Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Cultuurpers | 29 July 2014

Scroll to top

Top

Over Alles over de auteur - Cultuurpers

Robbert van Heuven

Robbert van Heuven

Robbert van Heuven is freelance journalist. Hij schrijft onder andere voor Trouw en TM over cultuurbeleid en theater.

Berichten van Robbert van Heuven

Halbe Zijlstra wilde weten wat kwaliteit was, en kreeg 22 pagina’s vaagheid terug.

12 november 2011 | 1

Kwaliteit. Het is zo’n mooi ambtelijk-politiek toverwoord. Klinkt goed en niemand kan er tegen zijn. Roep dus als politicus dat je meer kwaliteit wilt en alle hoofdjes gaan druk knikken.

Ook staatssecretaris van Cultuurbezuiniging Zijlstra houdt van kwaliteit. Zegt hij. Bijvoorbeeld als het gaat om cultuureducatie. In zijn nota Meer dan kwaliteit zegt hij werk te willen maken van de kwaliteit van cultuureducatie. Mooi, maar dan moet je dus ook op de een of andere manier kunnen zeggen wat die kwaliteit dan precies is. En hoe je dat meet. Daarom zette het ministerie van OCW onderzoeksbureau Oberon aan het werk om een definitie te verzinnen.

Is dat gelukt?

Tja.

Op zijn minst blijkt uit het rapport “Kwaliteitskader cultuureducatie door culturele instellingen” dat het zoeken naar een definitie ingewikkeld is. Je verdwaalt snel in technocratische schemaatjes waar van alles op af valt te dingen. Heb je het bijvoorbeeld over de kwaliteit waarop de infrastructuur voor educatie is ingericht, over de kwaliteit van de projecten zelf, en wat moeten die projecten dan bereiken? Heb je het over de artistieke of over de educatieve kwaliteit? Of over een optelsom van al die kwaliteiten tegelijk?

Oberon stelde op basis van theoretische literatuur en gesprekken met experts een enquête op die instellingen naar hun mening vroeg over kwaliteit. De experts die Oberon heeft ondervraagd vertellen meteen al dat je daarin rekening moet houden met de diversiteit van het kunstenveld en met de diverse aanbieders van educatieprojecten. Anders gezegd: er zijn appels en peren.

De experts leggen nog een vinger op een andere zere plek: als je wilt verwoorden wat kwaliteit is, moet je een visie hebben. Een idee van waar je heen wilt. De mate waarin je je doelen bereikt, is dan de kwaliteit. Probleem is echter dat scholen, instellingen en de staatssecretaris een totaal andere visie op die doelen hebben.

De experts worden het niet eens over hoe je kwaliteit in zulke gevallen moet meten. De één pleit voor een businessmodel, de ander voor een wetenschappelijk model dat gebaseerd is een wetenschappelijke theorie.

Voor instellingen zit volgens het onderzoek de kwaliteit van cultuureducatie vooral in de kwaliteit van de medewerkers, de inhoud van het product en in de passie die ze weten over te dragen voor kunst.

Overigens merken de geraadpleegde experts ook nog eens op dat zo’n enquête helemaal niet zoveel zin heeft. Met zo’n vragenlijst op afstand krijg je geen beeld van de werkelijke kwaliteit van een instelling.

Kwaliteit blijkt dus lastig te definiëren. Maar ja. Je krijgt een opdracht van de stas, die wil weten wat kwaliteit is, dus zoek je naarstig door. Onverstoorbaar loopt Oberon dus de verschillende manieren langs waarop je die (ongedefinieerde) kwaliteit zou kunnen meten en stuk voor stuk schieten de experts de oplossingen af.

Misschien een tevredenheidsonderzoek? Maar dat zegt niets over de opgedane vaardigheden. Meten hoe vaak scholen bij een instelling terugkomen voor een project dan? Maar dat is toch gewoon een verkapt tevredenheidsonderzoek?

Sommige experts vinden dat je een lijst met indicatoren moet opstellen, anderen vinden weer dat je kwaliteit weer ‘op maat’ moet beoordelen.

In het ene geval is het probleem dat objectieve aanwijzingen dus niet te vinden zijn, in het andere zegt een onderzoek op maat niets, als je geen benchmark hebt om het tegen af te zetten.

Toch lijkt dat op maat werken nog wel enigszins interessant als je bij het beoordelen uitgaat van de vraag wat scholen en instellingen eigenlijk van elkaar verwachten.

“Het meten van de kwaliteit van cultuureducatie is een ingewikkeld vraagstuk”, stellen de onderzoekers in de conclusie van hun onderzoek enigszins bedremmeld vast. Alle aspecten van cultuureducatie blijken helemaal niet te vangen in een criterium.

Toch stelt Oberon een dapper technocratisch schemaatje op, waarin maar liefst 13 punten zijn te vinden waarmee je een aspect van kwaliteit zou kunnen meten, Maar ook dat schemaatje blijkt weer relatief:

“Overigens moeten deze indicatoren nog wel nader geoperationaliseerd worden wanneer je echt wilt meten of de opbrengsten behaald zijn.”

En even verderop:

”De basisset die we presenteren dient als richtinggevend kader en kan niet direct toegepast worden om de kwaliteit te meten.”

En zo waren weer terug bij af, want de onderzoekers gingen nu juist op zoek naar kwaliteitskaders die operationaliseerbaar waren in de praktijk van de cultuureducatie. We zijn dus 22 pagina’s en geen steek verder.

Het lijkt er dus op dat Zijlstra’s roep om kwaliteit zinloos is, omdat die kwaliteit nauwelijks te meten is zonder een visie. Je moet eerst formuleren wat je wilt dat die kinderen leren van cultuureducatie. Dat is een politieke keuze, waarop instellingen hun beleid kunnen aanpassen.

Een visie.

En daar heeft Zijlstra dus een kleine kwestie te pakken.

 

 

 

 

Nog geen revolutie in Rotterdam

21 september 2011 | 5

Thierry Baudet en Willem Schinkel

Veel meer mensen hebben de Koningin met Prinsjesdag toegezwaaid dan dat er een dag eerder op het Malieveld stonden om tegen de bezuinigingen te protesteren. Waarom zijn we niet in staat om in opstand te komen? En wat kunnen we leren van de opstand van het Tahrirplein. Dat waren enkele vragen die voorbij kwamen tijdens ‘Lessen in revolte’, het debat van de Internationale Keuze.

 ‘We hebben vanavond geen opstand ontketend’, zou presentator Lex Bohmeijer aan het eind van het debat enigszins beteuterd constateren. Misschien zijn we er – zeker in het keurslijf van een Keurig Nederlands Debat – gewoon niet toe in staat om eens tegen wat conventies aan te schoppen. De keren dat er tijdens de avond onconventioneel tegen haren in werd gestreken, werd dat steeds snel gesust. Aan die gestreken haren lag ook geen klassenbewustzijn ten grondslag of hogere idealen, maar vooral de onverenigbare karakters van socioloog Willem Schinkel en historicus Thierry Baudet.

Terug naar het begin van het debat, terug naar het Tahrirplein. Ruud Gielens, theatermaker, was tijdens de opstand in Cairo en maakte een voorstelling over de revolutie: ‘De grootste les voor de activisten’, zei Gielens, ‘was dat de revolutie nu eigenlijk pas echt begint.’ Nu de militaire macht zich dreigt te consolideren zullen de revolutionairen van tactiek moeten veranderen. Maar het ontbreekt aan leiders om de revolutie voort te zetten. ‘Het mooie van revolutie was dat er geen leiders waren. Maar nu zijn ze wel nodig, dacht Gielens.

Openluchtmuseum

De sprekers waren het snel eens dat wat er in Egypte gebeurt hoopvol stemt, maar dat het Westen voorzichtig moet zijn om de eigen ideeën van vrijheid en revolutie op de gebeurtenissen te projecteren. Willem Schinkels: ‘Die opstand is net zo goed een opstand tegen ons en onze regeringen die decennia lang de dictatoriale regimes in stand hebben gehouden. Ons past bescheidenheid en zelfreflectie.’ Gielens: ‘Het eerste spandoek wat er op het parlement hing zei: ‘No Foreign Intervention.’

We vinden onszelf in Europa nog heel erg belangrijk, maar onze rol in de wereld is uitgespeeld, stelde het panel vervolgens unaniem vast.  Benali: ‘We zijn te rijk en te oud. Niemand wil overwerken en we zijn alleen maar pessimistisch. Europa is een openluchtmuseum. Er is ook niks waartegen we in opstand zouden moeten komen.’ Schinkels vulde daarbij aan dat onze ideologieën uit de 19e-eeuw zijn uitgeput.

Toch roept de bejaarde Franse schrijver Stéphane Hessel in zijn boekje ‘Indignez-vous’ op om ons te verzetten tegen de felbevochten waarden die we nu verkwanselen. De vraag is echter, zei Baudet, of die opstand de oplossing is. Hessel wil vooral terug naar het oude, terwijl we juist vooruit moeten kijken. Het systeem zoals we dat nu hebben gecreëerd is onhoudbaar geworden.

Oud-politica Hedy D’Ancona was blij met ‘Indignez-vous’: het neemt geen genoegen met de status quo. ‘Het gaat over een hoop die ik nog steeds koester. Ik wens me niet te schikken in de onrechtvaardigheid die ons nu wordt voorgeschoteld.’

Steggelen op Radio Een

Het probleem, vindt Schinkels, zit vooral in de depolitisering van de politiek. Onder Paars werd politiek ‘probleemmanagement.’ Baudet: ‘Maar uit het populisme blijkt toch juist een grote terugkeer naar de politiek.’ Schinkels: ‘Dat is nu juist het tragische van het populisme. Het komt in opstand tegen die depolitisering, maar uiteindelijk vinden ze vooral dat zij de problemen nog efficiënter gaan oplossen.’

De tegenstelling tussen Baudet en Schinkels begon nu lekker te broeien en ook Benali kwam in opstand, omdat het gesprek nu wel erg ver wegdreef van de opstand. Maar volgens de mores van het debat werd die revolte snel gesust.

Ook D’Ancona gaf aan dat alles in haar woelde om in opstand te komen. Maar dan vooral om los te komen van de bestaande structuren, van de politieke partijen misschien wel. Want ook die – ook de linkse – hebben geen wezenlijke nieuwe visies en lopen vast in hetzelfde discours. Benali was het met haar eens. We zijn blind voor de grote veranderingen in de wereld en ondertussen steggelen we met one-liners op Radio Een. Volgens Benali kan kunst ons helpen om fictieve alternatieven op de werkelijkheid te bieden. Maar aan de andere kant ontstaat revolutie pas echt als je ook echt iets te verliezen hebt. En dat hebben we niet. D’Ancona: ‘We moeten creatief aan de slag met de barre werkelijkheid en daarvoor heb je ook kunstenaars nodig.’

De opmerkingen over kunst leverden nog een snibbig debatje over de bezuinigingen op, dat snel werd afgekapt door Bohlmeijer. Terug naar het Tahrirplein en de revolutie ging het weer en naar de vraag, vanuit het publiek opgeroepen door theatermaker Guido Kleene, waarom juist in Egypte de revolutie kon ontstaan. Voor een revolutie, dacht Schinkels, is een stedelijke klasse nodig, een bevolking met veel jongeren en een sociaal probleem, dat in Egypte werd gevormd door de hoge voedselprijzen.

In Nederland, stelde hij nog maar eens vast, doen zich niet echt de ideale omstandigheden voor een revolutie voor. ‘We hebben een hele brede middenklasse, waardoor ook de politiek nauwelijks is gedifferentieerd. Als je ergens in het midden gaat zitten, zit je altijd goed. Misschien als de kloof tussen arm en rijk door de kabinetsmaatregelen nog groter wordt…’

Nieuwe voorzitter Raad voor Cultuur? ‘Van Klink creëert zelf een crisis, zodat hij die vervolgens op kan lossen’

7 september 2011 | 2
Pim van Klink

Pim van Klink is zijn naam. Overal duikt hij de laatste tijd op. Vooral als er gewezen moet worden op de kwalijke subsidiegerichtheid van de culturele sector belt elk medium Van Klink het eerst. Afgelopen week gooide hij zijn stokpaardje nog eens in het hoenderhok in de NRC en mocht hij aanschuiven bij Buitenhof. En volgens onze in trenchcoat gestoken hoestende bron in die Haagse parkeerkelder solliciteerde hij naar de baan van voorzitter van de Raad voor Cultuur, als opvolger van de in juni opgestapte Els Swaab. Maar wie is Van Klink eigenlijk?

Pim van Klink studeert in 1977 af als econoom aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit. Toen al ging zijn doctoraalscriptie over de relatie tussen kunst en economie. En dan al stelt hij vast dat er vanuit de bestaande economische theorieën geen reden is voor kunstsubsidie. Dat dat logisch is, omdat de kunsten zich niet aan de bestaande economische wetten houden – kunst is in zijn wezen aanbodgericht en niet vraaggericht –, en omdat kunst misschien ook een maatschappelijke waarde zou kunnen in plaats van alleen een financiële is een stap die hij ook in latere publicaties ook nog wel eens zal overslaan.

Na zijn afstuderen bekleedt Van Klink diverse beleidsfuncties, zoals bij de directie Kunsten van (toen nog) het ministerie van WVC. Daarna is hij directeur van Schouwburg De Oosterpoort in Groningen en vervolgens directeur van de gemeentelijke dienst Cultuur in dezelfde gemeente. In die functie krijgt hij veel voor elkaar om Groningen op de culturele kaart te zetten. Een van zijn argumenten daarvoor is dan nog dat elke gulden die in cultuur wordt gestopt dient te redeneren.

Maar zijn succes is ook te danken aan het goede team dat hij om zich heen heeft verzameld. Naar mate de tijd vordert, hoe meer Van Klink persoonlijk in conflict komt met de mensen met wie hij moet werken. Dat vertellen betrokkenen, maar blijkt ook uit verslaggeving van Dagblad van het Noorden en hier.

Door zijn harde en Machiavellistische optreden zegt op een gegeven moment zelfs bijna het gehele managementteam het vertrouwen in hem op. Hij komt onder curatele te staan bij B&W en er verschijnt een pittig rapport over zijn functioneren. In de media wordt gesproken van ‘verziekte verhoudingen’.Uiteindelijk wordt Van Klink in 1998 uit zijn functie gezet. Hij wordt met een niet onaanzienlijke regeling naar huis gestuurd. Zo kreeg hij een wachtgeldregeling van (maximaal) 2,5 miljoen gulden mee.

Daarna maakt Van Klink een lange ronde als interim directeur bij verschillende instellingen, waarbij Van Klinks persoonlijkheid niet altijd even werkbaar blijkt. Overal waar Van Klink opduikt, lijkt het te gaan rommelen. Bij het Residentie Orkest ontstaat in 2002 een knallend conflict tussen interim directeur Van Klink en artistiek directeur Leo Samama ). In 2005 moet hij opstappen als interim directeur bij de Popacademie in Leeuwarden, omdat de studenten hem en zijn mededirecteur niet vertrouwen.

Een opleiding Arts&Culture die Van Klink bij Nijenrode wil opzetten om kunstmanagers op te leiden en waarvan Van Klink zich overal en nergens als initiatiefnemer van presenteert, komt in 2009 niet van de grond, omdat er geen interesse in is. Ook niet, zo blijkt, bij Nijenrode. Van Klink geeft in de media de sector de schuld van het gebrek aan interesse. Hij noemt het gebrek aan aandacht voor management typisch. ‘Instellingen zien de noodzaak daarvan niet.’

Hoewel hij als beleidsmaker zelf dus nogal wat bedrijfsongevallen op zijn naam heeft staan, let dat hem niet om als wetenschapper flinke kritiek te uiten op de cultuursector.

Tussen alle bedrijven door weet Van Klink namelijk te promoveren. In 2005 haalt hij in Groningen zijn doctorstitel met de dissertatie Kunsteconomie in nieuw perspectief . Portee van het verhaal is wederom dat het lastig is om economische theorieën langs de kunsten te leggen. Tegelijkertijd typeert Van Klink het Nederlandse cultuurbeleid als irrationeel en ineffectief en stelt hij dat het Britse Arts Councilmodel het effectiefst is.

Hoewel er van alles aan te merken blijkt op het proefschrift van Van Klink, zoals dat hij wederom voorbijgaat aan het feit dat de doelstellingen van het kunstbeleid niet puur economisch hoeven te zijn, maar dat er ook maatschappelijke redenen voor kunnen worden gegeven, levert het hem veel aandacht op in de media. Het is immers een steeds populairder idee dat hij verkondigt: de culturele sector is subsidieverslaafd, een term die Van Klink recent ook weer bezigde in NRC Handelsblad.

Sinds zijn proefschrift, maar zeker nadat de kabinetsplannen voor cultuur bekend werden, weet Van Klink zich in de media weer behoorlijk in de kijker te spelen. De sector – bekend met de diverse perikelen die Van Klink op zijn naam heeft staan – kijkt ernaar met enigszins opgetrokken wenkbrauwen.

Bij mensen die Van Klink kennen bestaat het vermoeden dat het hem om een beleidspositie te doen is, wat ook zou blijken uit zijn sollicitatie als voorzitter van de Raad voor Cultuur. Maar dat is lastig, want hij is al een tijd op een zijspoor geraakt. ‘Van Klink creëert zelf een crisis, zodat hij die vervolgens op kan lossen’, is volgens bronnen een terugkerend thema in Van Klinks carrière. Dat lijkt ook nu weer te werken. De tijdsgeest helpt Van Klink om zichzelf als man van de juiste oplossing op het juiste moment te presenteren.

Voorzitter van de Raad voor Cultuur is hij echter nog niet. Dankzij zijn onwetenschappelijke taalgebruik, zijn soms ongenuanceerde stellingnames en vooral door zijn turbulente managementgeschiedenis wordt hij binnen de kunstsector niet echt serieus genomen als kandidaat.

Aan de andere kant zou hij gezien zijn opvattingen voor de huidige staatssecretaris daarom wel eens de juiste man op de juiste plaats kunnen zijn.

Dat weet Van Klink.

Afkicken van subsidieverslaving vereist grotere inspanning van de overheid dan Zijlstra wil

3 september 2011 | 5

De tweet van Bart de Liefde

Kunstinstellingen zijn subsidieverslaafd en dus trekken we de subsidies in. De insteek van de VVD is helder. Over het precieze hoe, daar blijken ze langer over na te moeten denken, nu er zoveel tegenstand uit het land komt. Cold Turkey, de behandeling die gedoogpartner (leuk woord in dit verband) PVV voorstelt, zou wel eens doden tot gevolg kunnen hebben.

Om te kijken of er iets anders mogelijk is, heeft Staatssecretaris Halbe Zijlstra een onderzoek laten uitvoeren. Geheel in lijn met het kabinetsbeleid om pas na de maatregel te kijken of die ook nodig was, liet hij het onverdachte onderzoeksbureau SEO, dat gelieerd is aan de Universiteit van Amsterdam, onderzoeken of de kunst eigenlijk wel zonder subsidie kon.

Het reeds in juni afgeronde onderzoek had een opvallende conclusie: subsidie is helemaal zo gek nog niet als basis voor maatschappelijk rendabele kunstfinanciering. Het bureau voegde eraan toe dat er ook een belangrijke taak voor de overheid ligt bij het ondernemender maken van de sector.

VVD-kamelid De Liefde liet deze week via twitter weten het onderzoek interessant te vinden, en zeker te gaan lezen. Dat is goed nieuws en hopelijk leest hij ook nog voorbij het woordje subsidieafhankelijk.

Wij hebben dus maar even meegelezen.

De onderzoekers van SEO merken op dat de cultuursector inderdaad erg subsidieafhankelijk is. Maar dat is nog wat anders dan het door de VVD gebezigde woord ‘subsidieverslaafd’, dat onlangs ook door de veel minder onpartijdige columnist Pim van Klink nog in NRC Handelsblad werd geroepen. SEO laat zien dat de subsidieafhankelijkheid voor een belangrijk deel aan de overheid ligt, en dat die dus ook moet helpen bij het opheffen ervan. Er is een mismatch tussen de culturele sector en bedrijfsleven en er zijn grote belemmeringen om te kunnen verzakelijken. Alleen de overheid kan die belemmeringen oplossen.

Een van de belemmeringen is de zogenaamde informatie-scheefheid. Financiers uit het bedrijfsleven begrijpen niet hoe de kunstensector in elkaar steekt en welke risico’s kunst maken met zich meebrengt, dus zijn ze huiverig om daar geld in te steken. Andersom snappen kunstinstellingen niet welke informatie een financier nodig heeft om overtuigd te raken van een project. Dus wordt er vrolijk langs elkaar heen gepraat. Een van de manieren waarop de overheid kan helpen om die koudwatervrees te overwinnen, schrijft SEO, is door garant te staan of door matchingsgeld te koppelen aan de inbreng van eigen vermogen. Of, door simpelweg investeerders en instellingen met coaching te helpen. Ook het instellen van publiek-private fondsen zou kunnen helpen. Helemaal ideaal is een combinatie als CultuurInvest in België, dat coaching en fonds in één is. Daar is gebleken dat eenderde van de investeerders al geholpen was met informatie en support.

Er blijken meer belemmeringen om beter cultureel ondernemend aan de slag te gaan. Zo blijkt het voor kunstinstellingen nog steeds vrij lastig om eigen vermogen op te bouwen waarmee minder renderende projecten kunnen worden betaald. Ook hier moet de overheid actief optreden. Enerzijds door instellingen misschien zelfs wel te dwingen eigen vermogen op te bouwen, en hen daar anderzijds bij te helpen. Bijvoorbeeld door diezelfde instellingen rendabeler te maken door garant te staan, om daarmee private investeerders aan te trekken.

Maar er is ook iets dat de overheid juist beter kan laten. Door de harde taal richting de sector, maar ook door de onwil om de sector te helpen bij het zoeken naar nieuw geld, worden investeerders onzeker. SEO schrijft:

“Indien de markt twijfelt over de consistentie van het overheidsbeleid, zal zij hiervoor een risicopremie incalculeren en daalt de aantrekkelijkheid voor private financiers.”

Je kan op je klompen aanvoelen dat dat ook geldt voor het gebruik van het woord ‘subsidieverslaafd’. Daarmee trek je potentiële geldschieters nou niet echt over de drempel.

Als de overheid echt van de sector verwacht dat ze zelf zakelijker wordt, kan ze die sector helpen met constructies waarin subsidies gecombineerd worden met andere instrumenten die prikkels opleveren voor marktgericht denken. Bovendien zal zij ook de belemmeringen op moeten helpen heffen die er nu zijn.

Het doet daarom goed van De Liefde te horen dat hij het onderzoek van SEO serieus neemt. Hopelijk wijst hij ook zijn staatssecretaris nog eens op diens eigen onderzoek. Het toont immers aan dat het inrichten van een marktgerichte kunstsector, zoals de VVD graag wil en waarop Zijlstra en de Liefde zo vaak hameren, niet alleen een hoop werk vergt van de sector zelf, maar vooral ook van de overheid. En bijvoorkeur in overleg.

Moeilijk woord.

#HF11 ‘The select’ is keurig en braaf en mist op toneel de rauwe emotie van Hemingways roman

18 juni 2011 | 5

Foto Mark Barton

Zou de anti-reclame van premier Rutte cum suis door kunst weg te zetten als bestemd voor linkse types en andere idioten al effect sorteren? Je zou het bijna denken als je de tamelijk slecht gevulde zalen ziet tijdens de voorstellingen op het Holland Festival. Er zitten meer dan tien mensen op de eerste rij, maar toch houdt het allemaal niet over. Ook bij The Select (The Sun Also Rises) van de Amerikaanse groep Elevator Repair Service was de oude zaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg nogal leeg. Dat is raar, want de groep had de afgelopen edities van het festival toch een goede naam opgebouwd met hun opvoeringen van Amerikaanse literatuurklassiekers.

Eerst was dat de The Great Gatsby in de voorstelling Gatz, gevolgd door The Sound and the Fury. Kenmerk van hun voorstellingen is dat ze de tekst zo integraal mogelijk spelen en nauwelijks schrappen en toch proberen een theatrale vorm te vinden om de roman een extra laag te kunnen geven.

Dit jaar is de groep te zien met hun versie van The Sun Also Rises van Ernest Hemingway. De schrijver schetst daarin een groep Amerikaanse en Britse dertigers in Europa in het Interbellum. Ze hangen rond in cafés in Parijs, gaan vissen in de Pyreneeën en zuipen zich kapot tijdens de fiestas rond het stierenvechten in Pamplona. En ze vervelen zich. Stierlijk. Middelpunt van dit alles is feestbeest Brett, een hippe Britse Lady met teveel geld en teveel tijd die bij alle mannen die ze ontmoet een onuitwisbare indruk achterlaat. Daar maakt ze graag misbruik van, maar zegt zich toch de hele tijd ongelooflijk ongelukkig te voelen. Tussen romantiek en verveling ligt in haar geval een dunne lijn. Een en ander wordt afstandelijk en ironisch opgetekend door de ik-figuur, de journalist Jacob, Jake voor vrienden, die stiekem ook veel van Brett houdt.

In een bruine kroeg met een onmogelijke hoeveelheid drankflessen langs de wand – pars pro toto voor de ontelbare kroegen die de groep in en uit loopt – observeert Jake zijn vriendengroep en de verveling, de irritaties en de jaloezie die tot een uitbarsting komen tijdens de stierenfeesten in Pamplona. Zijn observaties deelt Jake als verteller met het publiek.

De afstandelijke, nuchtere taal van Hemingway klopt met de speelstijl van Jake (Mike Iveson), die vertelt met een hele lichte ironische droogheid. Het past bij het personage van Jake dat van alles vindt van de feesten en romances die zich onder zijn ogen afspelen, maar dat niet onder woorden wil of kan brengen. Zeker niet als het Brett betreft. Maar toch houdt die mening zich wel ergens schuil tussen zijn woorden en zijn observaties. Ondertussen rolt een bonte schakering aan personages over de cafévloer, waarbij vooral de geestige Amerikaanse taxidermist Bill (Ben Williams) de show steelt. Het is opvallend hoe zelfs de onbeduidendste rolletjes tot in de kleinste geestige details gestalte krijgen: een barman goochelt handig met zijn fles, een nichterige barbezoeker kleedt met zijn ogen de clientèle uit, terwijl hij parmantig met zijn sjaaltje zwaait.

De speelstijl mag dan vrij realistisch zijn – op zijn filmisch Amerikaans -, de groep laat weinig momenten onbenut om het publiek er vindingrijk op te wijzen dat we hier wel met theater te maken hebben. Geluidseffecten bij ingeschonken glazen of ontkurkte flessen worden dik aangezet. Caféstoelen kunnen net zo goed dienst doen als de achterbank van een taxi, een tafel is net zo goed een wilde stier als een hotelbed.

Het eerste deel werkt die vlotte vertelstijl, het geestige en handige gebruik van het cafémeubilair en de afstandelijk-realistische speelstijl. Maar na twee van de drie-en-een-half uur sleept de voorstelling zich steeds moeizamer van café naar café.

Het punt is dat Hemingway heel veel niet zegt, maar dat de echte betekenis onder de oppervlakte van zijn woorden ligt. Onder de verveeldheid en de slemppartijen sluimeren onderdrukte emoties, machismo, bot anti-semitisme en andersoortig explosief materiaal. Daarvan geeft de enscenering zich veel te weinig rekenschap, doordat de voorstelling zo keurig en braaf wordt gespeeld. Hemingway laat de climax niet voor niets plaatsvinden tijdens de kolkende, van masculiniteit en emoties druipende stierenfeesten. De Elevator Repair Service verbeeldt die dampende feesten met een keurig dansje en een koddig stierengevechtje met een als tafel verkleedde stier. Als de jarenlang getreiterde verlegen joodse Cohn eindelijk eens met zijn vuisten uithaalt, verwordt dat door de geluidseffecten tot flauwe slapstick. Door die braafheid mist de regie de rauwe emotie die eronder schuil gaat totaal en gaat de echte waardevolle tragiek van The Sun Also Rises verloren. Waarmee weer eens bewezen is dat niet alle boeken zich op zijn Amerikaans laten theatraliseren. En dat onderbuikgevoelens zich meestal juist achter de woorden schuilhouden. Maar dat weten Rutte cum suis allang. Daarvoor hoeven ze niet naar het Holland Festival.

Rauwe ‘Hard to be a God’ van Mundruczó blijft aan de oppervlakte hangen #dekeuze

23 september 2010 | 2

Op dit soort plekken gebeuren dingen die het daglicht niet kunnen verdragen. We bevinden ons diep in de containerhaven van Rotterdam, tussen de neonverlichte overslagplaatsen en duistere pakhuizen. In een van die rauwe loodsen staan twee vrachtwagentrailers. De een is ingericht als illegaal naaiatelier, de ander is gevuld met aarde en rubberbanden. Ze vormen het decor van de voorstelling ‘Hard to be a god’ van de Hongaarse theatermaker Kornél Mundruczó.

De voorstelling vertelt het redelijk onnavolgbare verhaal van Karoly, die symbolische martelporno wil maken om er zijn vader mee te chanteren. Die vader verkrachtte ooit zijn zus en is nu Europarlementariër. Drie vrouwen zijn onder valse voorwendselen naar dit naaiatelier gelokt om in die video’s mee te doen. Het loopt niet goed met ze af, onder andere doordat de buitenlandse filmregisseur nogal sadistische neigingen heeft en daarbij de dames zodanig beschadigt dat ze onbruikbaar worden. Verder lezen

Toneel is veel geschikter om geschiedenis te duiden dan film. @RvanH schrijft essay over Hannah en Martin op #TF2010

2 september 2010 | 4

Hannah en Martin van Mugmetdegoudentand is niet alleen een hartverwarmende voorstelling, gespeeld door één fenomenale actrice en één onnavolgbare theaterpersoonlijkheid, het is ook een hersenkraker. Trouw-recensent en theaterwetenschapper Robbert van Heuven voelde zich uitgedaagd tot een kort essay naar aanleiding van deze voorstelling.

Verder lezen

‘Toneel’ van Jetse Batelaan is handreiking naar pubers met abstractiefobie

31 maart 2010 |
Tekst Robbert van Heuven
Theater is voor de gemiddelde puber niet de gemakkelijkste kunstvorm. En, eerlijk is eerlijk, er wordt af en toe ook wel erg abstracte onzin  als toneel gepresenteerd: acteurs mompelen bij tl-licht abstracte teksten, iemand rolt een uur over de grond, of houdt een saaie lezing en noemt dat dan theater. En stel je dan voor dat je een puber bent die van school voor het eerst naar een theater moet en bij een dergelijke voorstelling belandt. Dat kan je allemaal voorgoed genezen van je liefde voor theater.
Jetse Batelaan maakte bij Toneelgroep Max precies voor die puberende doelgroep de voorstelling Toneel, waarin hij op hilarische wijze korte metten maakt met abstract onzintoneel en tegelijkertijd volkomen invoelbaar maakt hoe het als jongere moet voelen om daar verplicht naar te moeten kijken. Dat doet hij vooral door met zijn acteurs een fantastische persiflage neer te zetten op al die theatermakers die zichzelf wel heel erg serieus nemen.

Verder lezen

Wat zegt het als Jezus een vrouw is?

22 maart 2010 |

 

foto Jochem Jurgens

foto Jochem Jurgens

Tekst Robbert van Heuven

Het is koud en kil in Nederland. Het vriest ook in de zomer. Er zijn, tegen heug en meug- al dertien Elfstedentochten verreden. In die gure omstandigheden wordt het gereformeerde meisje Johanna uit Kampen verliefd op een maar half-ontplofte zelfmoordterrorist uit Amsterdam-Noord. Gedurende haar odyssee naar haar grote liefde door een bevroren Noord blijkt dat Johanna ook nog de nieuwe Jezus is waardoor ze als kandidate in het spelprogramma Op zoek naar…Jezus belandt.

Verder lezen

Vermeer volgens Gienke Deuten: Het meisje met de thermoskan

29 januari 2010 |

Door Robbert van Heuven

foto Jacqueline van Eeden

Met een witte onderbroek op je hoofd, een blauwe kledingzak als jurk en een koperkleurige thermoskan in je handen, ben je precies het melkmeisje van Vermeer. Maxima mag dan wel beweren dat DE Nederlander niet bestaat – en daar ook deels gelijk in hebben – toch zitten er een hoop beelden in ons Nederlandse collectieve geheugen gekerfd.
Een acteur met een das om hoeft zich maar met een glijdende beweging van links naar rechts te verplaatsen, of we zien hem schaatsend voor ons op een bevroren sloot. Bij een geblokte vloer in perspectief waarop van links licht valt vanuit een raam, denk je al snel aan Vermeer. Drie mannen aan een tafel met zwarte gewaden en witte kragen doen je meteen denken aan de schilderijen van Frans Hals of Rembrandt van Rijn.
Met zulke beelden en associaties speelt regisseur Gienke Deuten in de voorstelling Nachtschade die ze maakte bij Firma Rieks Swarte. De voorstelling ontstond vanuit haar fascinatie voor Hollandse Meesters en het Hollandse licht en dat is terug te zien.

Verder lezen

Carine Crutzen’s regiedebuut Truckstop blijft hangen in goede bedoelingen

15 januari 2010 |

 

foto Deen van Meer

 
Door Robbert van Heuven

Katalijne droomt. Over Remco. Remco die haar mee gaat nemen in zijn splinternieuwe truck. Nou ja, tweedehands, maar voor Remco nieuw. Een truck in alle kleuren van de regenboog, net als de lamp uit Japan die hij haar kado gegeven heeft. Moeder, de uitbaatster van een ouderwetse truckstop, wil er niets van weten. Niet alleen omdat ze Katalijne nodig heeft in de truckstop. Maar ook omdat ze haar dochter niet wil loslaten. Die is tenslotte nog maar achttien en bovendien verstandelijk gehandicapt. Al maakt dat laatste voor de goedmoedige sukkel Remco niet uit.

Verder lezen

Bambie 14 gaat minder over moord en doodslag dan over vriendschap en liefde

23 november 2009 |

Door Robbert van Heuven

Het schijnt dat de meeste moorden worden gepleegd door een bekende van het slachtoffer. Misschien omdat hevige liefde en redeloze woede eigenlijk heel dicht bij elkaar liggen? Jochem Stavenuiter en Paul van der Laan van bewegingstheatergroep Bambie, raakten in ieder geval zo gefascineerd door de correlatie tussen liefde en doodslag dat ze er een voorstelling over maakten: Bambie 14: Reconstructie van een liefde. Verder lezen

Happy Days door Leny Breederveld een aardig toneelavondje met Beckett, maar ook niet meer dan dat.

22 november 2009 |

Door Robbert van Heuven

Ergens in een woestijn zit een vrouw tot haar middel in het zand. Ze kan nergens heen, dus filosofeert ze wat voor zich uit, haalt herinneringen op aan vroeger, maakt kleine plannen om haar dag structuur te geven en probeert een gesprek te beginnen met haar man die even verderop in een hol woont. Happy Days van Samuel Beckett is een toneelstuk dat volledig hangt op de taal en de vervreemde gedachtekronkels die daarmee worden opgeroepen. Spannend is het dus wanneer een prominent bewegingstheateractrice als Leny Breederveld er voor kiest om juist dat stuk te spelen.

Verder lezen

Standup filosofe Laura van Dolron praat anderhalf uur lang in een pleidooi voor het zwijgen

18 oktober 2009 |

Door Robbert van Heuven

Het kost enige moeite om het je voor te stellen: een praatzieke standup filosofe als Laura van Dolron die tien dagen haar mond dicht houdt. Een zwijgende, mediterende Laura. Toch is dat beeld een van de rode draden in Van Dolrons nieuwe voorstelling Iemand moet het doen die ze maakte bij het Nationale Toneel. Opvallend, want Van Dolron bouwde de afgelopen jaren gestaag aan een theateroeuvre dat vooral opgetrokken was uit taal. Pratend op een leeg toneel, alleen of met anderen, probeerde ze haar eigen visie op de wereld te duiden. Soms liet ze zich helpen door een filmmaker of filosoof die ze bewondert en met wie ze een fictieve dialoog aanging. Standup philosophy noemde ze haar genre en dat was een goede term: net als een goede comedianis Van Dolron slim, ad rem, geestig en weet ze haar publiek meesterlijk in allerlei onverwachte denkrichtingen te duwen. Verder lezen

Help! van Max is een nostalgisch en swingend avonturenboek

9 oktober 2009 |

Door Robbert van Heuven (foto’s: Joep Lennarts)

Bij de première van de voorstelling Help! hingen ze aan het plafond van het Amsterdamse jeugdtheater De Krakeling: zwarte ronde schijven, waarvan de ouders van nu hun kinderen zullen moeten uitleggen dat dat een soort cd is maar dan anders. Er staat ook een tafeltje met platenspelers, waarop kinderen die merkwaardige zwarte dingen kunnen uitproberen.

Ik ben te jong om nostalgische herinneringen te hebben aan The Beatles, maar ik heb wel warme herinneringen aan dat mooie vinyl en het zachte knetteren van de platenspeler waarop ik de plaatjes draaide uit de jeugd van mijn ouders. Ze zaten in zo’n klein, met stof bekleed koffertje dat zich als je het opendeed als een soort papieren harmonica ontvouwde en waarin die zwarte singletjes zaten opgeborgen, zoals Love me do en Roll over Beethoven. Verder lezen

Tussen vastgemetseld witgoed in het Oude Noorden wil de crisis maar geen drama worden bij het Ro Theater

24 september 2009 |

Door Robbert van Heuven

Sinds vorige week weten we het echt zeker. De crisis gaat ons allemaal raken en dat gaan we merken in onze buidel. Hoewel, de zwaarste klappen gaan niet vallen bij mensen met een villa van een miljoen.

De armsten zijn altijd als eerste de sigaar. Dat is van alle tijden. Die wetenschap leverde begin 20e eeuw zelfs een heel toneelgenre op, het sociaal-realisme, waar ook Herman Heijermans toneelstukken, zoals Op Hoop van Zegen onder vallen. Sociaal bewogen drama’s zijn het, waarin hele families slachtoffer worden van armoede, uitbuiting en aanverwante zaken. Ook in Vlaanderen werd zulk toneel geschreven. Regisseuse Sarah Moeremans diepte het stuk Honger op dat de Vlaamse schrijver Nestor de Tière in 1901 schreef. De hongerende familie die hij opvoert, en die steeds dieper in de schulden zakt, herkent de regisseuse dagelijks op straat vanuit het raam van haar woning in het Rotterdamse Oude Noorden, een zogenaamde ‘prachtwijk’. Een combinatie van De Tières tekst en eigen materiaal leverde uiteindelijk de voorstelling Honger op, gemaakt in de studio van het Rotheater. Verder lezen

Over grote bewegingen en kleine verhalen

8 juli 2009 |

Door Robbert van Heuven

Een van de danseressen heeft een kras op haar wang. En hele grote blauwe ogen. Ze zoekt contact met het publiek. Maar nog voor ze oogcontact heeft kunnen maken, wordt ze verder gedreven door een grote witte wiek die langzaam in de rondte draait. Enigszins verbaasd laat ze zich voortdrijven om even verderop weer contact te zoeken. Maar daar komt die wiek weer. Verder lezen

ComMotie in de Amsterdamse Stadsschouwburg

30 juni 2009 | 2

Door Robbert van Heuven

Gisteren vond in de Koninklijke Foyer van de Amsterdamse Stadsschouwburg voor de eerste ComMotie plaats, een debatreeks geïnitieerd door het NFPK, het TIN en Muziekcentrum Nederland. Onderwerp was de omstreden theatervorm blackface, waaruit het afgelopen seizoen voor twee theatervoorstellingen geput werd (The right thing van Urban Myth en Blackface van Orkater). Blackface is een theatertraditie waarin blanken zich zwart schminken om vervolgens op karikaturale wijze een zware na te doen. Verder lezen

Het navelpluis voorbij

28 mei 2009 |

Door Robbert van Heuven

Het gaat niet om het doel, maar om de reis er naar toe, is zo’n fijn platgetreden cliché dat in menig zweverig citatenboekje figureert. Maar voor de zoektochten van Ilay den Boer en Miriam Stein gaat het cliché toch op. En ze leveren bovendien indrukwekkend theater op. Verder lezen

Rechter zijn we (niet)

25 mei 2009 |

Door Robbert van Heuven

Interessante, maar niet geheel onomstreden keuze van regisseur Floris van Delft om juist hardliner en former crimefighter Fred Teeven van de VVD uit te nodigen om ‘deskundige avondrechter’ te zijn bij zijn voorstelling Rechter kan niet. Hoewel het verdomd wel lijkt of Teeven milder in zijn oordelen is als er geen tv-camera’s bij zijn en er in dit linkse theaterhol van de leeuw ook geen rechtse zieltjes te winnen zijn. Al spreekt hij uiteindelijk wel in een persoonlijk oordeel een levenslang uit voor een groep daders. Verder lezen

Kunstenaarsliefdes aan de wand en op toneel

12 mei 2009 |

Door Robbert van Heuven

Het is natuurlijk ook een legendarisch stel: Camille Claudel (1864-1943) en Auguste Rodin (1840-1917): de jonge muze en de oude meester die een stormachtige relatie omzetten in ongelooflijk mooie kunst. En voor het dramatisch gehalte is het natuurlijk prettig dat Claudel uiteindelijk paranoïde afgevoerd werd naar het krankzinnigengesticht. Daar kun je dan weer mooi films, boeken en toneelstukken op baseren. Verder lezen

André Jung weergaloos in Simons’ Hiob

20 april 2009 |

Door Robbert van Heuven

Uiteindelijk sluit de arme jood Mendel Singer dan toch vrede met de wereld. Begroet hij de wereld als ware deze nieuw. Omdat hij heeft ingezien dat die wereld toch vooral om liefde draait. Maar daaraan is nogal wat lijden vooraf gegaan. Hiob, gespeeld door de Münchner Kammerspiele in de regie van Johan Simons, is gebaseerd op het gelijknamige boek van Joseph Roth. Verder lezen

Crisis in Frascati tot en met zaterdag 28 maart

19 maart 2009 |

Door Robbert van Heuven

De economische crisis is niet alleen een financiëel, maar ook een maatschappelijk probleem. Kunstenaars zijn idealitair degenen die een kritische vinger aan de pols van de samenleving houden. Moeten zij zich dan ook niet als kunstenaar verhouden tot de crisis? En hoe dan? Verder lezen