Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Cultuurpers | 30 July 2014

Scroll to top

Top

Over Alles over de auteur - Cultuurpers

Willem Jan Keizer

Willem Jan Keizer

Willem Jan Keizer studeerde klassiek gitaar in Rotterdam en schrijft over klassieke muziek, opera en wereldmuziek sinds de late jaren '80. Via Het Vrije Volk, Trouw, Rotterdams Dagblad en het Financiëele Dagblad nu bij het Cultureel Persbureau. Daarnaast is hij repertoire deskundige bij muziekuitgeverij Albersen in Den Haag. Naast bestuursfuncties van diverse aard in het muziekleven te hebben bekleed, heeft hij geadviseerd o.m. namens de Rotterdamse Kunst Stichting. Hij is getrouwd en dikke maatjes met zijn kat.

Berichten van Willem Jan Keizer

Gergjev Festival vol zondagmiddagmuziek

16 september 2012 |

Wat zou er aan de hand zijn met het Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival – de officiële naam om toch die internationale uitstraling maar te benadrukken? Al bij het betreden van concertgebouw de Doelen bekruipt je direct het gevoel bij een gewoon, doordeweeks concert te zijn aangeland, ook al staat Valeri Gergjev op de affiches. Geen aankleding van de grote ruimtes en op en rond het podium niets dat ook maar in de buurt komt van een festivalaankleding, zelfs een bloemstukje op het podium kon er niet af.

Zou het Rotterdams Philharmonisch Orkest dat het festival samen met een meer specifieke festivalorganisatie runt, na het negatief uitgevallen advies van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur, RRKC, de handdoek hebben geworpen? In dat advies staat immers dat zij om het andere jaar de subsidie met de Rotterdamse Operadagen moeten gaan delen. Subsidie, dat is de afgelopen twee jaar de crux geweest bij menig orkest en festival – eigenlijk voor de hele podiumkunst. Iedereen sprak er op een bepaald moment over, de overheid kreeg van alles de schuld, maar dat er sprake is van een langdurige economische crisis werd ook niet ontkend. Maar dan zo een karige aankleding van de 16e editie van een tot de verbeelding sprekend festival, dat is raar.

Hoe gaat dat eigenlijk, zo’n vierjaarlijkse subsidie aanvraag? Vooraf verstrekt de minister, staatssecretaris of wethouder met cultuur in de portefeuille een serie uitgangspunten op grond waarvan de overheid duidelijk maakt hoe de te subsidiëren instelling aan zijn geld kan komen. En hier gaat inderdaad het één en ander grondig verkeerd. De overheid toont in deze notities aan slechts te gaan voor de waan van de dag. De ene keer is educatie een speerpunt, de andere keer marktwerking en de afgelopen ronde het veelbesproken cultureel ondernemerschap. Dat heeft bij het RPhO en het Gergjev Festival geleid tot omvangrijke – en dus dure – afdelingen educatie en marketing. Wat voorheen de boekhouding was en personeelszaken heet nu ineens Finance & Human Recources en het orkest zelf is nu Rotterdam Philharmonic.

Maar al dit pseudo-Engels kan niet verhullen dat het Gergjev Festival in het hoofdprogramma nergens naar lijkt. Programmatisch falikant mislukt. En dat blijkt: de zaal zit voor niet meer dan zo’n tachtig procent vol. Dat is nog nooit gebeurd. Qua marketing en entrepreneurship geen best resultaat.

Het publiek is simpelweg niet meer warm te krijgen voor alleen Valeri Gergjev. Hij moet ook nog iets zinvols doen. Rachmaninov’s symfonische gedicht Dodeneiland, de vijfde symfonie van Sergei Prokofjeff werden tijdens het openingsconcert weliswaar gedegen gespeeld, maar werden op eerdere edities ook al eens uitgevoerd. Het 4e pianoconcert van Rodion Sjtsjedrin – zelf aanwezig – was vooral van grote waarde door de prachtige druppelende, bellende en klokkende uitvoering van Olli Mustonen. Waarom niet een heel festival gewijd aan dit soort muziek in plaats van middle-of-the-road Music for the Millions?

En een dag later, Verdi’s Otello in concertvorm door het voltallige gezelschap van het Mariinsky Theater – altijd een beetje een vlees-noch-vis ervaring bij opera – maar vooruit , het gaat al jaren zo. Hoe dit in vredesnaam te rijmen valt met het thema De Zee, uitgesmeerd over drie festivals op rij, is onmogelijk uit te leggen. Terwijl opera het speerpunt van het Gergjev Festival hoort te zijn, werd het er nu aan de haren bijgesleept. Niet slecht uitgevoerd, maar de meeslependheid ontbrak. De zaal werd na afloop ook niet finaal afgebroken zoals in het verleden wel steevast gebeurde.

Verder mag Yannick Nézet-Séguin op donderdagavond Dvorak’s negende symfonie ‘Aus der neuen Welt’ dirigeren en Copland’s klarinetconcert. De zee? Waar dan? Nou vooruit: bij Dvorak dan. Met de stoomboot de grote haringvijver over. Pas op de slotavond op zaterdag komt de zee voluit op het netvlies: Debussy, La Mèr; Sibelius, Die Okeaniden; Ernest Chausson’s Poème de l’ Amour et de la Mèr. Maar of dit nu een festivalprogramma is dat tot de verbeelding spreekt? Je kunt nog zo klakkeloos de overheidsidioterie navolgen, als je inhoudelijk niet alert bent en alleen maar zondagmiddagmuziek speelt houdt het een keer op. En dat lijkt het Gergjev Festival hier te doen: ophouden.

Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival, 7 tot en met 15 september, Rotterdam, de Doelen en andere locaties. www.gergievfestival.nl. Bijgewoond: vrijdag 7 en zondag 8 september

 

 

 

 

 

Schitterend uitgevoerde opera van Rimsky Korsakoff voorlopig hoogtepunt van wisselvallig openingsweekend Gergiev Festival

13 september 2011 |

“Mijn engagement voor de stad (Rotterdam) en het orkest kent geen einde”, zo sprak Valeri Gergjev ter gelegenheid van het Gergjev Festival dat deze week in Rotterdam Plaatsvindt. Dat is goed nieuws, want het Rotterdams Philharmonisch Orkest en de voormalige chefdirigent kunnen het nog steeds goed met elkaar vinden. En om door deze mondiale top-5 dirigent te worden geruggesteund is in deze barre tijd van onverantwoord bezuinigen uitermate belangrijk.

Dat dirigent en orkest nog steeds een ‘klik’  hebben, bleek zaterdagavond in de Doelen uit een sprankelende uitvoering van de opera Sadko (1892-96) van Nikolai Rimsky Korsakoff. Dit werk werd nog niet eerder in ons land uitgevoerd en is zeker de moeite van een enscenering waard. De componist uit Sint Petersburg geldt als één van de grondleggers van het Russische componeren. Diverse opera’s componeerde hij en net als in zijn concertrepertoire combineerde hij in Sadko Russische volksmuziek met soms puur impressionisme.

Het libretto is van de componist zelf en rammelt aan alle kanten. De legende gaat over Sadko, aan koopman met muzkaal talent. Hij bespeelt een goesli, een snaarinstrument, waarmee hij zijn betoverende zang begeleidt. Sadko laat zich verleiden door prinses Volkhova, dochter van de Koning van de Oceaan. Zij laat hem gouden vissen vangen en zet daarmee de overinge kooplieden uit Novgorod voor schut. Omdat Sadko echter bij zijn wettige echtgenote vandaan wordt gelokt komt een pelgrim (in de legende Sint Nicolaas van Myra) tussenbeide en wordt de orde hersteld en de natuurgoden opgedoekt als ter zake doende macht.

Het krukkige verhaal wordt door Rimsky Korsakoff prachtig bij elkaar gehouden door zijn briljante compositie. De zeescenes zijn puur impressionistisch, en voorlopend op de Nocturnes en La Mer van Claude Debussy. De uitvoering van het RPhO en solisten en koor van het Mariinsky Theater uit Sint Petersburg was ontspannen, sprankelend en van grote klasse. Alle elementen vielen als vanzelfsprekend op hun plek, de balans was perfect en het orkest speelde met enorme diepgang en grote transparantie. Bovendien was de casting uitstekend. Een kleine rol voor een grote stem was er voor Mikhail Kit en Daniil Shtoda; Sadko werd buitengewoon goed vertolkt door Viktor Lutsyuk.

Het concertant uitgevoerde Sadko was van een hogere orde dan Les Troyens van Berlioz een dag eerder. De mateloze Berlioz verwerkte Vergilius’ Aeneas in een vier uur durende opera waarin zo ongeveer de hele val van Troje, compleet met de verhalen van Cassandra en Dido en Aeneas wordt verteld. Nu speelde het gehele gezelschap van het Mariinsky theater uit Sint Petersburg. Hoewel deze opera voor hen een repertoirestuk is dat nog niet lang geleden werd uitgevoerd, was de ze productie ronduit rommelig en slordig. De opera kwam moeizaam op gang, maar kende ondanks de miscasting (Didion werd niet gezongen door Anna Markarova zoals in het programmaboek stond maar door de mezzosopraan Elena Vitman) toch een paar prachtige momenten. In een bijpassende video werd de zandkunst van Kseniya Simonova geprojecteerd op een scherm en de liefdesverklaring van Didion en Aeneas was prachtig, zowel qua muzikale uitvoering als in de vormgeving in zand.

Verder speelde het Russische orkest rommelig en niet exact, bovendien ontbrak de diepte in de klank.  Slechts de mannelijke solisten (Sergei Semishkur als Énée – Aeneas) scoorden op dit punt een voldoende. Gergjev was evenmin tevreden met deze uitvoering.

Het openingsconcert, donderdagavond, was eveneens een wat mindere beurt van Gergjev. Mahler’s 9e Symfonie werd gekoppeld aan de ouverture tot Lohengrin van Wagner en de verrassende suite Death in Venice van Benjamin Britten. Lohengrin werd prachtig gespeeld door het RPhO, Britten, met het vele slagwerk, was een regelrechte vondst maar Mahler’s mateloze en manische symfonie kwam maar niet tot een einde. Nu emmerde Mahler zelf al eindeloos door,  Gergjev wist er ook niet echt raad mee. Steeds als je denkt: ja, nu is het klaar,  had Mahler nog een stief kwartiertje nodig om tot zijn slotnoten te komen. Een groot Mahler dirigent is Gergjev al niet, maar dit werk vereist meer inzicht in de getormenteerde geest van deze componist om tot een bevredigende uitvoering te komen. En de enige link die gelegd zou kunnen worden met het totale programma tijdens dit festival is de waardering die Benjamin Britten voor Mahler had. Maar met de zee of de stad heeft dit niet zoveel ut te staan.

Bijgewoond: Gergiev-festival in Rotterdam op donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond 9, 10 en 11 september

Delft opent met minder kamermuziekverrassingen dan andere jaren

3 augustus 2011 | 1

Foto Marco Borggreve

Alweer vijftien jaargangen omvat het Delft Chamber Music Festival, zo genoemd om het internationale karakter weer te geven. Violiste Isabelle van Keulen verzorgde de programmering van het kamermuziekfestival de eerste tien jaar, Lisa Ferschtmann – eveneens violiste – nam dit vijf jaar geleden van haar over.

Maar ook dit toch zo succesvolle festival vreest de aankomende bezuinigingen. Jammer, want wat er is, is mooi: een week lang concerten op het hoogste niveau in de beperkte ruimte van de overdekte binnenplaats van museum Het Prinsenhof. De honderd-zoveel stoelen die er staan zijn structureel uitverkocht, een zaalbezetting van honderd procent, welke zaal in het klassieke circuit kan daarvoor tekenen? Toch is dit een tijd waarin je het als organisator van klassieke muziek op geen enkele manier goed kan doen. Linkse hobby’s, weet u nog? Nergens goed voor ook al loopt het nog zo goed. Het festival zou daarom moeten inzetten op groei om de slechte tijden te kunnen  overleven.

In de kantlijn van de muziekwereld is een ontwikkeling gaande die pers, beoordelingscommissies voor subsidies en alle anderen met een mening volledig ontgaat: de kamermuziek, het samenspel van solo tot kwartet, met hier en daar een incidentele grotere bezetting, groeit als kool, tegen de verdrukking in. Veel bewoners van herenhuizen stellen hun huiskamer met piano ter beschikking van musici om er op kleine schaal muziek te maken, voor een klein gezelschap van invitées. Van Amsterdam-Zuid, via Santpoort, Bloemendaal, Haarlem, het Haagse Benoordenhout tot Rotterdam-Kralingen gebeurt dat. En wat de publieke opinie er ook van vindt, er worden festivals omheen gebouwd, van het Amsterdamse Grachtenfestival tot dit in Delft.

Het Delftse festival wordt steevast gegroepeerd rond een thema.  Dit jaar is dat ‘Tussen Droom en Werkelijkheid’. De porganisatie greep ditb thema aan om verbindingen te leggen tussen de klassieke, 19e eeuwse kamermuziek (de eeuw waarin dit fenomeen op grond van de sociale ontwikkelingen is gaan ontstaan) en de hedendaagse muziek waarbij het experiment niet wordt geschuwd. Het doorgaans conservatieve publiek vindt het allemaal prachtig. De Sequenzas van Luciano Berio werden al eens integraal uitgevoerd, de Engelse avant-gardistische componist Thomas Adès stond al eens centraal. Helaas mist het festival van dit jaar een dergelijk statement. Het belangrijkste werk op de openingsavond, vrijdag 29 juli, was Arnold Schönberg’s Verklärte Nacht. Diens Pierrot Lunaire wordt tijdens dit festival gekoppeld aan Maurice Ravel’s Gaspard de la Nuit maar van een rode draad is toch geen sprake.

Op zaterdagavond werd wel het meest intrigerende werk van het festival uitgevoerd: het Gesang der Jünglinge van Karlheinz Stockhausen. Deze wonderbaarlijke electronische manipulatie van zingende jongensstemmen uit 1956 betekende een absolute doorbraak van electronica in de muziek.  Vooral de popmuziek heeft hier garen bij gesponnen omdat daar alles samenviel: een tijd met veel jeugdig elan, nieuwe muziek en schijnbaar onbegrensde mogelijkheden via electronische verwerking van muziek. Dit zou zonder het Gesang der Jünglinge ondenkbaar zijn.

Stockhausen liet de stemmen, Preiset den Herrn zingend,  via vier gescheiden geluidskanalen, elk met een eigen luidsprekerzuil heen en weer schieten en rondkolken. Jammer dat het niet helemaal donker was. Duisternis zou het effect van dit bijzondere werk vergroot hebben. Al gaf het ook nu al veel stof voor discussie bij het publiek.

De context waarin dit werk werd uitgevoerd (afgespeeld is een juistere benaming) was eigenlijk zozo. Fratres van Arvo Pärt voor altviool en piano werd verprutst door de totaal ongeïnspireerd spelende Dietmut Poppen. Het kennelijke gebrek aan levensvreugde dat zij uitstraalt maakt haar geen musica om ook met plezier naar te kijken. Het klarinetkwintet KV 581 van Mozart paste vervolgens ook niet zo heel erg goed in het deelthema Religieuze Vervoering.

Max Bruch’s Kol Nidrei, in plaats van op cello op contrabas gespeeld door Rick Stotijn, borduurde daarentegen prima voort op het door Christianne Stotijn met verzengende kracht gezongen Chanson Hébraïque van Ravel (alles begeleid op piano) en het voor haar geschreven a-capella Gebed van Fant de Kanter.

Delft Chamber Music Festival dagelijks van 29 juli t/m 7 augustus, museum Het Prindenhof. Bijgewoond: zaterdagavond 30 juli. Informatie: www.delftmusicfestival.nl

Die Jahreszeiten past in de versie van OT perfect in de Vlaams-Nederlandse Operadagen

31 mei 2011 |

Foto: Ben van Duin

In Nederland wordt de visie op opera vooral gestuurd vanuit de concertpraktijk. Daarmee wijkt de Nederlandse omgang met dit genre flink af van wat in de rest van Euroa gangbaar is. Dat blijkt alleen al uit het feit dat er de afgelopen eeuw vooral werd geïnvesteerd in concertzalen die direct dan ook tot de beste ter wereld horen: het Amsterdamse Concertgebouw, de Doelen in Rotterdam. Met opera werd minder gerekend, getuige de grote hoeveelheid zalen met een te kleine of onbruikbare orkestbak.

Opera is in het verleden vooral een genre geweest waarmee vorstenhuizen zichzelf ronkend konden onderscheiden. Zo een vorstenhuis hebben we in ons land nooit zo gekend. Het grote internationale succes van bijvoorbeeld de Nederlandse Opera in Amsterdam is in niet geringe mate te danken aan de uitmuntende muzikale prestaties van onder meer de begeleidende orkesten.

De Operadagen in Rotterdam zijn inmiddels geheel door Vlamingen overgenomen. De Vlaamse insteek bij opera is bovenal:  theater. Aan dat theater wordt muziek toegevoegd en voilà: daar ontstaat muziektheater. Maar dat is dus geen opera. Dit is precies de reden waarom de Vlaamse muziektheatergezelschappen er zo tuk op zijn om bestaande partituren verder uit te breiden met nieuwe muziek en vaak  oeverloos te becommentariëren.

In Nederland is dat precies andersom. De basis ligt in de concerttraditie, het nauwgezet volgen van de partituur. Daar worden theater, dans en requisieten aan toegevoegd. Een essentieel verschil: opera en geen muziektheater. De basis van een opera is immers de partituur. Die werd geschreven in innige samenwerking tussen componist en librettist. Hoogstens de regisseur geeft een interpretatie van het geheel.

Tijdens de Operadagen produceerde Opera OT Haydn’s ‘Die Jahreszeiten’, een echt repertoirestuk op de concertpodia. Dit is echter geen operapartituur maar een wereldlijk oratorium – in zijn oorsprong opera zonder theater en meestal met een religieuze context. In deze zin paste deze productie dus weer naadloos in de Vlaamse visie op opera. Met de eenheid van plaats, tijd en handeling wordt een loopje genomen. Maar zou dit dan daarom een slechte productie moeten zijn?

Integendeel.

Mirjam Koen en Gerrit Timmers hebben een zeer inventieve regie uitgedacht op de werkelijk erbarmelijke teksten van baron Gottfried van Swieten. (Als er gefeest moet worden in de Herfst vliegen de joechei’s en de hopsasa’s je om de oren. ) Het vocale werk is dik in orde: de drie solisten, sopraan Robin Johannsen (Hanne), bas Tim Murfin als Simon en Tom Randle – tenor -  als Lukas, zijn vocaal uitermate sterk en bewegen soepel op het podium. Dat geldt eveneens voor het uitstekende koor, Vocalconsort Berlin. Effectief was ook de begeleiding van het Gentse barokorkest B’rock en dirigent Christopher Moulds.

De clou van deze productie zat hem niet in de prachtige uitvoering van de muziek maar de tegendraadse en enigmatische enscenering van het duo Koen en Timmers. De jaargetijden die zo schoon worden bezongen, trekken langs als een langzaam veranderend landschap op een projectiewand achter op het podium. Sneeuw smelt, de zon komt steeds hoger aan de hemel en er lijkt geen vuiltje aan de lucht. Het scherm wordt ingekaderd door een hutje links en een schuurtje rechts, een akkertje in het midden.

Maar wat doen dan al die wapens op het podium?  Er wordt gejaagd, op hilarische wijze op ratten, maar er valt ook een menselijk slachtoffer. Tanks rijden door het scherm en beschieten een bosje, soldaten laten zich op dreigende wijze ineens gelden en verstoren de idylle. Deze gaat er definitief aan als zich drie terroristen aandienen. In totale redeloosheid wordt Hanne aangerand en bevend van ellende in de akker achter gelaten. Het huis wordt nog even ondersteboven gekieperd en de seizoenen die in Haydn’s oratorium zo worden bezongen krijgen een andere lading.

Zijn de seizoenen nog wel zoals ze waren? De klimaatsverandering krijgt een rol, geweld en oorlog eveneens. Het open einde is intrigerend en geeft ‘Die Jahreszeiten’  een onverwachte extra laag. Maar hoe je het ook wendt of keert: het blijft, mede door het gebrek aan handeling in de tekst, een geënsceneerd oratorium en dat is niet hetzelfde als opera, ook al ligt de concerttraditie hier nadrukkelijk aan de basis.

Daarmee past deze productie keurig in de Operadagen die niet over opera gaan maar over muziekheater.

Nieuwe Luxor Theater, Rotterdam: Rotterdamse Operadagen. Opera OT: Haydn, Die Jahreszeiten. Regie: Mirjam Koen en Gerrit Timmers, muzikale leiding: Christopher Moulds. Bijgewoond woensdag 25 mei. inlichtingen

Gergiev komt met een toporkest en toprepertoire naar Rotterdam, maar dat is het publiek van hem gewend

14 mei 2011 |
London Symphony Orchestra

De Russische dirigent Valeri Gergjev was even terug in Rotterdam, voor één concert. Hij voerde in de Doelen zijn eigen orkest aan, het London Symphony Orchestra (LSO).

Het beroemde orkest speelde repertoire dat we in ons land van haver tot gort kennen: Gustav Mahler’s 1e symfonie en het 1e pianoconcert van Dmitri Sjostakowitsj. Een inmiddels historische combinatie: omdat Nederland vergroeid lijkt te zijn met Mahler’s werk zorgde het chefdirigentschap van Gergjev bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest voor een goede introductie van deze muziek bij de maestro. En in omgekeerde richting zorgde Gergjev voor een goed beeld van de muziek van Sjostakowitsj in Nederland.

Beide componisten worden ook vaak met elkaar vergeleken; de invloed van Mahler op Sjostakowitsj zou groot zijn. In technische zin is dat ook wel zo, zeker in het symfonische werk van beide componisten is sprake van beïnvloeding. Maar zodra het gaat om het verhaal achter de noten houdt iedere vergelijking op. Waar Sjostakowitsj vooral dwars werd gezeten door zijn omgeving – hij had vooral ernstig te lijden van de Tweede Wereldoorlog en het aansluitende regime onder Stalin – had Mahler vooral met zichzelf te kampen. Waar Sjostakowitsj zichzelf en zijn muziek steeds wist te relativeren kon Mahler dat in het geheel niet.

Sjostakowitsj schreef zijn eerste pianoconcert, eigenlijk het concert voor piano, trompet en strijkorkest in 1933. Het was een tijdsgewricht waarin de maatschappelijk en politiek hoog oplopende spanning zich vertaalde in een nerveus vooruit gestuwd kunstklimaat met een ongekend aantal hoogtepunten tot gevolg. Hieraan refereert het concert van Sjostakowitsj vanaf de eerste noot. Het is een circusstuk waarin de noten en modulaties over elkaar buitelen. De piano krijgt steeds weerwoord van een trompet waarna er aan het slot een mini-duel tussen trompet en barpiano wordt uitgevochten. Toch is het lento, het langzame tweede deel, melancholiek, hoewel niet zwaar op de hand.

Yefim Bronfman was de fijnzinnig spelende pianist. De voormalig leerling van de legendarische Leon Fleischer liet de noten vloeien en buitelen zonder de boel in de soep te laten lopen. Een hele kunst, want het tempo was vaak aan de hoge kant. Hij kreeg prima tegenspel van trompettist Philip Cobb.

Mahler’s eerste symfonie kent net zoveel banaliteiten als het concert van Sjostakowitsj. Ze zijn echter platter, zonder dat spitse gevoel voor humor in het pianoconcert. Veel meer voor de hand liggend ook, simpeler. Vader Jacob in mineur was al eens eerder gedaan en het hoorngeschal in de Alpenwei is op de keper beschouwd helemaal niet zo vernieuwend, ook al werd dat destijds tijdens de eerste serie uitvoeringen anders ervaren. Gergjev deed het enige dat je kunt doen in zo’n soms oeverloos dooremmerend werk: de spanningsboog zover mogelijk oprekken. De Mravinsky opstelling van het orkest (contrabassen linksachter, eerste violen tegenover de tweede en alten en celli omgewisseld) zorgde voor een uitmuntende klankbalans; Gergjev had het LSO aan een touwtje. En toch was het, ondanks de torenhoge kwaliteit, geen echt verrassend concert. Daarvoor heeft het Rotterdamse publiek de dirigent te goed leren kennen.

Grote zaal de Doelen, Rotterdam: London Symphony Orchestra o.l.v. Valeri Gergjev m.m.v. Yefim Bronfman-piano en Philip Cobb-trompet. Werken van Sjostakowitsj en Mahler. Bijgewoond: vrijdagavond 13 mei.

Tomoko Mukaiyama strooit met noten en hoge hakken

8 mei 2011 |

Hoewel de aankondiging van  ‘sonic tapestry: Shoes, deel V’ van Tomoko Mukaiyama zich laat lezen als een variant van Sex and the City op klassieke muziek,  zou Sarah Jessica Parker voor altijd anders tegen haar Manolo Blahniks aankijken na het zien van Mukaiyama’s voorstelling. Dit wel zeer bijzondere pianorecital was zaterdag 7 mei in LP2 (zaal 2 van het Rotterdamse nieuwe media-centrum Las Palmas) te bewonderen.

Tomoko Mukaiyama won in 1991 het Gaudeamus Vertolker Concours en heeft ons land sindsdien niet meer verlaten.  Ze is gespecialiseerd in de meest modere vormen van muziek en het muzikale klimaat daarvoor is in Nederland – vooralsnog – buitengewoon goed.

In haar sonic tapestry – je zou het kunnen omschrijven als klankschap – staan schoenen centraal, naast de muziek van Bach, Dowland, Chopin, Kyriakides, Ligeti, vooral Ligeti, Nancarrow, Stockhausen en Rzewski. Solostukken van al deze componisten worden in Shoes’ naadloos aan elkaar gelast en ondersteunen, of worden ondersteund door beelden van schoenen. En dan hebben we het niet over de gewone.  maar de extravagante, uit Sex in the City afkomstige met torenhoge hakken.

Al aan het begin van haar korte concert van een uur kwam de pianiste op in een gewaagde, bordeelrode outfit met lange zwarte handschoenen. Onder een stout muziekje ontdeed zij zich in een soort van pseudo-striptease van deze onhandige dingen, kroop achter de piano en barstte los in een fascinerend concert. Op het podium stonden 16 monitoren die een kaleidoscopisch beeld gaven van de tijgerprintlaarzen van Mukaiyama. Hier was niets stouts aan te beleven, hier vielen fascinerende beelden samen met het ritme van de muziek. Hier was overigens goed hoorbaar dat de percussieve speelstijl van Mukaiyama die zo goed werkt in moderne muziek, minder goed uitpakt in de oudere muziek van Bach, Purcell of Chopin.

Ongeveer halverwege veranderde Mukaiyama van kleur: haar vermiljoenrode jurk maakte plaats voor een zwarte en daarmee begon ook een duisterder episode van haar concert. De speelse beelden van de laarzen werden grimmig. Een schoen van chocolade smolt, stelde zichzelf weer samen en smolt uiteindelijk toch. Een peperdure pump brandde tot aan de zolen af. En Mukaiyama speelde onverstoorbaar verder, ook toen een apparaat achter haar rug plastic schoentjes begon uit te spuwen. Er tussendoor knalde ze een energieke solo uit een speelgoedpianootje. Was dit een performance of een aangekleed recital? Ergens in het midden zou ik zeggen, in ieder geval bijzonder en ingenieus in elkaar gestoken en met een vette knipoog naar New Yorkse modekoningen.

LP2 in Las Palmas, Rotterdam: Tomoko Mukaiyama-piano. Sonic tapestry V: Shoes’ . Bijgewoond zaterdagavond 7 mei

Sara Tavares begrijpt als geen ander dat je achterover in het ritme moet gaan hangen om het te laten werken

8 mei 2011 |
Sara Tavares

Cover of Sara Tavares

Ongeveer tien jaar geleden stond er op het grote podium van de Rotterdamse concertzaal De Doelen een frêle en nog zoekende jonge vrouw, een singer-songwriter in een andere taal dan Engels. Soms in het Portugees maar meestal in het criollo van de Kaapverdische eilanden presenteerde deze Sara Tavares met minimale begeleiding haar cd ‘Mi ma bô’ die haar later internationale erkenning zou opleveren. Zondagmiddag was zij, inmiddels een wereldster,  voor een éénmalig concert terug  in Nederland, uiteraard in Rotterdam.

De betekenis van Rotterdam voor de Kaapverdiaanse muziek is immers aanzienlijk. Vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw kwamen veel Kaapverdianen naar de Rotterdamse haven omdat daar veel werk te vinden was. Velen vestigden zich er blijvend. Zo ontstond er een grote en hechte gemeenschap in de Maasstad. Veel van de muziek die in Rotterdam ontstond werd in doe-het-zelf studiootjes opgenomen en opgestuurd naar Kaapverdië, het land van morna.

De morna is gebaseerd op de Portugese fado, die we kennen van wereldsterrem als Amalia Rodrigues en haar opvolgers Mariza (Lissabon) en Cristina Branco (Coimbra). De Kaapverdische morna deelt veel met de Portugese, niet alleen de taal – ofschoon er veel in het lokale criollo wordt gezongen.  Sara Tavares verenigt beide culturen in zich en gaat zelfs nog verder over alle grenzen heen. Zij heeft kans gezien om muzikaal te putten uit heel Lusafrica (alle Portugeestalige landen op het Afrikaanse continent) en daar en passant Senegalese elementen aan toe te voegen. Ze opereert vanuit Lissabon, maar bestempelt zichzelf niet onterecht als multicultureel.

Bij Sara Tavares komt een veelheid aan muzikale stromingen samen:  morna, saudades, fado, batuco en zelfs ritmes uit Mozambique. Zij voegt daar haar enorme podiumuitstraling aan toe. In het verleden kon ze nog wel eens te ingetogen alleen de – vaak religieuze – teksten voorrang geven, maar zondagmiddag 8 mei ging het dak er af. Hoewel haar muziek steeds voortwiegt op luie ritmes en zelfs introvert lijkt, is het haar gevoel voor timing dat de zaal snel op en over het kookpunt weet te brengen. Ze begrijpt als geen ander dat je achterover in het ritme moet gaan hangen om het te laten werken. Waar de meesten een versnelling denken waar te nemen is er juist sprake van ritmische vertraging. Zo loopt de spanning snel op.

Hoewel haar concert in het teken van haar laatste cd ‘Xinti’ zou moeten staan speelde Tavares een dwarsdoorsnede van haar complete repertoire. Haar podiumpersoonlijkheid is enorm gegroeid: ze heeft het publiek aan een touwtje. Zelfs als het wat meer opdringerig wordt en een macho danser het podium beklimt, laat ze hem even zijn gang gaan om hem vervolgens met een simpel gebaar van het podium af te helpen. Wie denkt dat multiculti zo dood is als een pier had bij dit concert moeten zijn.

Willem Burgerzaal de Doelen, Rotterdam: Sara Tavares. Bijgewoond: zondagmiddag 8 mei

Superieur ingespeelde opnamen zijn nog geen garantie voor het afleveren van een referentie-cd

24 februari 2011 |

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest kent op dit moment een luxe zonder weerga: het brengt op twee labels tegelijk cd’s uit. Hoe dat kan? Het orkest tekende onder eigen naam bij BIS Records, het label waarmee de excentrieke eigenaar Von Bahr de ene na de andere bijzondere opname uitbrengt, terwijl chefdirigent Yannick Néze-Séguin ouderwets als maestro onder contract staat bij EMI. Toen het RPhO nog onder leiding stond van Valeri Gergjev werden er nauwelijks belangwekkende opnamen gemaakt.  Volgens sommigen was Philips Classics, lang geleden alweer opgegaan in Universal Music, een verklaard tegenstander van samenwerking met het RPhO, al zei niemand dat hardop.

De enige grote opname die werd gerealiseerd op dit label (in 1996) is overigens een juweel. Het orkest maakte met Gergjev een standaardopname van Prokofjeff’s ‘Ivan de Verschrikkelijke’. Deze opname mag gelden als uitgangspunt voor  dit werk en voor het orkest. Zo klinkt het RPhO in topconditie in de eigen zaal, de grote zaal van concertgebouw de Doelen. Op grond van deze opname kunnen er onmogelijk nog bedenkingen zijn over de kwaliteiten van dit orkest.

Inmiddels is het orkest drastisch verjongd maar is de brille gebleven, getuige twee cd’s. De opnamen die volgenden op het concert waarmee Nézet-Séguin een succesvolle gooi naar het chefdirigentschap deed, zijn een prachtige getuigenis van zijn kunnen. De cd bevat werken van Ravel, en smijt de knuppel in het hoenderhok  met de 2e suite uit het hondsmoeilijke ballet ‘Daphnis et Chloë. Hiermee sleepte Yannick destijds de buit binnen en het is op deze cd hoorbaar hoe dat zo kwam. De uitvoering is top, Ravel op zijn best, ook in de overige werken. ‘Valses nobles et Sentimentales’, ‘La Valse’ en de ‘Cinq pièces enfantines’ uit ‘Ma Mêre l’ Oye’ worden zonder uitzondering op hoog niveau uitgevoerd. Dit schijfje werd in 2007 bij EMI ondergebracht  waarbij de opnamen in de Doelen plaatsvonden.

Op BIS verscheen onlangs een SACD hybride opname van Berlioz’ ‘Symphonie fantastique’  en ‘(La mort de) Cléopatre’. Met de symfonie gooide het RPhO in de zaal al vaak hoge ogen; memorabel is een serie concerten onder leiding van Sir Simon Rattle. Die deed zijn best om de zes door Berlioz voorgeschreven harpen bijeen te zoeken en liet de klokken uit de heksensabbath al slaand het podium op rijden. Ook Nézet-Séguin is tot heel wat in staat. De symfonie is doorzichtig wanneer dit nodig is ( in ‘Un bal’) en zweept op tot stormachtige proporties bij het onweer in de ‘Scène aux champs’  en in de ‘Songse d’ une nuit du Sabbath’. Anna Caterina Antonacci is een meeslepende Cleopatra (waarin Berlioz overigens op een heerlijke manier met zijn favoriete schrijver, Shakespeare, aan de haal gaat). De uitvoering is onberispelijk en het is bij vlagen pure opwinding die uit de speakers knalt.

Toch zijn geen van beide cd’s qua opname van de allerhoogste top, zoals wel in die mooie Prokofjeff-opname het geval was. Dat kan ook niet anders onder de productie van Anne Barry en opnameleider Erdo Groot. Bij de Ravel-opnamen, hoewel gemaakt in de Doelen, is iets niet in de haak. Er is achteraf aan de mengtafel teveel gerommeld aan het geluidsbeeld. De rafelige kantjes die het RPhO nu eenmaal heeft en de relatieve scherpte in de Doelen-akoestiek zijn eruit gefilterd. Zo lijkt het RPhO teveel in het keurslijf van een verkoopkanon geperst. Het klinkt te gelikt en gepolijst, zo ervaar je dit orkest niet in de zaal. Voor de opnamen van Berlioz moest worden uitgeweken naar Studio 5 op het terrein van het Muziekcentrum van de Omroep. Daar beschikt men over superieure opnametechniek en dat moeten we weten ook: de opsomming van alle gebruikte kabeltjes en stekkertjes in begeleidende boekjes wordt tot bizarre omvang opgevoerd. Al die techniek kan echter niet verhullen dat de beperkte ruimte van de studio te horen is in de opname. Vooral de achterkant van het orkest (pauken en slagwerk) knalt tegen de muren op terwijl in de middenstemmen in de strijkers, bij altviolen en celli, een te week en te droog geluidsbeeld ontstaat.

En dan zijn er nog de hoesjes. Die stralen – overigens net als de opnieuw ontworpen beeldmerken en opmaak voor drukwerk van het RPhO – teveel de kneuterige geest van de jaren ’70 uit. Elke ontwerper zal je vertellen dat de steunkleur geel in posters en folders niet werkt. De retro-opmaak van de cd-hoesjes zal wel verwijzen naar het sterrendom waarmee de labels derig jaar geleden nog wisten te scoren, maar het is juist die marketingopvatting die tevens hun bijna-ondergang rond de millenniumwisseling inluidde. De queeste naar sterren is een label kennelijk niet af te leren, ook niet met Nézet-Séguin. Hij prijkt prominenter op de voorkant dan de naam van de componist en het orkest. Jammer, fantasie en smaak zijn hier ver te zoeken, maar het geeft wel exact weer hoe de vlag er in de cd industrie bijhangt.

Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v.  Yannick Nézet-Séguin: Werken van Maurice Ravel: EMI Classics (2007); werken van Hector Berlioz: BIS Records (2010)

Yannick spoort zijn orkest aan tot een memorabele en historische uitvoering van Prokofjef’s vijfde symfonie

12 februari 2011 | 1

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest wordt door dirigenten verschillend gewaardeerd. Of je kunt er mee uit de voeten en dan is het feest, of het wordt nooit iets en dan blijft het bij een enkele dirigeerbeurt. Bovendien wordt de enorme reactiesnelheid van de musici gevreesd. Verder lezen

De muziek van Liszt is te belangrijk om links te laten liggen

30 januari 2011 | 1

Fransz Litszt, geboren in 1811, verkende in zijn werk alle hoeken en gaten van de piano en probeerde iedere denkbare techniek in zijn werk te integreren.  Omdat deze tijdgenoot van  Carl Czerny, Niccolo Paganini en Richard Wagner dit jaar 200 jaar geleden geboren werd, is er dus een Liszt-jaar.  Het Rotterdams Philharmonisch Orkest beet daarvan op vrijdag 28 januari het spits af met een uitvoering van Liszts Eerste Pianoconcert en zijn Faust-symfonie.

Hoewel Liszt goed bevriend was met het Hongaarse koningshuis, was hij – als vele andere kunstenaars van na de Franse Revolutie – niet meer uitsluitend aangewezen op de gunsten en de smaak van de rijke vorstenhuizen, die tot dan het aanzien van de kunst bepaalden.  Dat had voordelen, maar ook nadelen. Er was brood op de plank nodig en die kwam niet meer automatisch voort uit een dienstverband aan een hof maar uit inkomsten aan de zaal en uit de distributie van de composities. Samen met zijn slechts 2 jaar jongere schoonzoon Richard Wagner stond hij zo aan de basis van een muziekleven zoals wij dat tot op de dag van vandaag nog kennen. Het belang van Franz Liszt voor de muziekwereld reikt dus veel verder dan alleen zijn virtuositeit op de piano en als componist. Alleen al om die reden is het terecht dat 2011 een Liszt-jaar is. Voor velen zal het wellicht een geruststelling zijn om te weten dat 2 eeuwen organisatie van het muziekleven niet zomaar ongedaan kan worden gemaakt door een van dom populisme doordesemde politiek.

Toen Liszt zich waagde aan zijn eerste concert voor piano en orkest, rond 1830, voltooide Goethe zijn meesterwerk Faust (1932). Het was een tijd waarin de wetenschap zich stormachtig ontwikkelde, en dat betekende ook dat een kunstenaar als Liszt zich steeds op een nieuwe manier tot zijn werk moest verhouden. Niet alleen het pianoconcert dat het door het RPhO werd gespeeld onderging een serie revisies, ook het uitgevoerde ‘Eine Faust Symphonie’ werd niet in één keer aan het papier toevertrouwd: aan het pianoconcert begon Liszt dan wel in 1830, pas in 1856 was het af. In die 26 jaar tussen de eerste noten en de finale ontwikkelde Liszt zich van een tamelijk traditioneel componist tot een vooruitstrevend hemelbestormer. Vooral het eerste deel wijkt daarom sterke af van de rest van het werk door de voor die tijd gewaagde akkoordreeksen.

Pianiste Alice Sara Ott, een jonge Duits-Japanse, speelde blootsvoets  en had vingers die lang genoeg bleken om de ver gespreid liggende noten te omvatten. Liszt had, net als later Rachmaninov, enorme handen. Een piano wordt niet kleiner gemaakt dan hij is en daarom zal een pianist met kleine handen, hoe goed ook, nooit Liszt kunnen spelen. Ott deed het met niet alleen verve maar ook met smaak. Een al te groot spierballenvertoon bleef achterwege. Bovendien speelde zij naar hartelust met de dynamische vormgeving van de solopartij.

De Faust Symfonie (1857) kwam een decennium later tot stand dan ‘La Damnation de Faust’ van Hector Berlioz en dat was goed hoorbaar. In het slotdeel, geheel gewijd aan de figuur Mephistopheles, is de invloed van Berlioz goed merkbaar. Bovendien experimenteerde Liszt met de vorm en de dynamiek van de muziek. De eerste twee delen gaan over Faust en Gretchen (eigenlijk Margarethe), in het slotdeel komen er ook een mannenkoor (Nederlands Concertkoor), een ronkend orgel en een baritonsolist (Marcel Reijans) aan te pas.

Dirigent Yves Abel hield de boel weliswaar bij elkaar maar zorgde niet voor grote dynamische uitersten, laat staan het pandemoniumn dat Liszt toch had voorgeschreven. De vlakke, in het middendeel ‘Gretchen’ zelfs ronduit saaie uitvoering ten spijt was het concert toch de moeite waard.  De muziek van Liszt is te belangrijk om links te laten liggen. Het is een monument voor de tijd waarin het tot stand kwam.

Duitse documentaire over Alice Sara Ott:

Die Pianistin Alice Sara Ott euromaxx – MyVideo

Grote zaal de Doelen, Rotterdam: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yves Abel m.m.v.  Alice Sara Ott-piano, heren van het Nederlands Concertkoor, Marcel Reijans-bariton. Bijgewoond: vrijdag 28 januari

Diego del Morao doet zichzelf op Flamenco Biënnale in hoge mate tekort met onprofessionele podiumpresentatie

25 januari 2011 | 3

Tussen 21 en 30 januari 2011 vindt in Amsterdam, Utrecht en Rotterdam de Flamenco Biënnale plaats, een muziek en dansfestijn rond die mythische Spaanse oermuziek die geen mens onberoerd weet te laten. Een muziekstijl bovendien die zich parallel aan de geschiedenis van het Iberische schiereiland ontwikkelde, daar waar de cultuur van de uit India afkomstige Roma zigeuners samenkwam met die van de moren, christenen en joden, daar waar diverse volksverhuizingen hun sporen nalieten, daar waar Conquistadores en de Reconquista een definitieve rol speelden en zo Spanje maakten tot wat het nu is: een smeltkroes van culturen en stijlen die zich in de loop van de tijd tot een eenheid ontwikkelden en sinds mensenheugenis tot de verbeelding spreekt.

Binnen dit festival is er een focus op de cante jondo, de gepijnigde en extatische zang die vanuit de tenen lijkt te komen en het hele lijden der mensheid lijkt te willen uitdragen.  Een prachtige documentaire werd daarover afgelopen zondagavond op tv uitgezonden, ‘Goede zang doet pijn’. Toch is naast deze oerschreeuw, veelal begeleid door roffelende hakken en raspende gitaren ook ruimte gekomen voor vernieuwingen, zij het schoorvoetend. Toen gitarist Paco de Lucia in 1984 zijn lp One Summer Night uitbracht schudde de flamenco op zijn grondvesten. Een fretloze basgitaar werd ingebracht, een sax vulde de ruige zang aan, een scharnierpunt in de flamenco werd op de markt gebracht. De gitaargrootmeester zette de aficionados onherroepelijk aan tot reflectie over deze vernieuwingen, een ware scheuring dreigde. De flamenco purowerd bij monde van De Lucia’s tegenstrever Paco Peña uitgeroepen waarbij en passant de vernieuwingen bij het oud vuil werden gezet. Toch kon deze grootmeester niet verhinderen dat er steeds meer getalenteerde musici over de schutting van de traditie wensten te kijken.
Ook bij de nu lopende editie van de Biënnale is er sprake van deze brede blik. In het Rotterdamse Lantaren/Venster vond zondagavond de afsluiting plaats van het  festival deel aldaar. De verdediger van de flamencostijl uit Jerez, Moraíto Chico moest wegens ziekte afzeggen en werd vervangen door zijn zoon Diego del Morao met een solo-optreden van ruim een uur. Ofschoon Del Morao in allerijl in moest vallen was er nog wel het nodige op zijn optreden aan te merken. Diego del Morao is technisch gezien onbeperkt in zijn mogelijkheden en heeft een warme passie voor jazz. Dit wordt hoorbaar in de vele en zeer interessante akkoordwisselingen die de flamencostijl niet uithollen maar juist versterken. Ook ritmisch weet hij onverwachte wendingen te creëren en daarin tot grote hoogte te stijgen.
Maar zijn podiumpresentatie was een absolute ramp. Hij communiceerde alleen met die mensen uit het publiek die het Spaans machtig waren, legde bovendien niet uit wat hij speelde maar maakte flauwe grappen. Wat als nu een Nederlandse gitarist in Spanje zich zo zou manifesteren? Daarnaast ging Del Morao’s optreden mank aan een andere typische gitaristenkwaal. Het eindeloos om- en bijstemmen van zijn gitaar was minstens zo belangrijk als de muziek die hij zou spelen – het was zelfs nauwelijks duidelijk wanneer hij klaar was met stemmen en het nieuwe nummer inzette. Of wacht, toch nog even die ene snaar een beetje bijwerken en dan loos. Het applaus werd niet echt in ontvangst genomen – het was alsof het hier om een openbare repetitie ging. Dit provinciale en onprofessionele gedrag heeft menig gitaaropleiding aan de Nederlandse conservatoria de kop gekost, want deze manier van werken was ook daar eerder standaard dan uitzondering. Diego del Moreno dit hiermee zichzelf en zijn onbetwistbare talent enorm tekort. Door de diverse open stemmingen die hij gebruikt raakt zijn instrument van slag – zorg dan dat er een tweede instrument klaar staat zodat het concert voortgang kan blijven vinden.
Hoe een presentatie er wel dient uit te zien bewees het in ons land gevestigde Compasión, een samensmelting van flamenco en jazz. Gitarist John Fillmore, afkomstig uit Engeland maar in de jaren ’80 in Rotterdam aan het conservatorium geschoold schreef de gespeelde muziek veelal samen met saxofonist Steven Kamperman en klarinettist Paul Weiling. Slagwerker Antal Steixner zat schrijlings op de cajón (letterlijk een slagwerk-kist) en de cante jondo – niet hartverscheurend en verschroeiend maar verfijnd – steeg op uit de strot van zanger Carlos Denia Moreno. Door het balanceren tussen twee stijlen liepen de emoties niet al te hoog op maar was er sprake van een verfijnd en afgewogen concert.
Het is vooral uitkijken naar het slotconcert van 30 januari in het Muziekgebouw aan het IJ in Amsterdam waar het Nieuw Ensemble composities van Sotelo en Ali-Zade zal uitvoeren. Flamenco en avant-garde klassiek komen hier samen.
Lantaren/Venster, Rotterdam: Flamenco Biënnale met Diego del Morao, gitaar en Compasión, flamenco-jazz. Bijgewoond: zondagavond 23 januari

Dirigent Ono staat niet met de laarzen in de blubber en gaat dus niet met een voldoende naar huis

14 november 2010 |

Foto: Herbie Yamaguchi

Rotterdam – Dat elk nadeel zijn voordeel ‘hep’ wordt vaak zichtbaar bij de symfonieorkesten. Zo staat een chefdirigent doorgaans niet langer dan een week of twaalf per jaar voor zijn eigen orkest. De rest van zijn tijd verdeelt hij over de andere orkesten waar hij ook al chef van is. Zo is Yannick Nézet-Séguin inmiddels naast chefdirigent van het Rotterdams Philarmonisch Orkest opgestuwd in de vaart der volkeren en nu dus ook chefdirigent (vooruit: onder de bij ons niet bekende term music director designate naast principal Charles Dutoit) bij het Philadelphia Orchestra, één van de Amerikaanse Big Five. Hoera voor Yannick, helaas voor Rotterdam. Dat biedt echter voor minder voor de hand liggende dirigenten een kans om zich in de kijker te spelen en om zo tegen fikse gages meerdere chefdirigentschappen tegelijk in de wacht te slepen – leve de economie van het grote geld. Zo dirigeerde het afgelopen weekeinde de Japanner Kazushi Ono het RPhO in de Rotterdamse Doelen.

Ono wachtte een stevige klus daar het repertoire tot het hart van het RPhO behoort, zeker sinds de laatste twee decennia, sinds het fenomeen Valeri Gergjev. De vijfde symfonie van Dmitri Sjostakowitsj is zo’n werk. Waar het gaat om de duiding van dit werk wordt vaak naar de uitspraken van Mstitslav Rostropovitsj, vriend van de componist, verwezen. Het werk uit 1937 kwam tot stand onder de druk van de Partij en de Componistenbond die het in de toenmalige Sovjet Unie voor het zeggen hadden in de muziek en het Sjostakowitsj inmiddels knap lastig maakten. Een paar jaar eerder werd in de Pravda op aangeven van Stalin gehakt gemaakt van de opera ‘Een Lady MacBeth van het Minsk-district’. Hoewel Rostropovitsj als dirigent een vurig pleitbezorger was van dit werk, was zijn inschatting van de muziek niet altijd een correcte. Zo heeft hij altijd volgehouden dat de compositie ondanks de barre omstandigheden waaronder dit werk tot stand kwam, nooit een programma had. Dirigent Kurt Sanderling denkt daar anders over. Hij was tijdens de repetities in de aanloop naar de première in 1937 de assistent van dirigent Jevgeni Mravinski die de eerste uitvoering zou dirigeren en werd alleen al om die reden herhaaldelijk geconfronteerd met de rare Sovjet praktijken van die tijd.

Het programma in Sjostakowitsj’s vijfde is vergelijkbaar met dat van ‘Ein Heldenleben’ van Richard Strauss, maar dan in het echte leven geplaatst. In het bal in het tweede deel had de componist een soort Heksensabbath voor ogen in de trant van Berlioz’ Symphonie Fantastique. De razende wals wordt vlak na de aanvang verstoord door snerpende klarinetten: entrée Andrej Zjdanov, de gehate partijbons die verantwoordelijk was voor socialistische esthetiek. De steeds maar voort donderende kopersecties her en der in de symfonie worden gepareerd door een soloviool – de componist zelf wellicht? Zo ziet Sanderling het. Soms is de solo droef, dan weer hoopvol, maar het einde van de symfonie is open, ondanks de Beethoveniaanse herhalingen van het slotakkoord. Die herhaling is geen slot maar een pure parodie daarop, een open einde doordat het slotakkoord maar blijft doordrammen.

Ono is een dirigent die elegantie uitdraagt en de muzikale structuren wel precies in zijn gebaren weergeeft maar geen fysieke elementen daaraan toevoegt. Dat brak hem bij herhaling op in Sjostakowitsj. De inzet van het mismoedige largo was een complete misser, een ongelofelijke misinterpretatie. De klarinetten snerpten niet tijdens de wals waarmee onduidelijk werd wat er in de muziek nu eigenlijk gebeurde. En aan het begin van het slotdeel miste Ono de razende acceleraties die moesten leiden tot een zinderende ontknoping van dit werk: Ono was te netjes en te elegant. Voor een werk als dit dient de dirigent het aan te durven om met de laarzen in de blubber te gaan staan.

De opening van het concert was voor de Japanse componist Toru Takemitsu (1930-1996). Diens ‘A Flock Descends into the Pentagonal Garden’ is de neerslag van een partituur die zich laat lezen als een grafisch kunstwerk. In door klankerupties doorsneden verstilde orkestraties vertelt Takemitsu ons van een vlucht vogels die in een vijfhoekige tuin neerstrijkt. Qua elegantie was Ono hier wel op zijn plaats, maar de afwerking op het podium van de Doelen was erbarmelijk. Fraseringen werden structureel niet afgemaakt, inzetten waren ongelijk en de essentie van de muziek en haar structuur leek de dirigent geheel te zijn ontgaan.

Wel leverde Ono goed werk in Rachmaninov’s eerste pianoconcert, maar programmatisch gezien was het een raadsel wat zo’n conservatief, romantisch werk te zoeken heeft tussen de vooruitstrevendheid van Takemitsu en Sjostakowitsj. Desondanks leverde pianist Alexander Gavrylyuk een prachtige prestatie die dadelijk werd gepareerd door Ono. Dit was echter te mager om Ono nu met een voldoende voor het geheel naar huis te kunnen laten gaan.

Rotterdam, grote zaal de Doelen: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Kazushi Ono m.m.v. Alexander Gavrylyuk-piano. Werken van Takemitsu, Rachmaninov, Sjostakowitsj. Bijgewoond vrijdagavond 12 november.

Découvrez Kazushi Ono, portrait du nouveau chef d’orchestre de l’Opéra de Lyon sur Culturebox !

Anne Sofie von Otter in De Doelen: ‘klassieke’ Bach komt er bekaaid van af, triomf voor de ‘populist’ Handel

5 november 2010 |

Onder liefhebbers van de muziek van leeftijdgenoten Johann Sebastian Bach (1685-1750) en George Frederic Handel (1685-1759) is het gekissebis goed vergelijkbaar met dat tussen de aanhangers van Beatles en Rolling Stones. Bach is klassiek, Handel populistisch, Bach schreef verheven muziek, Handel platvloerse , Bach was (zijn Matthäus Passion uitgezonderd) beknopt in zijn muzikale statements, Handel emmerde oeverloos door. En zo voorts. Het concert van Anne Sofie von Otter, afgelopen donderdagavond in de Roterdamse Doelen, bewees het ongelijk van de Bach adepten en leverde een pure triomf op voor de Handel-aanhang.

De grote Bach verkeerde voornamelijk in benepen Duitse kerkelijke kringen en kwam het land niet uit. De informatie over de muziekpraktijk van over de grens kwam niet zelden uit de tweede hand, via studenten en reizende musici. De muziek die hij schreef werd lang niet altijd begrepen en zeker niet tijdens zijn leven. Niet zomaar legt de filosoof/schijver Douglas Hofstädter Bach naast de wiskundige Gödel en de graficus Escher op het fileerblok. Het gaat bij Bach om de vorm, de kathedraal van muziek.

Von Otter zong cantate BWV 35, ‘Geist und Seele wird verwirret’, een merkwaardig afwijkend werk met aleen een solostem en een uitgebreid obligate orgelpartij naast het kleine orkest. Uit de cantate ‘Vergnügte Ruh’ BWV 170 zong Von Otter alleen de naamgevende aria.

De begeleiding van Von Otter door Concerto Copenhagen en dirigent Lars Ulrik Mortensen was werkelijk voortreffelijk. Toch kwam de muziek niet echt van de grond, bewoog zich niet soeverein door de zaal. Mortensen, die in stijl vanachter de toetsen dirigeerde, bleef teveel aan het orgel als continuo instrument hangen – hoewel Bach dit in BWV 35 als solo-instrument voorschreef. Een meer flexibele afwisseling met het klaar staande klavecimbel had de muziek goed gedaan. Bovendien bleef Von Otter, hoe fraai ze ook zong in de vocale versieringen, teveel op een afstandje van de kern van de muziek.

Geist und Seele van Bach in de versie van Countertenor Andereas Scholl

Hoe anders ging dat na de pauze, bij Handel. Als Georg Friedrich Händel geboren, verengelste hij zijn naam toen de componist zich definitief na veel omzwervingen door onder meer Italië definitief in Engeland vestigde. Hij was een kosmopoliet die alle invloeden tijdens zijn reizen opgedaan in zijn muziek verwerkte. Bovendien was hij handig, commercieel zouden we nu zegen. Hij schreef zijn oratoria met de gewone man voor ogen: een bijbels onderwerp, opgebouwd rond een geheide hit en voornamelijk bedoeld voor luisteraars met zitvlees.

Heel anders zijn de veel minder bekende opera’s van Handel, meer afgewogen en overzichtelijk qua lengte. Hierin gaf Handel er blijk van zijn Italiaanse voorbeelden goed na te kunnen volgen. De aria uit Semele, ‘When you’re weak’ was mooi en egaal gezongen, maar in ‘Ogni vento’ uit de opera Agrippina ging Von Otter los en was vanaf dat punt niet meer te stuiten. Hier bleek wat een groot zangeres zij is, één van de groten van deze tijd. En hoewel ‘Verdi prati’ uit Alcina qua muziek niet zo veel om het lijf heeft wist de Zweedse zangeres er een prachtige draai aan te geven, direct vanaf de eerste inzet opgaand in haar rol. ‘Resign thy club’ uit Hercules deed haar over het podium zwieren evenals de toegiften uit Ariodante en Xerxes (‘Ombra mai fu’). Met bloemen en al zorgde Von Otter voor een triomf van Handel over Bach, die er deze keer bekaaid afkwam.

Ogni Vento in de versie van de franse sopraan Veronique Gens.

Grote zaal de Doelen Rotterdam: Anne Sofie von Otter m.m.v. Concerto Copenhagen o.l.v. Lars Ulrik Mortensen. Bijgewoond: donderdag 4 november.

De Russische ziel ontleed: religie en wodka zorgen voor morele dilemma’s

6 september 2010 |

foto Sl-Ziga

Door Willem Jan Keizer

Rotterdam – Met dank aan dirigent Valeri Gergjev krijgen we meer zicht op het enorme reservoir aan Russische componisten. Rodion Sjtsjedrin bijvoorbeeld. Vorig jaar werd een pianoconcert van hem uitgevoerd, zondagavond was dat in de Doelen diens opera voor het concertpodium ‘The Enchanted Wanderer’, naar het boek ‘De Betoverde Zwerver’ van Nikolai Leskov. De opera is opgedragen aan dirigent Lorin Maazel die in 2002 in New York ook de première dirigeerde.

Verder lezen

Het cadeau van het RPhO aan de herrezen stad valt magertjes uit bij opening Gergiev-festival

5 september 2010 | 1
tim hugh

Tim Hugh

Door Willem Jan Keizer

Rotterdam – De vijftiende editie van het Gergjev Festival is vrijdagavond in bijzijn van Hare Majesteit de Koningin in concertgebouw de Doelen officieel van start gegaan met een concert van het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Valeri Gergjev. Hoewel het festival zich afspeelt op een kleine twintig locaties in de stad – niet alleen in de Doelen maar ook in de Laurenskerk, het conservatorium, museum Boijmans van Beuningen en tal van andere onverwachte locaties – is het festival in de stad nagenoeg onzichtbaar. Verder lezen

Papa leest de krant, mama breit en puberzoon hangt verveeld onderuit: opera heeft zo niets te zoeken in een concertzaal

5 juni 2010 |

Cora Burggraaf (foto Marco Borggreve)

Door Willem Jan Keizer

Concertgebouw de Doelen is een van de participanten van de Rotterdamse Operadagen maar ook een van de aanjagers achter opera in Rotterdam. Niet helemaal vreemd gezien de grote ontwikkeling van opera in ons land zonder een langdurige traditie in dit genre. Vrijdag- en zaterdagavond was de Doelen gastheer voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest in een semi-geënsceneerde dubbelopera, ‘L’Enfant Prodigue’ van Claude Debussy en Poulenc’s meesterwerk ‘La Voix Humaine’. Verder lezen

Operadagen in Rotterdam: muzikaal bevredigende ‘Toverdrank’ klem op klein podium

1 juni 2010 |

foto Ben van Duin

Door Willem Jan Keizer

Het is in de Maasstad altijd leuk redeneren geweest rond het thema opera. Eerst was er vanuit de geledingen der bestuurders geen belangstelling voor opera omdat er toch geen productiehuis voor opera bestond. Daarna werd er een nieuwe schouwburg gebouwd zonder dat er overigens sprake zou zijn van een eigen productiehuis voor opera. De belangstelling voor opera werd groter en groter hoewel er geen productiehuis voor opera bestond en nog later, na de eeuwwisseling, was er zo’n enorm aanbod aan opera dat er maar een festival omheen gebouwd moest worden ondanks het ontbreken van een eigen productiehuis voor opera. Volgt u het nog? De grootste grap van deze redenering is dat er allang een productiehuis voor opera in Rotterdam actief is en wel sinds 1984. Verder lezen

Johannes Passion van RPhO ontsierd door discutabele ingrepen: alstublieft, nooit meer doen

1 april 2010 |
(1618).
Image via Wikipedia

Rotterdam – Het Nederlands voorjaarsritueel, in de passietijd, levert een enorme hoop concerten op, meestal met Bach’s ‘Matthäus Passion’. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest speelde dit vorig jaar; nu lag de ‘Johannes Passion’ van Bach op de lessenaar. Yannick Nézet-Séguin dirigeerde het RPhO en het Nederlands Kamerkoor .

Verder lezen

RPhO: Thibaudet is een toppianist in Ravel, en dat met alleen de linkerhand

7 februari 2010 |

Door Willem Jan Keizer

Richard Strauss (1864-1949) heeft een merkwaardig oeuvre nagelaten. Hij was meer een kind van zijn tijd dan vaak wordt gedacht. Hij was een briljant instrumentator, had volledig grip op de noten die hij schreef voor een orkest of een solist. Maar qua programma, het onderliggende verhaal bij zijn muziek, sloeg hij vaak op bizarre wijze de plank mis.

Zonder een greintje gevoel voor humor schreef hij ‘Till Eulenspiegel’ en ’Don Quixote’. Hij koketteerde met de dood in ‘Tod und Verklärung’ en schreef opera’s (‘Elektra’ en ‘Salomé’) die baden in het bloed. Hij beschreef op infantiele wijze zijn huiselijke ongenoegens in de ‘Sinfonia domestica’ en portretteerde zichzelf in het groteske ‘Ein Heldenleben’ (1898). Verder lezen

Een dikke voetroffel als waardering voor Rotterdamse première Ossetische dirigent

12 december 2009 |

Door Willem Jan Keizer

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest heeft iets met Russen en Osseten. Na twintig jaar Valeri Gergjev stond er afgelopen vrijdagavond in de Doelen een streekgenoot van de fameuze dirigent bij het RPhO op de bok. Toegan Sochjev studeerde, net als Gergjev, bij de fameuze Ilja Moesin in Sint Petersburg. En ook hij concerteerde met pianist Alexander Toradze. In 2007 smeet hij als artistiek directeur de deur van de Welsh National Opera achter zich dicht na een naar zijn idee mislukte productie van Verdi’s ‘La Traviata’ en een slechte recensie. Hoewel hij al eerder in ons land dirigeerde, was het vrijdagavond zijn eerste keer in Rotterdam. Verder lezen

Geen angst voor de gecomprimeerde muziek van Pierre Boulez

24 november 2009 |

Door Willem Jan Keizer

Rotterdam – De Doelen eert dit seizoen de componist Pierre Boulez (1925) met een serie concerten onder de titel ‘Who’s afraid of Boulez?’. Kennelijk naar analogie van het schilderij van Barnett Newman, want de Red Sofa, de knalrode praatstoel voor uitleg voorafgaand aan het concert, komt er aan te pas. Dit is een vinding van een paar jaar geleden om op laagdrempelige wijze het publiek vanuit die stoel bij te praten over de te spelen muziek. De kleuren Yellow en Blue denken we er dan maar zelf bij. Verder lezen

Nieuw muziekensemble Lunapark blaast vol overtuiging leven in contemporain repertoire, maar mist podiumpresentatie

12 november 2009 | 2

Door Willem Jan Keizer

Crisis of niet, de trend is tegendraads. Hoewel aan de borreltafel klassieke muziek irrelevant wordt verklaard, schieten de ensembles die zich werpen op contemporaine muziek als paddestoelen uit de grond. De generatie die ensembles als ASKO / Schönberg of het Nieuw Ensemble opvolgt staat te trappelen.

Het Voorschotense Schreck Ensemble dat zich voornamelijk richt op de elektronische muziek van Luigi Nono is, na een lange periode van stilte, weer van start gegaan; in Den Haag is onlangs New European Ensemble gevormd. Ensemble Insomnio uit Utrecht treedt van het ene ophet andere moment uit de schaduw met prachtige uitvoeringen van contemporaine klassiekers en in Brabant is ensemble Lunapark van de grond getild. Verder lezen

DoelenKwartet zet Pierre Boulez in een context vol logica: Bach, Bartók, Kurtág

18 oktober 2009 |

Door Willem Jan Keizer

Op de vraag wat muziek eigenlijk uitdrukt, antwoordde Igor Strawinsky: ,,Muziek verwijst slechts naar zichzelf”. Decennia lang was dit het uitgangspunt van componisten, vooral ook die van de naoorlogse Darmstadter Schule. Daar werd een radicale breuk met het verleden bewerkstelligd, vooral een breuk met het subjectivisme van de romantiek waarvan werd gezegd dat het de weerslag was van de aanloop naar oorlog en geweld. Het DoelenKwartet plaatste gisteravond de muziek van ‘Darmstadter’ Pierre Boulez, in casu drie delen uit het Livre pour quator, tegenover delen uit Bach’s Das musikalisches Opfer. Verder lezen

Dirigente met potige mannetjesputters-aanpak vergeet te nuanceren.

16 oktober 2009 |

Door Willem Jan Keizer

De negende symfonie van Antonin Dvorak is dezer dagen veelvuldig te horen in de Rotterdamse Doelen. Dinsdagavond dirigeert Charles Dutoit het werk met het Londense Royal Philharmonic Orchestra, nadat het Rotterdams Philharmonisch Orkest zich er het hele weekend al over ontfermd heeft. Daarnaast dirigeerde de Amerikaanse Gisèle Ben-Dor met het RPhO de Nederlandse première van een tripleconcerto van Luis Bacalov. Verder lezen