaren op die verspreid over het geheel een prachtig beeld oproepen. In twee- of drietallen vormen de dansers tableaux vivants, om vandaaruit traag in beweging te komen. Het is mooi en spannend om naar te kijken.
De tweede choreografie van de avond, ‘Winter Variations’, laat dezelfde subtiele verstandhouding tussen de dansers zien, al zijn het er nu maar twee en is de muziek, van Schubert tot the Beatles en van Riad Al Sunbati tot Mahler, nu overvloedig aanwezig. Ook als Emanuel Gat en Roy Assaf met de rug naar elkaar toe of ver van elkaar dansen, zie je dat ze elkaars bewegingen aanvoelen. Zoals de kringelende orkestfiguren in Mahlers ‘Der Einsame im Herbst’, zo sierlijk omstrengelen de armen elkaar en creëren de dansers harmonie tussen hun vaak grillige bewegingen.
Jammer is wel dat in deze choreografie de spanning op verschilllende momenten losgelaten wordt. De bewegingen worden minder trefzeker, er wordt wat gelopen en, zo lijkt het, gezocht naar een zinvol vervolg. Hierdoor gaat de choreografie voor het gevoel te lang duren en wordt de nieuwsgierigeheid steeds minder geprikkeld.
Maarten Baanders
Emanuel Gat Dance: ‘Silent Ballet’ en ‘Winter Variations’. Gezien: Stadschouwburg Utrecht, 21 april.
Dansers van Busy Rocks combineren nauwgezetheid met lichtheid en humor in ‘Studium’
16 april 2011 | Maarten Baanders
Het is niet nieuw dat eenvoudige bewegingen, die dichtbij het alledaagse staan, een plaats krijgen in dansvoorstellingen. Maar door de bijzondere manier waarop ze in ‘Studium’ van de Belgische groep Busy Rocks worden opgebouwd en uitgelicht, kijk je er met frisse verwondering naar.
Drie van de vier dansers, donker gekleed, gaan in zorgvuldig uitgedachte houdingen tegen elkaar aan op de grond liggen. Op deze constructie van lichamen neemt een danseres, helder wit gekleed, in horizontale positie plaats. Door de belichting lijkt het boven liggende lichaam te zweven. De onderliggende gestalten duwen de ledematen zo op, dat de witte figuur beweegt alsof zij loopt. De manipulatie wordt met grote precisie uitgevoerd. Als je er met gekanteld hoofd naar kijkt, zie je volmaakt natuurlijke stappen.
‘Stardust’ van Piet Rogie is grote stroom kleine verhalen over ontmoetingen, confrontaties, teleurstellingen en eenzame momenten #dekeuze
13 september 2010 | Maarten Baanders
Wie de locatie binnenloopt waar de voorstelling ‘Stardust’ van choreograaf/beeldend kunstenaar Piet Rogie gaat plaatsvinden, kijkt meteen zijn ogen uit. In de leeggeruimde expostiezaal van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam zijn touwen gespannen, wemelt het van de ogenschijnlijk slordig verspreide attributen en staan vier cementmolens als onverbiddelijke wachters langs de kant. De hele ruimte straalt uit dat het spannend wordt. En daar wordt de kijker niet in teleurgesteld.
De Keersemaeker zakt in ’3Abschied’ door de bodem van wat nog dans is
13 juni 2010 | Maarten Baanders
Tekst Maarten Baanders (foto Herman Sorgeloos)
Nadat de zintuiglijke arbeid in Keeping Still – Part I en The Song al tot een minimum was gereduceerd gaat dansfilosofe Anne Teresa de Keersmaeker in het slotdeel van de trilogie, 3Abschied, de confrontatie aan met de meest extreme reductie die in het leven mogelijk is: de dood. Haar muziekkeuze valt weer op Der Abschied, het laatste deel van Das Lied von der Erde van Mahler.
Is het mogelijk te dansen op muziek over de dood en over de aanvaarding van het naderend einde? Bij het zien van 3Abschied lijkt het van niet. De Keersmaeker lijkt door de bodem van wat nog dans is te zakken. Het begint met louter luisteren naar de muziek op cd en eindigt met Der Abschied gezongen door De Keersmaeker zelf. Beide scènes doen vooral denken aan iemand die onbespied in de huiskamer meegesleept wordt door de muziek, mee probeert te zingen en puur impulsief wat dansbewegingen maakt. De vervoering is van haar gezicht af te lezen. Aan alles is te zien dat het innerlijk bruist en golft. Maar mooi is de zang niet. En danstheater kun je het niet meer noemen.
Wat gebeurt er tussen dit begin en eind? Het dertienkoppig ensemble Ictus begeleidt mezzosopraan Ursula Hesse von der Steinen in een uitgedunde versie van Der Abschied. De Keersmaeker danst tussen de muzikanten door. De dans lijkt nauwelijks meer dan de lucht die tussen de instrumenten in beweging wordt gebracht. Door met de handgebaren van de vocaliste en de muzikanten mee te bewegen lijkt De Keersmaeker uit te drukken dat er eigenlijk alleen muziek is, en dans niet meer dan de beweging die bij het musiceren toch al wordt gemaakt.
En dan is er de bijdrage van Jérôme Bel, met wie De Keersmaeker deze voorstelling gemaakt heeft. Het is moeilijk voor te stellen dat De Keersmaeker hem niet als een storend element ervaart bij de bespiegelingen die ze zelf met zoveel ernst opbouwt. Hij geeft de muzikanten opdracht het laatste stuk van Der Abschied nog eens te spelen en daarbij één voor één weg te lopen. Daarna nog een keer, maar dan één voor één dood vallen. Het is onbenullig en melig en leidt af van de gedachten waartoe deze voorstelling het publiek nog zou kunnen inspireren.
Rosas (Anne Teresa de Keersmaeker, Jérôme Bel en Ictus), 3Abschied. Gezien 12 juni, Stadsschouwburg, Amsterdam. Aldaar nog te zien: 13 juni, met na afloop gesprek met De Keersmaeker
Related articles by Zemanta
- Platel’s Bold Dance Moves (online.wsj.com)
De Keersemaekers ‘Song’ is filosofie voor de zintuigen, recht uit het hart #hf10
7 juni 2010 | Maarten Baanders
Door Maarten Baanders (foto Herman Sorgeloos)
Waar waren we gebleven? In de vorige voorstelling, Keeping Still, gaf Anne Teresa de Keersmaeker ons een lege ruimte als slotbeeld mee. Nu lopen we de zaal van het Muziektheater binnen voor deel 2 van het drieluik, The Song en opnieuw strekt zich een uitdrukkelijk kaal toneel voor ons uit.
Het zaallicht brandt nog als er een man het toneel op loopt. De man loopt nog wat rond en begint te dansen. Het is een simpele manier om het publiek de choreografie in te trekken. Weg is de drempel tussen toneel en zaal. We horen allemaal bij de voorstelling. Later gaat het zaallicht alsnog uit, maar het effect blijft.
De dans is muziekloos, maar bewegen zonder geluid kan niet. Zeker niet als het om een groep dansers gaat, en niet, zoals in Keeping still, om slechts één danser. De groep zwermt over het toneel. Golven van voetstappen vullen de ruimte. Terwijl een man blootsvoets danst, komt geluidskunstenares Céline Bernard op om zijn stappen na te synchroniseren door met een schoen op de vloer te tikken. Het is een grappig effect, maar ook een mooi middel om de zintuigen te scherpen. Hier maakt dans muziek, en niet andersom, ook al klinken er op zeker moment prachtig zuivere Beatles-nummers over de PA.
The Song is filosofie voor de zintuigen, maar gelukkig krijgen we niet alleen filosofische proeven en bewijzen voorgeschoteld. De dans is mooi, afwisselend en lijkt vaak ter plekke op te wellen. Aan het eind is er een enorme verstilling. Een lichtstreep trekt van het toneel via het plafond naar het publiek.
Na een luid applaus stroomt de zaal leeg. Wat blijft er dit keer over van de concentratie? De gangen vullen zich met gepraat. Het klinkt erg luid. Of lijkt dat maar zo door het contrast met de stilte van zonet?
Rosas, The Song. Choreografie: Anne Teresa de Keersmaeker. Toneelbeeld: Ann Veronica Janssens en Michel François. Gezien: 6 juni, Muziektheater, Amsterdam
Het laatste deel van de drieluik: 3Abschied, 12 en 13 juni in de Stadsschouwburg Amsterdam.
De Keersemaeker zuivert de oren met haar dans, maar hoe houd je zo’n pure ervaring vast? #hf10
3 juni 2010 | Maarten Baanders
Door Maarten Baanders (foto Herman Sorgeloos)
Kalm staan we voor de deur van de zaal. Een beetje alsof het Holland Festival een sleur is. Niemand vermoedt dat over een paar minuten het bestaan tot bijna niets gereduceerd wordt. Het begint met duisternis. Stilte. Minutenlang. Zacht klinken voetstappen. De oren zijn er tot in detail op gespitst. Er klinkt gezang. Mahlers Lied von der Erde, kondigde het programmaboekje van Keeping Still – part I al aan, maar wat je hoort is alleen de stem van choreografe/danseres Anne Teresa de Keersmaeker. Meer is niet nodig.
Plotseling verschijnt een felle lichtbundel. Zelden was licht zo tastbaar. De Keersmaeker legt haar hand erop, duwt haar been ertegen, trekt schaduwbanen met hoofd en armen.
Een dramatisch moment volgt als ze botst met de danser David Hernandez. De botsing leidt tot een omhelzing en daarna bewegingen die meer hoorbaar dan zichtbaar zijn en daardoor onheilspellend.
De Keersmaeker reduceert haar omgeving tot het essentiële, om daarna iets op te bouwen. De luiken gaan open. Daglicht valt binnen. De Keersmaeker danst. Wat een fenomenale bewegingskunst! Met een magistrale soepelheid geeft ze subtiliteit aan de heldere, eenvoudige bewegingen. Een persoonlijkheid vult de ruimte.
Dan klinkt toch een opname van Mahlers compositie. Het is schoongewassen weemoed. De Keersmaeker is er vervuld van. Even dreigt het luisteren tot stilstand te leiden, maar ze maakt dit al gauw goed door nieuwe, iets fellere bewegingen. Aan het eind zit ze tussen het publiek te kijken naar de enorme lege ruimte. Je kijkt mee, met verwondering. Die ruimte, dat is zij.
Deze voorstelling heeft met alle poëzie een zeer prozaïsche boodschap: we moeten zuinig zijn op het milieu. Het kleinste is kostbaar. Een kinderstem leest een tekst over respect voor de aarde. Dat zou plat moralistisch kunnen werken, maar het is toch goed dit met gezuiverde oren te horen.
Buiten de zaal wacht het normale leven. We verlaten het gebouw net zo kalm als we binnenkwamen. De terrasjes op het Westergasfabrieksterrein baden in de uitbundige zon. De lichtbundel uit de voorstelling kan hier niet tegenop. Is er iets over van de breekbare scherpte van de voorstelling? Je merkt het niet. Maar Anne Teresa komt nog twee keer terug op dit Holland Festival. Wat gaat er gebeuren met het prille begin dat ze deze avond geschapen heeft?
Anne Teresa de Keersmaeker en Ann Veronica Janssens (lichtontwerp), Keeping Still – part I. Gezien: 2 juni, Transformatorhuis, Westergasfabriek. Aldaar nog te zien: 4 juni
Vervolg:
The Song, 5 en 6 juni, Muziektheater Amsterdam
3Abschied, 12 en 13 juni, Stadsschouwburg Amsterdam
Dichter bij het publiek dan Keren Levi’s ‘Envelopes’ kan dans eigenlijk niet komen
28 mei 2010 | Maarten Baanders
foto Janna Bathoorn
Door Maarten Baanders
Als straatmuzikanten staan ze voor het publiek, zingend en spelend. Ongedwongen vertellen ze wat ze gaan doen. Dit intro zet de toon voor een voorstelling die opvalt door eenvoud en openheid.
Envelopes is een dansconcert over verwantschap. Verwantschap tussen familieleden, tussen geliefden en tussen dans en muziek. Choreografe Keren Levi en muzikant Tom Parkinson maakten de voorstelling met dansende zus Reut Levi en musicerende tweelingbroer Alex Parkinson. Envelopes omvat drie delen, drie enveloppen die één voor één hun intieme inhoud prijsgeven.
Schweigmans ‘Tussen’ is kunst die je kippenvel geeft
23 februari 2010 | Maarten BaandersTekst: Maarten Baanders
Een totale duisternis omringt de bezoeker bij binnenkomst. Elke beweging betekent de kans iemand anders aan te raken. Dan lichten figuren op onder zwak schijnende spots. Ze liggen bewegingloos op de grond, zonder contact met de mensen die om hen heen staan.
Theatermaakster Boukje Schweigman experimenteert al enige jaren met theater waarin ze de echte beleving zo dicht mogelijk benadert. Wat spelers en publiek beleven, moet echt zijn, niet gespeeld. Vorig jaar trok ze de aandacht met ‘Wiek’, waarin drie danseressen zich moesten redden tussen drie horizontaal draaiende wieken. Het kwam erop aan deze op tijd te ontwijken. De wieken zouden de danseressen anders onverbiddelijk omvermaaien. Zo’n eenvoudig, helder uitgangspunt is kenmerkend voor het werk van Schweigman. Haar nieuwe voorstelling ‘Tussen’ draait om het thema duisternis. Verder lezen
Maan blijft zoek in mooi, maar onbevredigend jeugddansstuk Maanschaduw van David Middendorp
13 januari 2010 | Maarten BaandersRijk zijn of arm zijn is een oerthema dat wortelt in het diepst van de menselijke ziel. Iedereen is ermee bezig, vanaf zijn jeugd. Van cadeaus krijg je nooit genoeg. Soms denk je wel eens dat ‘alles hebben wat je hart begeert net zo vanzelfsprekend is als het hebben van een schaduw.’
Maar stel dat je opeens merkt dat je geen schaduw hebt. Praktisch gezien is er niets aan de hand. Je komt prima door het leven zonder schaduw. Maar op de een of andere manier voelt het ook onheilspellend. Eigenlijk wil je voor geen goud je schaduw missen. Hugo von Hofmannsthal schreef er ooit een sprookje over: ‘Die Frau ohne Schatten’. Theatermaker David Middendorp verwerkt het thema op zijn eigen manier in de jeugdvoorstelling ‘Maanschaduw’ (7+).
Een prinses krijgt alles wat ze hebben wil. Ze heeft zelfs een eigen eiland. Onafgebroken zweven de cadeaus haar kamer binnen, vallen als een hoosbui op haar neer en stapelen zich op tot een hoge muur. Maar ze mist iets in haar leven wat niet goedgemaakt wordt door al die verwennerij: een schaduw.

Middendorp combineert dans met animatiebeelden. Op zichzelf is dat niet nieuw. Peter Zegveld maakte bijvoorbeeld onlangs de jeugdvoorstelling ‘Waarvoor is dat knopje?’, waarin tekenfilmbeelden op panelen een rol spelen in de gebeurtenissen op het toneel. Middendorp zelf maakte eerder ‘Dreamsketch’, waarin animatiebeelden naadloos aansloten op de bewegingen van de danser. Wat ‘Maanschaduw’ bijzonder maakt is dat het totale decor bestaat uit tekenfilmbeelden. Het zijn prachtige beelden die je meetrekken in landschappen, diepzee en heelal, samen met de prinses op zoek naar haar schaduw.
Op veel momenten is dit wonderbaarlijk mooi gedaan. Een hoogtepunt is de scène waarin de prinses gaat waterskiën. Het geeft je het ijzingwekkende gevoel zelf ook over de golven te scheren. En een prachtig ruimtelijk effect is er als de zoektocht zich voortzet in het heelal. Ook de momenten waarop de prinses schaduwen ontmoet zijn mooi uitgewerkt. De schaduwarmen en schaduwhanden die rondspoken en haar bij de benen grijpen laten zien hoe perfect dans en animatie op elkaar zijn afgestemd.
Ondanks deze kwaliteiten blijft ‘Maanschaduw’ wel een beetje vlak. Spanningsopbouw is er nauwelijks. Er zijn veel mooie vondsten, maar overdonderende verrassingen ontbreken. De voorstelling kabbelt voort en aan het eind wordt het verhaal zelfs ronduit afgeraffeld.
Twee danseressen vertolken de rol van de prinses. De ene speelt de verwende kant van de prinses, de andere haar eenzame kant. Uiteindelijk vinden ze een schaduw waar ze samen in passen en keert de prinses terug naar het kasteel. Dit had een feestelijk hoogtepunt kunnen zijn, net als de moraal: de prinses geeft al haar cadeautjes weg. Maar de afloop wordt alleen summier aangeduid. Ook zie je aan het eind wel dat de maan een rol speelt, maar welke rol is onduidelijk, wat toch teleurstelt bij zo’n betoverende titel als ‘Maanschaduw’.
Jonge dansers van White Horse wervelen met TRIP in een stroom van zweet en zwoegen
21 december 2009 | Maarten Baanders
Door Maarten Baanders
Gejuich. Overwinning. De vuisten omhoog. Vertraagde tv-opnames van iemand die gescoord heeft. Herhalingen van die opnames, eindeloos. De overwinning is een roes, een moment dat nooit meer ophoudt. Hieraan doet de choreografie TRIP van dansgroep White Horse denken. Maar de triomf heeft ook een tegenkant. De uitputting, het bonkende hart, het stromende zweet: diep in zijn ziel gaat de overwinnaar door een hel.
White Horse bestaat uit Christoph Leuenberger, Lea Martini en Julia Jadkowski. Ze zijn opgeleid aan de School voor Nieuwe Dansontwikkeling in Amsterdam en behoren tot de jonge dansgroepen die een energiek protest laten zien tegen de mentaliteit van de moderne samenleving. White Horse is daarmee verwant aan de Tilburgse punkdansgroep T.r.a.s.h. Beide groepen maken harde, rauwe dans. Niemand wordt ontzien, publiek noch dansers. Maar de bewegingen van White Horse zijn eenvoudiger, minder virtuoos. De makers zien er niet tegenop het lelijke te laten zien van mensen die tot het uiterste gaan. De schok bij het publiek is onmiskenbaar. De reacties variëren van gemor en weglopen tot geïmponeerd toekijken.
Joost Vrouwenraets zoekt in zijn eigen chaos naar een eigen idioom, los van zijn meester Béjart
18 november 2009 | Maarten BaandersVoor choreograaf Joost Vrouenraets was de periode waarin hij werkte bij Maurice Béjart beslissend. Hij gaat inmiddels allang zijn eigen weg, met zijn groep Gotra Ballet, maar Béjart Ballet Lausanne heeft hem uitgenodigd om als gastchoreograaf een nieuw werk te komen maken: Ex Orbis.
‘Ik was als kind al onder de indruk van Maurice Béjart,’ vertelt Vrouenraets. ‘Zonder het te weten! Ik zag de film Les uns et les autres, met daarin de dans op de Bolero. Die danser op die rode tafel! Ik dacht meteen: dit is het! Die scène heb ik eindeloos bekeken. Het was een choreografie van Béjart. Maar dat wist ik op dat moment nog niet.’
Veel later, na zijn opleiding Jazztheater- en Showmusicaldans aan de Theaterschool Amsterdam klopte Vrouenraets bij Béjart aan. ‘Ik had de opleiding voltooid, maar ik miste iets. Ik wilde dieper in de dans duiken en deed auditie bij Béjarts school. Eigenlijk was ik één dag te oud. Voor die opleiding mocht je niet ouder zijn dan twintig. En ik werd op de dag van de auditie 21!’
Toch werd hij toegelaten. Maar toen hij na vier maanden klaar was, was het nog niet genoeg. En Béjart wilde ook graag dat Joost bleef. Hij werd betrokken bij Les clowns, een choreografie van Béjart die veel succes had en bekroond werd met een uitvoering tijdens de G8 in Genève in 2003.
Joost Vrouenraets danste mee in beroemde Béjart-producties als De Vuurvogel en Sacre du printemps. ‘Ik heb mijn rol in de Sacre helemaal uitgeschreven, pas voor pas,’ zegt Vrouenraets. ‘Ik ben chaotisch, maar door het op deze manier vast te leggen, plaats ik de dans buiten mijzelf en kan ik er van buitenaf naar kijken. Dat geeft houvast en ik zie dan duidelijker wat de inhoud van die passen is. Het is als met kijken in de spiegel. Je ziet dingen van jezelf die je zonder spiegel niet ziet.’
Lichamelijk
Net als bij Béjart ligt bij Vrouenraets het accent op het maken van choreografieën, niet op het zelf dansen. ‘Toch ben ik fysiek ingesteld, altijd op zoek naar de lichamelijke sensatie. Als ik aan een choreografie werk, kijk ik wat de dansers doen. Dan voel ik hoe mijn lichaam daarop reageert. Het is die lichamelijke reactie die me zegt of het goed zit met de choreografie of dat er iets moet worden veranderd.’
‘Maurice Béjart heeft een andere identiteit dan ik, maar er is wel verwantschap. Hij heeft iets in mij wakker gemaakt wat essentieel voor mij is. Maar nu ik mijn eigen weg ga, ben ik objectiever naar zijn werk gaan kijken, meer van een afstand. Voor sommige van zijn kwaliteiten heb ik nu meer oog dan vroeger. Maurice had het vermogen terug te gaan naar zijn kindertijd. Er zit veel eenzaamheid in zijn werk. En het verlangen iets te bereiken wat niet te bereiken valt. Hij verloor zijn moeder toen hij nog jong was. Dat heeft hem gevormd. Ik heb van Maurice liefde voor mensen meegekregen. Hij kon fenomenaal conflicten tussen mensen verzachten. Hij was een filosofisch mens. Dat had hij van zijn vader, die filosoof was. Maurice had zo zijn eigen manier om na te denken over de mensen die hem bezighielden. Hij kende de moeder van Freddie Mercury en zei eens dat als Mozart en Freddie elkaar in de hemel zouden ontmoeten, dat ze dan meteen samen piano zouden gaan spelen. Hij was er niet de man naar om de dood zwaar op te vatten. Toen hij op een dag een telefoontje kreeg dat er een vriend van Marcia Haydee (een danseres met wie hij had gewerkt, red.) was overleden, was zijn reactie: doorwerken. Hij ging meteen weer de studio in. Door na zo’n gebeurtenis direct door te gaan met het leven, voelen we onze existentie, vond hij. Toen Maurice zelf overleed, was Gilles bezig Béjarts nieuwste choreografie in te studeren. Ook hij werkte gewoon door na het overlijdensnieuws.’
Als Vrouenraets over zijn band met Béjart praat, klinkt er bijna iets bovennatuurlijks mee. Joost klopte eens bij Béjart in diens kantoor aan. Toen Maurice de deur opendeed, zie hij, zonder naar de vloer te kijken: ‘Wij hebben dezelfde schoenen aan.’ Joost keek en inderdaad: ze waren beiden blootsvoets! Ook op momenten waarop beslist moest worden wat Joost Vrouenraets voor zijn ontwikkeling in de dans moest doen, was er een woordloze overeenstemming tussen hem en zijn leermeester.
Identiteit
Niet gemakkelijk om met zo’n indrukwekkende erfenis een eigen identiteit als choreograaf te vinden. Joost Vrouenraets is er intensief mee bezig. Andere mensen zijn hierbij van essentieel belang. Dramaturg Guy Cools is zo iemand. Hij stelde vragen als: wat is de essentie van je werk? Wat wil je? ‘Ik kon dat toen niet zeggen, maar ik was blij met deze confrontatie,’ vertelt Vrouenraets. ‘Je moet weten wat je wilt, anders zwem je in de oceaan.’
Vrouenraets’ werkwijze veranderde. Ging hij vroeger volledig af op zijn eigen fysieke sensatie, tegenwoordig geeft hij improvisatieopdrachten aan zijn dansers. ‘Het gaat mij om urgentie. Urgentie in de zin van: we willen veel, maar hebben weinig tijd in het leven. Maar ook: als je iets op een publiek wilt overbrengen, een verhaal of een beweging, dan moet je urgentie voelen. Anders ben je de aandacht van de toeschouwer kwijt. Iedere fractie van een seconde is daarbij van levensbelang. Wat je het publiek laat zien is als met luchtbelletjes in water, als schuim. Het is er even, spat al uit elkaar en is alweer weg. Als je het niet gezien hebt is het verdwenen.’
Joost Vrouenraets heeft een coach: Florian Verheijen, die ondermeer werkt als productieleider van Danshuis Station Zuid. ‘We gaan peuteren in de chaos in mij. Florian vroeg me om een foto van mezelf. Die kopieerde hij in spiegelbeeld. Hij knipte de foto en de kopie in twee helften, links en rechts en plakte de twee linker- en de twee rechterhelften aan elkaar. Met deze twee foto’s liet hij me de dualiteit in de mens zien. Wat je ook doet of denkt, altijd voert één van de twee delen van jezelf de boventoon. Florian droeg me op de twee foto’s van mijn gezichtshelften een naam te geven. Dat werkte confronterend. Ik noemde de één Hugo, de ander Toine. Hugo is zacht, spiritueel, gaat graag met mensen om, hecht aan familie en huis, is als een monnik, zit stevig in elkaar en rijdt bij voorkeur in een four wheel drive auto. Toine daarentegen is een freak, let constant op alles om zich heen, zijn auto is een Lotus, en hij krijgt het waarschijnlijk snel aan zijn hart.’ Het zette Vrouenraets aan het denken. Als hij aan een choreografie werkt, wie voert dan de boventoon: Hugo of Toine?
Cirkel
In Ex Orbis wil Vrouenraets zijn fascinaties verwerken. Al jaren heeft hij de gewoonte in een schrift zijn ideeën en uitwerkingen te noteren, net zoals hij jaren geleden de passen van de Sacrevolledig uitschreef. Bij het observeren van de mensen om hem heen had Vrouenraets de ‘existentiële ervaring’ dat ieder in een eigen cirkel leeft. Orbis betekent immers ‘cirkel’ of ‘wereld’.
‘Het leven is cyclisch. In die cirkel van het bestaan creëert men kaders, hokjes die het leven ordelijk en vertrouwd maken. Je kunt denken aan een huis om in te wonen, maar ook aan familie, groepen waarin we onze plaats hebben, en ook aan structuren in ons denken. Daar voelen we ons beschermd bij. Toch wringt er iets. Een mens komt nu eenmaal in contact met mensen die buiten de vertrouwde structuren vallen, mensen die hun eigen cirkel hebben. Zo gebeuren er dingen die tegen het vertrouwde leven ingaan. Als cirkels van mensen elkaar overlappen, ontstaan er relaties.’ Vrouenraets wil in zijn choreografie hierop inzoomen, als een voyeur kijken naar twee mensen die zich tussen massa’s andere mensen bevinden, zien hoe hun cirkels elkaar overlappen, hoe ze op elkaar inwerken.
De dood is niet het einde in Béjarts mooie, maar inhoudsloze ‘Ballet For Life’
13 november 2009 | Maarten BaandersBlauw, doods licht beschijnt het toneel. De dansers liggen in keurige rijen op de vloer. Warm geel licht breekt door. Dan is het of ze uit hun graf opstaan. Het zijn geen zware stenen die de doden bedekken, maar lakens die zich gewillig laten omplooien.
In 1997 maakte de choreograaf Maurice Béjart ‘Ballet For Life’. Dit dansstuk, dat dit seizoen door Béjart Ballet Lausanne in reprise wordt genomen, is een hommage aan mensen die in de bloei van hun leven stierven: Freddie Mercury van Queen, sterdanser Jorge Donn, de componist Mozart en de vermoorde modeontwerper Gianni Versace.
Béjart eert deze doden met een choreografie waarin vooral het leven wordt getoond. De pas opgestane doden lopen eerst nog aangedaan en met gepaste stemmigheid rond. Maar gaandeweg schudden ze het dood-zijn van zich af om zich als springlevende wezens in de show te werpen. Met zijn massaliteit schept de groep, smaakvol gekleed in kostuums van Versace en in een mooie belichting van Clément Cayrol, heldere, spectaculaire beelden.
Opzwepende nummers van Queen, afgewisseld met stemmige composities van Mozart, dragen de voorstelling. De dans heeft veel klassieke kenmerken, maar deze worden vermengd met moderne showachtige gebaren. Telkens zien we verwijzingen naar de doden: Freddie Mercury-imitaties, compleet met microfoon, en juichende fans, maar ook kleine terzijdes, waarin individuele dansers oog in oog met de dood staan. AIDS zindert door de lucht. Zwartgeklede vrouwen schreeuwen namen van gestorven mannen, maar als de naam Freddie klinkt, maakt het gejammer plaats voor gejuich.
Telkens dringen beelden en symbolen de energieke dansscènes binnen. Het is jammer dat hier zo weinig mee gebeurt. Bruidssymboliek, engelenvleugels, dwarrelende veren: het is allemaal wel erg zoet en het blijft vaak bij plaatjes.
Herhaaldelijk geeft de voorstelling het gevoel dat Béjart het bij ideeën laat en de uitdaging uit de weg gaat om er iets confronterends van te maken, iets wat het publiek werkelijk raakt. Bijvoorbeeld wanneet de dansers in bolvormige kooien het toneel worden opgedragen. Dat is een mooi beeld, maar het wordt niet uitgebuit om er interessante dans van te maken. Ook veel verwachtingen wekt de scène waarin de mannelijke dansers met alleen een broekje aan één voor één een kubus betreden. Het wordt steeds voller in die kist. Op het laatst krioelt het er van de spiermassa’s. Maar meer dan dat krioelen gebeurt er niet. En dat terwijl hier zoveel kansen in zitten om het drama, de angst, de beklemming van het opgesloten zijn in een kist voelbaar maken. Ook als je er liever levenskracht mee wilt benadrukken, dan kan het gekrioel in zo’n kist tot een prachtige uitbarsting van levenswil uitgewerkt worden. Maar dit blijft uit. ‘Ballet For Life’ blijft steken in uitdagingsloze dans.
Uiteindelijk zijn het echter vooral de dansbewegingen die de kracht van het thema afvlakken. De gebaren verrassen geen moment. Ze zijn niet markant, niet persoonlijk, wel vaak erg theatraal, uiterlijk en uitbeeldend. Wat je bijblijft zijn alleen globale bewegingen van de massa en de solisten. De dood is de grens van het leven, maar tot een echte grenservaring leidt de voorstelling niet.
‘The show must go on,’ zingt Freddie Mercury. Dat lijkt ook Béjarts slotsom. De doden gedenken is belangrijk, maar de show mag niets van zijn schittering kwijtraken.
‘Ballet For Life’, Béjart Ballet Lausanne. Gezien: 12 november, Theater Carré, Amsterdam. Aldaar nog te zien: 13 t/m 15 november 2009
‘Je kunt iemand maar één keer echt zien’
25 september 2009 | Maarten Baanders‘Mijn werk is niet autobiografisch. Het verwijst niet naar mij zelf, maar geeft weer hoe ik naar mensen kijk. De personages zijn geen mensen die op mij lijken,’ zegt choreografe Pia Meuthen, die zojuist met haar dansers de laatste hand heeft gelegd aan haar nieuwe voorstelling Nude.
De roman Tussen een persoon van Esther Gerritsen vormde de inspiratiebron. Dit boek beschrijft een man en een vrouw op het punt van verhuizen. De man wil een nieuwe fase van zijn leven laten beginnen. Maar de vrouw voelt er niets voor ergens anders te gaan wonen en stapt uit het verhaal van haar man. Ze wil niet dat de relatie een sleur wordt.
‘Je kunt iemand maar één keer echt zien, namelijk als je hem voor het eerst ontmoet,’ vat Meuthen een van de kernthema’s van het boek samen. ‘Als je iemand langer kent en vaak ziet, in een relatie bijvoorbeeld, kijk je niet echt meer naar hem, maar vorm je je een beeld dat in je eigen verhaal past. Ieder mens schrijft zijn eigen levensverhaal en gebruikt daar andere mensen voor. Het fascineert me hoe mensen met elkaar omgaan. Wat verzwegen wordt is net zo interessant als wat wordt uitgesproken. Ook het onvermogen om in de wereld van een ander door te dringen is een aspect van relaties dat me fascineert.’
In Tussen een persoon spreekt de vrouw juist wel uit wat haar bedenkingen zijn. Dat doet ze nogal heftig. Ze bindt haar partner vast en steekt een lange monoloog af. In Nude worden veel teksten uitgesproken, door de dansers en door een voice over, maar Pia Meuthen vertaalt ook veel van wat gezegd wordt in dansbewegingen. Zo ontstaat de spanning van onuitgesproken gedachten en de lichaamstaal waarin die gedachten toch zichtbaar worden.
‘Het is een extreem verhaal,’ vertelt Meuthen. ‘Ik heb niet alles concreet overgenomen. Wel de situatie, de verhuizing, maar dat vastbinden bijvoorbeeld niet. In de voorstelling laat ik dat zien door dansbewegingen. De danseres zet de danser vast, beperkt hem in zijn bewegingsvrijheid.’
‘Al werkende kwam ik er vaak achter dat stukken die ik als tekst wilde laten klinken eigenlijk veel beter in dans konden worden uitgedrukt. Het oorspronkelijke boek heb ik losgelaten. In het begin kon ik dat niet. Maar vanaf het moment dat ik het boek als een beperking ging ervaren, keek ik er niet meer in. Het zou niet goed werken steeds te controleren of wat ik ervan gemaakt had nog wel klopte. Zodra ik het losgelaten had, lukte het me te schrappen en ging ik me vrijer voelen. Het verhaal hoeft niet realistisch te zijn, besefte ik. De dans vertelt zoveel.’
Een van de vrijheden die Meuthen genomen heeft, is de creatie van een alter ego van de vrouw. ‘Dat alter ego komt niet in het boek voor, maar door haar erbij te verzinnen, konden we duidelijker maken dat de vrouw uit het verhaal stapt en naar zichzelf kijkt, op een analytische manier. Ze kan letterlijk ingrijpen in haar eigen verhaal. Toen ik dit idee eenmaal kreeg, gaf dat een bevrijd gevoel. Bevrijd van het boek. Ik wilde niet een lang duet maken, maar een verhaal van twee mensen. En vooral wat zich in het hoofd van die mensen afspeelt.’
Bij het maken van de voorstelling maakte Meuthen intensief samen met de dansers, Barbara Mullin, Reinier Schimmel en Anne van Balen. ‘Ik bedenk welke elementen ik wil vertalen in fysieke bewegingen en welke ik als tekst in de voorstelling wil hebben. Hoe de bewegingen eruit komen te zien weet ik niet van tevoren. De dansers improviseren en zoeken hoe de tekst in beweging kan worden omgezet. De videobeelden daarvan bestudeer ik en daaruit maak ik een keuze. Het uitwerken deden we dus samen, maar het componeren tot een geheel doe ik.’
De dansers moesten zich inleven in de personages. ‘Voor Barbara Mullin was dat nog het moeilijkst. Ze kon zich niet verplaatsen in iemand die zulke extreme beslissingen neemt. We hebben samen gezocht naar elementen die meer uit Barbara zelf kwamen en die pasten in het verhaal. Je kunt een rol persoonlijker maken door uit de eigen persoon te putten.’
Voor Reinier Schimmel was het inleven een minder groot probleem. In het boek blijft de man tamelijk vaag, dus konden Meuthen en de dansers veel zelf invullen. Dat geldt ook voor het alter ego van de vrouw, gedanst door Anne van Balen.
Nude is een gecompliceerde voorstelling. Live muziek, teksten, dans en ruimtegebruik moesten nauwkeurig op elkaar afgestemd worden, vooral de overgangen. Microfoons staan verspreid op het toneel. De verschillende microfoonstandpunten hebben te maken met de verschillende standpunten van waaruit de vrouw naar haar verhaal kijkt.
‘Het is een heftiger voorstelling geworden dan ik verwacht had,’ zegt Meuthen. ‘Best extreem. Maar daarin sluit het toch weer aan bij het boek.’
Nude, Panama Pictures/Danshuis Station Zuid. Choreografie: Pia Meuthen; Muziek: Jeroen Strijbos; Teksten: Esther Gerritsen; Première do 1 okt, De NWE Vorst, Tilburg. Daarna tournee door het land.








![Reblog this post [with Zemanta]](http://img.zemanta.com/reblog_e.png?x-id=508b118f-e3b6-4e49-894c-7b07b169e653)
![TUSSEN02_Schweigman&_foto__Jochem_Jurgens[1]](http://cpb.wecross.net/wp-content/uploads/2010/02/TUSSEN02_Schweigman_foto__Jochem_Jurgens1.jpg)


