Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Cultuurpers | 29 July 2014

Scroll to top

Top

Alles over Performance Art - Cultuurpers

Soul Seek is de eerste internetopera ter wereld. Met een knipoog naar Mulholland Drive.

10 mei 2012 |

“Voor mij is opera véél meer dan alleen muziek,” zegt de Israëlische regisseur Sjaron Minailo. “Het klinkt misschien een beetje hoogdravend, maar mijn internetopera past helemaal in de traditie van Richard Wagner. Soul Seek is echt een multimediaal gesamtkunstwerk, waarin mode, webdesign en digitale media, spel, cinema, theater, dans en experimentele muziek tot één geheel samenvloeien. Zonder dat één element de overhand heeft.”

Soul Seek van Studio Minailo is de eerste internetopera ter wereld. Op www.slsk.nl is deze opera gratis te bekijken, verdeeld over vijf scènes van ongeveer vijf minuten – met cliffhangers. Minailo: “Wie weet is ergens op een obscure site in Sri Lanka nog een andere opera online gezet, maar dit is de eerste opera die helemaal voor het internet is gemaakt.” Hij grijnst. “Nu hoop ik dat Soul Seek zo snel mogelijk viral gaat.”

Als regisseur is Minailo verbonden aan het Kameroperahuis. Ik leerde hem kennen tijdens onze studie Theaterwetenschap en samen maakten we een paar jaar onbegrijpelijk, vreemd bewegingstheater. Minailo studeerde af op zijn eigen kunstvorm: de MTV Opera. Een vermenging van hedendaagse opera, woest experimentele muziek en de snelle beeldenstroom van MTV-clips.

Soul Seek is het geesteskind van Minailo en componist / zanger Anat Spiegel. In vijf korte hoofdstukken toont de internetopera de bizarre wederzijdse obsessie tussen een flamboyante nachtclubperformer (gespeeld door Spiegel) en een haar eenzame bewonderaar (actrice Mira Helmer). De twee worden samengebracht door een spookachtige vrouw (danser Sophie Maczewski) die als een witgeschminkte doodsengel gewapend met twee mysterieuze speeldoosjes het lot van de twee vrouwen lijkt te sturen. In nachtmerrieachtige scènes verwisselen de vrouwen meerdere malen van rol, en van lichaam.

Minailo lacht.

“Mijn werk gaat bijna altijd over psychologische oorlogsvoering én fysiek geweld tussen vrouwen. Misschien is het verknipt, maar ik verdien de kost met vrouwelijk lijden.”

Zowel qua thema als in de beelden verwijst Soul Seek naar de iconische film Persona van Ingmar Bergman, die Minailo vorig jaar ook tot opera bewerkte, en David Lynch’s vervreemdende Mulholland Drive. De scènes worden voortgedreven door een dreigende soundscape, electropop, hoekige John Zornachtige kamermuziek en Spiegels warme, veelzijdige en soms croonende stem – die doet denken aan de expressieve rauwheid van P.J. Harvey met een losse, jazzy timing.

“Muziek is voor mij een taal zonder duidelijke betekenis. Soms lijk ik meer een choreograaf dan een theaterregisseur. Mijn regie werd gestuurd door de muziek en de sferen, beelden en gebeurtenissen die daarbij naar boven kwamen. Het is zeker geen lineair verhaal, maar door het gebrek aan houvast ga je juist heel aandachtig kijken en luisteren.”

Als tieners zaten Spiegel en Minailo samen op de Thelma Yellin theaterschool in Tel Aviv, sindsdien werken ze samen. In 2009 werd Minailo gevraagd om tijdens de Operadagen Rotterdam een derde voorstelling te presenteren, naast zijn producties Elektra | Erwartung en La Femme Humaine. Minailo en Spiegel besloten een soapopera te maken – letterlijk en figuurlijk – bestaande uit vijf korte scènes, gespeeld in de foyer. Minailo:

“Dat hadden we in no time in elkaar gezet, maar we wilden er allebei graag nog op door.”

Drie jaar later kwam Soul Seek tot stand met een minimaal budget, en de grotendeels vrijwillige inzet van alle betrokkenen. In vijf dagen werd alles opgenomen. Toch heeft het project niets van de ongepolijste do-it-yourself grofkorreligheid die je daarbij zou verwachten.

“Ik ben een enorme esthetische zeikerd. Ik houd erg van die strakke, gelikte en mooi uitgelichte beelden.”

“Maar dat streven naar schoonheid is nooit een doel op zich, en zeker niet gebonden aan geld. Met een paar spotgoedkope LED-lampen en een HD camera kom je al een heel eind. Daarnaast had ik een team van goede mensen om me heen verzameld, die allemaal aanvoelden dat dit een heel bijzonder project zou worden. We hebben àlles en iedereen in onze omgeving ingezet om iets nieuws te kunnen maken. Heel postmodern allemaal.”

Fragmentarische eerste choreografie van kunstenaar Martin Creed is vrijblijvend, schetsmatig en mist spanning

27 april 2012 |

“We’ve been working on some songs and dances,” zegt beeldend kunstenaar Martin Creed, bijgestaan door zijn vijfkoppige band en vijf balletdansers. In zijn fragmentarische voorstelling onderzoekt Creed de relaties tussen de vijf basisposities uit het klassiek ballet, de springerige off-beat ritmes van zijn postrockbandje, en Creeds eigen videokunst. Dit is zijn eerste choreografie en dat is te merken. ”Works No. 1012 Ballet” voelt té schetsmatig en mist spanning. Ondanks de ranzige video’s.

Mechanisch bewegen de dansers zich over het podium. Als balletrobots. De absurdistische liefdesliedjes van Creed en consorten worden afgewisseld door hun statische, cyclische dans, op de klanken van losse noten of toonladders. De ballerina’s beperken zich tot vijf basisposities, maar de volgorde van de bewegingen blijkt heel complex.

De speelvloer is uitgemeten en opgedeeld met kruisjes, precies de lengte van één volle stap, waardoor de dansers zich kunnen oriënteren in de ruimte. Ze bewegen versneld of vertraagd, soms in canon of echo. Ze zijn onderworpen aan mathematische spelregels en stemmen hun bewegingen precies af op de dynamiek van de muziek. Maar in alles volgen ze de klanken van de grillige bandleider Creed. Na elke scène verdwijnen ze één voor één door een zijdeur, net zoals ze zijn opgekomen.

Het zijn vooral de kleine, spaarzame interacties tussen de dansers en muzikanten die ”Work No. 1012 Ballet” interessant maken. Toch blijft de voorstelling een serie kunstjes zonder grotere spanningsboog en blijft het té vrijblijvend. We gaan van schets naar schets. Van liedje naar dansje naar liedje, met op de achterwand geprojecteerde fragmenten van Creeds bij vlagen erg geestige, soms erg ranzige videokunst.

Creed heeft een reputatie voor uiterst minimalistische, what you see is what you get conceptuele kunstwerken. Zo won hij in 2001 de Turner Prize met zijn ”The Lights Going On and Off (Work No. 227)”, waarbij hij de zaallichten van één van de expositieruimte in de Tate Gallery aan en uit liet gaan. Of hij liet om de dertig seconden, vier maanden lang, een atleet door de Tate Britain rennen. Ook zijn zeer heftige en abjecte videokunst is net zo zorgvuldig bedacht en uitgewerkt.

Opeens is ”Work No. 1012 Ballet” afgelopen. Heel abrupt en onbegrijpelijk. Schijnbaar nog middenin een dansscène. “OK, that’s is,” roept Creed met een demonische grijns. Hij legt uit: “Tonight, we’ve been trying out some bits and pieces.” Daar moeten we het mee doen.  Het zaallicht gaat aan en onmiddellijk begint het nagesprek. Creed krijgt een fles champagne in de handen gedrukt en de gespreksleider vraagt of het publiek de kunstenaar nog iets te vragen heeft.

Gedurende dit alles speelt tegen de achterwand een scène uit Shit Film, ook videokunst van Creed. Een Aziatische dame hijst haar jurk op, hurkt, steun, kreunt en gaat pontificaal zitten kakken. Een handjevol mensen vlucht meteen de zaal uit. De rest blijft nog even zitten. Stomgeslagen.

Creed haalt zijn schouders op: “Dáárom  houdt ik ook zo van galeries. Die hebben geen stoelen, dus kan je sneller weglopen.”

Work No. 1020 Ballet door Martin Creed. Gezien: Akademietheater, donderdag 26 april.

Ibrahim Quraishi’s “My private Himalya” sprankelt door achterwege blijven van dramatiek

25 april 2012 |

Een tentje dat voor zeeanemoon op het droge mag spelen, de vier pootjes parmantig in de lucht. Acteurs die een kopje thee drinken en een potje kaarten. Het oogt allemaal heel onschuldig. Wat begint als een wonderlijke fotoroman groeit stilaan uit tot een rebus van aanzienlijke lengte. “My private Himalaya” heeft veel weg van een wandelende tentoonstelling, met een windmachine in de rol van de grote ‘curator’. Vadertje Tijd blaast uiteindelijk alle beelden op één grote, desolate en indifferente hoop.

Het was dinsdagavond bepaald geen volle bak bij Quraishi’s “My private Himalya” op Springdance. De gespannen en verwachtingsvolle sfeer, die eigenlijk bij premières hoort, ontbrak. De voorstelling ademde daardoor helemaal de weldadige rust van een goed museum. Alleen loopt bij Quraishi het publiek niet van het ene opgestelde naar het volgende ingelijste beeld, maar trekken de beelden juist aan het publiek voorbij.

Aan weerszijden van een lange witte vloer zittend, wordt het publiek in “My private Himalaya” slechts door tl-bakken en ‘blacklight’ van de acteurs op de ‘catwalk’ gescheiden. Acteurs zijn hier zowel dingen als mensen. Uit de interactie tussen die twee worden de beelden opgebouwd. Het publiek zit er met zijn neus bovenop, net zoals in het museum, en kijkt toe.

Quraishi vertelde in een recent interview hoe hij ooit tijdens de nachtmis in Salzburg enorm werd geraakt door een oudere vrouw, die in tranen neerknielde bij een plastic popje voorin de kerk. Wat voor de één een goedkoop ding is, is voor een ander de heiligheid zelve. Mannen houden van auto’s, mensen van dieren, en sommige Engelsen rouwen nog steeds om Lady Di, zonder dat zij ooit een intiem moment met haar hebben gedeeld.

In deze voorstelling danst een vrouw met een autodeur, probeert een jongen in gebarentaal met een immense buste van Socrates te communiceren en ben ik onder de indruk van een welgevormde, pluchen Yorkshire Terrier. Adoratie is de overtreffende trap van hechting en kent geen grenzen. Lady Di, het plastic Jezus-popje en je eigen moeder, ze zijn op een zeker moment inwisselbaar.

Hoewel een heel aantal scènes zeker een aangrijpende potentie hebben, worden de dingen en de mensen nooit tot ‘echt’ theater opgeblazen. De houding van de acteurs en het geraffineerde tempo, waarin de scènes worden opgebouwd en afgebroken, zorgen ervoor dat iedere dramatisering achterwege blijft. Ook het ronduit geweldige geluidsdecor van s.m. snider en Norscq bestaat uit een aaneenschakeling van subtiele understatements.

Terwijl Quraishi de ingrediënten voor de ene na de andere emblematische situatie opvoert en beelden slechts als ding behandelt, voorkomt hij iedere vorm van sentiment of opwinding. Hij bouwt, verbouwt, citeert, assembleert en tornt zorgvuldig de identificatie los. Hij laat de beelden zonder hun lading zien, speelt met afmetingen, schaal, proportie, timing. Om tegelijkertijd het belang en de onzinnigheid van het proces van hechting duidelijk te maken, kan hij geen dramatiek gebruiken.

Wat moet een mens met al die dingen, al die beelden van onszelf en van anderen, lijkt Quraishi zich stilletjes af te vragen.  Ze stellen ons in staat met elkaar te communiceren, grote verhalen te vertellen, gevoelens een plek te geven, maar het zijn ook heel venijnige wapens om elkaar onder uit te halen en kapot te maken.

Ooit moest hedendaagse kunst nieuw zijn, maar Quraishi laat zien hoe vergankelijk ook die claim is. Eigenlijk is alles wat hij opvoert op anderen terug te voeren. De beelden zijn geleend, het zijn clichés of emblemen, hoe verfrissend de tijdelijke constellaties ook zijn. Hij citeert ook andere kunstenaars. De witte vloer doet denken aan de beroemde performance van Franko B “I miss you“. Het tentje doet aan het werk van Ola Maciejewska denken en Aitana Cordero citeert in de voorstelling voortdurend zichzelf in haar eigen performance “Solo…?“, waarbij ze na een uiterst zorgvuldige compositie met dingen, de boel kort en klein slaat. Die woede ontbreekt “My private Himalaya”  ten ene male.

In plaats daarvan bergt Quraishi zijn acteurs, dingen en mensen, op in een ruisend graf. Alles blijft intact, de beelden worden verder gedragen, alleen de mensen verdwijnen steeds opnieuw uit beeld.

Meer info: http://ibrahimquraishi.org/ en http://www.macba.cat/en/expanded-choreography-situations

Traagheid en extreme duur maken van ”Wild Life Take Away Station” van Ibrahim Quraishi een mysterieus stilleven

22 april 2012 |

Bij binnenkomst is Wild Life Take Away Station al vier uur aan de gang. Twee performers – Diego Agulló en Ria Higler, een jonge man en een oude vrouw – slenteren als suffe zombies door de projectstudio van het Centraal Museum. Ze zijn bleek en spiernaakt, op hun rare sloffen en pruiken na. De twee liggen uitgestrekt over de bank, sjokken rond, drinken wat, laten zich vallen of kruipen tegen elkaar aan. Nietszeggende handelingen, uitgevoerd met uitgestreken smoelen. Wild Life Take Away Station is een meditatieve ervaring: je wordt ondergedompeld in een bewegend stilleven. Van uitgewerkte personages of een duidelijk verhaal is nauwelijks sprake, maar het blijft boeien.

“In mijn kunst probeer ik altijd de logica onderuit te halen,” vertelde choreograaf Ibrahim Quraishi mij in een eerder interview. “Als een kunstwerk nutteloos is, zonder duidelijke betekenis, dan krijg je als toeschouwer de vrijheid om het op je eigen manier te ontcijferen.”

Zo wordt alles en iedereen in Wild Life Take Away Station een onderdeel van een schijnbaar willekeurige compositie. Gedurende de performance lijkt het onderscheid tussen spelers, objecten en toeschouwers langzaam te verdwijnen. In een vervreemdende, luide soundscape zijn twee stemmen te horen, soms amper te volgen door rammelende stadsgeluiden, woest kabaal en kraaknoise. Soms in gesprek – ruziënd, vragend of geruststellend – maar vaker verzonken in dromerige monologen over hun onmogelijke liefde.

Diego Agulló en Ria Higler in ''Wild Life Take Away Station''

In de ruimte ruikt het naar gerookte paling, zweet, nat hooi, stoffige veren en smeulende theaterlampen. In het midden staat een grofhouten eettafel, bezaaid met etensresten en halflege borden, een afgebroken brood en glazen rode wijn. Als een klassiek stilleven. Verbouwereerd probeert een handjevol bezoekers zich een weg te banen door het kitcherige huiskamermeubilair, om niet teveel in de weg te lopen. Het maakt weinig uit: de performers kijken dwars door je heen.

De twee personages zien er dieptragisch uit, maar door hun hopeloze uitstraling en rauwe naakte lichamen krijgt alles wat ze doen een geestige ondertoon. De extreme duur en traagheid geven al hun handelingen, hoe klein of banaal dan ook, steeds weer een nieuwe, mysterieuze lading. Dus blijf je kijken. Uiteindelijk grijpt de vrouw haar partner bij zijn slappe lid, hij betast haar bejaarde borsten. Beide met tuinhandschoenen aan. “Auf wiedersehen” – fluisteren ze elkaar toe.

De originele versie van Wild Life Take Away Station stamt uit 2009 en duurde toen maar liefst 24 uur, non-stop. De versie op Springdance blijft beperkt tot (slechts) vijf. Na ongeveer een uur merk ik plotseling dat de soundscape opnieuw start. En realiseer me dat ik elk besef van tijd heb verloren.

 

 

 

 

 

‘Het voelde een beetje als de eerste keer seks: veel te direct, gehaast, overactief en grotendeels gebaseerd op onzekerheid’: Ivo Dimchev in gevecht met de draagbare kunst van Franz West

15 april 2012 |

‘What the fuck moet ik hiermee?’ was de eerste gedachte van choreograaf en performancekunstenaar  Ivo Dimchev (1976) bij de kunstwerken van de Oostenrijkse kunstenaar Franz West. Na Dimchev’s solovoorstelling Some Faves (2010) in Wenen zocht West, een veelbekroond maker van bizarre sculpturen en objecten, contact met de choreograaf. Hij vroeg hem om een geïmproviseerde video te maken op basis van zijn ‘adaptives‘: een soort draagbare aanraakkunstwerken.

 

In zijn ontregelende solovoorstelling I-on gaat de Bulgaarse choreograaf en performer Ivo Dimchev een absurdistische strijd aan met de draagbare kunstwerken van Franz West. Dimchev raakte gefascineerd:

“Ik voelde me sterk aangetrokken tot de absurditeit van Wests kunstobjecten: ze zijn totaal nutteloos, tegelijkertijd is het de bedoeling dat je ze als toeschouwer aanraakt en oppakt. Ze dagen ze je uit om er iets mee te doen. Maar wat? Ik had geen idee, maar ik houd ervan om beslissingen te nemen op basis van mijn eigen weerstand en tegendraadsheid. Dus ik besloot mee te werken.”

Dimchev – gelauwerd als choreograaf, performer en beeldend kunstenaar, wonend en werkend in België – sloot zich op met de draagbare sculpturen van West en filmde zijn eigen improvisaties. West was daar enthousiast over en gebruikte de videobeelden in zijn tentoonstelling, Dimchev zelf was er minder over te spreken.

“Het was nog teveel een losse improvisatie, zoekend naar een juiste vorm van lichamelijk contact met de objecten. Té ongericht. Het voelde een beetje als de eerste keer seks: veel te direct, gehaast, overactief en grotendeels gebaseerd op onzekerheid.”

Hij kreeg de kans om zich te revancheren. Een paar maanden later kwamen de twee elkaar weer tegen. Ditmaal in Rome, toen Dimchev daar zijn solo Lili Handel speelde. Op verzoek van West verzorgde Dimchev de opening van zijn tentoonstelling in Gagosian Gallery met een serieuzere, meer uitgewerkte performance: een strakke choreografie van 15 minuten op basis van twee van West’s adaptives. Later werkte Dimchev dat idee verder uit op grotere schaal in zijn solovoorstelling I-on, nu te zien op Springdance. Drie jaar sinds Paris (2009), zijn eerste choreografie op het festival.

I-on is een absurdistische collage van fysieke interacties tussen het concrete, menselijke lichaam en een aantal amorfe kunstobjecten. Afwisselend opgefokt, vervreemdend, komisch, verontrustend en beangstigend kalm. Maar altijd intens.

“Zo werk ik al jaren. Twaalf jaar geleden vertoonde ik mijn videokunst in een galerie in Sofia, en de curator kwam zich bijna verontschuldigen. Hij dacht dat ik werk van de andere jonge kunstenaars maar een saaie boel vond, want mijn performancekunst was in verhouding toch véél extremer? Dat was echt een verrassing. Ze vonden me extreem én een performancekunstenaar. Terwijl ik mezelf meer beschouw als choreograaf en danser, die alleen de extremiteiten opzoekt wanneer de compositie erom vraagt. Misschien lijk ik soms wel een hysterische gek die medische hulp nodig heeft, maar die intensiteit is een hele bewuste keuze.”

De kunstwerken van West hebben een podium nodig, stelt Dimchev. Daar komen ze pas echt tot hun recht. In een galerie is de relatie tussen de toeschouwers en de objecten té eendimensionaal en beperkend. Door de kunstwerken op een podium te plaatsen en er als performer mee in contact te komen, voor een publiek, ontstaan er talloze mogelijkheden voor interactie, interpretatie en context.

West gaf Dimchev het advies om de objecten in I-on zo abstract mogelijk te benaderen. Een goede tip, maar makkelijker gezegd dan gedaan, vertelt Dimchev:

“De adaptives zijn puur abstract, maar het menselijke lichaam is dat niet. Zodra die twee in samengaan, bestaat er altijd het risico dat de objecten opeens teveel een duidelijke functie krijgen. Daar gaat het me niet om. I-on gaat juist over het verlangen naar het onuitspreekbare – dat wat niet benoemd kan worden. Met mijn lichaam, de objecten, de soundscape en de dynamiek en intensiteit van de bewegingen probeer ik constant te balanceren op de grens tussen zin en onzin.”

I-On is op 19 en 20 april te zien  in de Stadsschouwburg Utrecht. 

”Talkshow” van kunstenaar Miet Warlop en filmwetenschapper Hilde D’haeyere is een te vrijblijvende slapstickcollage #dekeuze

28 september 2011 | 4

Ze bukt voorover.  Een enorm houten schot dondert over filmwetenschapper Hilde D’haeyere heen en smakt tegen de speelvloer. Ze blijft in leven door een uitsparing in het hout. Onverstoord veert ze op en gaat verder met het voorlezen uit haar essay: een wetenschappelijk traktaat over functie van slapstick in de stomme films van Charlie Chapin en Buster Keaton, én in het werk van beeldend kunstenaar annex theatermaker Miet Warlop. Verder lezen

Pure contactimprovisatie en vechtsport in confronterende performance van Japanse dansgroep contact Gonzo

21 april 2011 | 1

Contact Gonzo

 

Met hun naam verwijzen de vijf Japanners van contact Gonzo naar de gonzo-journalisitiek van wijlen Hunter S. Thompson. Rauw, hard en subjectief. Thomspon liet in zijn stukken ook zien hoe hij werkte. Contact Gonzo warmt op tijdens de voorstelling, maakt met wegwerpcamera’s kiekjes van elkaar en geeft de waterfles door. Gonzo-style: wat je ziet, is wat je krijgt.

Contact Gonzo houdt zich aan eenvoudige regels. Bijvoorbeeld zwaartekracht: springen en neerkomen. Of aantrekken en afstoten: duwen, trekken, zoals een rugbyscrum. Daarmee raken ze aan minimal art die zich hield aan een set parameters; men denke aan Sol LeWitt. Verder lezen

De diepere krochten van een volwassen filmfestival. Sven Schlijper op safari tijdens IFFR 2011

5 februari 2011 |

Lee Ranaldo

Het Internationaal Film Festival Rotterdam viert zijn veertigste editie met een toepasselijk XL-programma. Dat Romeinse cijfer XL duidt niet alleen de respectabele leeftijd aan. Het zegt ook iets over de maat: deze veertiger barst met het intigerende programma ook uit zijn jasje, met vertoningen op niet minder dan veertig plaatsen doorheen heel de binnenstad van Rotterdam. Binnen de festivalmuren is naast de geijkte ‘feature films’ een ware overvloed aan cinematografische en andere verrassingen te vinden. Niet alleen voor filmliefhebbers was deze editie een must. Ook wie vanuit de mediakunst- of muziekwereld het uitgebreide programma onder de loupe nam, kon zijn hart ophalen.

Sight Unseen

Maandagavond 31 januari even na de klok van negenen en een spotlicht tekent een cirkel op de vlakke vloer van Zaal 1 in Lantaren/Venster. Twee grote schermen tonen foto’s en films van Leah Singer, er tegenover twee gongspelers met tussen hen in nog een scherm waarop een eindloze loop van een roadmovie geprojecteerd wordt. Boven het middenpunt van de cirkel hangt een elektrische gitaar, aan een kabel vanaf het plafond. Met een kleine hangbeweging ter groet, stapt Lee Ranaldo de kring binnen; bezoekers zijn braaf net buiten de lichtbundel gaan zitten; anderen staan eromheen. Ranaldo bewerkt tijdens het volgende uur in de performance ‘Sight Unseen’ zijn ‘battle scarred’ gitaar (die vast en zeker heel wat te verduren heeft gehad tijdens de vele tournees met Sonic Youth, de band die Ranaldo mede heeft opgericht) met strijkstok, drumstokken, geklop , twinkelende bellen en zijn iPhone. Nooit beroert hij de snaren zoals je gewend bent en vrijwel steeds krijgt de gitaar een slinger en zweeft het instrument resonerend door de ruimte.. Voor menig IFFR-bezoeker is deze uitvoering van Ranaldo en zijn vrouw Singer inderdaad een nog nooit geziene (laat staan: gehoorde) vertoning. Feedback, noise, galmende gitaar en dito gongen; vlagen ambiente tonen, een fikse dosis dissonantie en ronkende distortion als fundament: dat is bepaald andere koek dan een strijkje van John Barry of Badalamenti’s doemjazz.
http://www.leeranaldo.net/

http://www.facebook.com/home.php?#!/profile.php?id=100000935206696

(Wan)smaak

Op een festival als het IFFR grijpen wellicht onvermoed zelfs, verschillende programmaonderdelen naadloos ineen. Dezelfde bioscoop is een paar dagen eerder namelijk het lokaal voor de verzengende performance art, video- en noiseshow van het losgeslagen trio Coolhaven. Menigeen zit met de vingers in de oren, schrikt op bij een theatraal fraai gevonden chiropractie-element of schudt meewarig het hoofd; zich afvragend of dit nu ware avant-garde is op het dadaïstische af of gewoon wegkomen met een aaneenschakeling van zo groot mogelijke onkunde. Hoe dan ook: Coolhaven werkt vaardig met een balans of disbalans zo u wilt, tussen sonische en visuele overdondering, waarbij het antwoord op de vraag of het hier smaak of wansmaak betreft, in ieder geval door de band in een luchtledig midden gelaten wordt. Als lachende derde; als een lachend drietal.

http://www.coolhaven.nl/cd.html

Resonantie

Een andere connectie dan die van de noise tussen Ranaldo,  Coolhaven en de rest van het IFFR-programma ligt in Manon de Boers portert van meesterpercussioniste Robyn Schulkowsky: ‘Think About Wood, Think About Metal’. De Boer filmt Schulkowsy’s studio, haar instrumenten, resonerende paukenvallen en klankschalen en vingers die een metalen percussie-object beroeren om er de meest wonderlijke klanken aan te ontlokken. Ondertussen vertelt Schulkowsky over haar geschiedenis als uitvoerend musicus in Keulen, toen John Cage en Karlheinz Stockhausen daar hun baanbrekende composities schreven. Die werden niet zelden door haar uitgevoerd. Haar liefde voor percussie en de tactiliteit van aanraking die resonantie voortbrengt, is terug te zien en horen bij en in de avant-gardistische muziek en performancevorm die Lee Ranaldo kiest.

http://www.ecmrecords.com/Catalogue/New_Series/1500/1564.php?lvredir=712&doctype=Catalogue&acat=Artists%2FSchulkowsky+Robyn%23%23Robyn+Schulkowsky

http://www.augusteorts.be/projects/project/51

Brille vs Draak

Muziek en beeld kunnen elkaar versterken, eenzelfde verhaal vertellen, elkaar afvallen of aanvullen en van deze varianten waren vertoningen op het IFFR mee te maken. Het drakerige en te graag gewilde, maar geforceerd vertelde en eigenlijk flinterdunne ‘AUN – The Beginning and End of All Things’ wordt van totale ondergang gered door de briljante soundtrack van de hand van de Weens elektronicatovenaar Christian Fennesz. Zijn werk vindt over de hele wereld zo gretig en veel aftrek dat een uitgave voor de hand ligt. Waar ‘AUN’ de handen niet op elkaar lijkt te krijgen voor roulatie, vindt de muziek zo vast een welkom thuis bij de liefhebbers van diepe basgolven, hoge pulsen en zalvende ambient.

http://www.fennesz.com/

Devotional Cinema

En wat als het helemaal stil is? Als zelfs de trilfunctie van de mobiele telefoon uit moet? Als je bijna niet durft te ademen zelfs, bang om de bezwerende stilte te doorbreken? Dan treedt een waarlijk meditatieve toestand in die op zen-achtige wijze verwondert, geruststelt en loutert. De ‘devotional cinema’ van Nathaniel Dorsky maalt niet om en taalt niet naar een strikte scheiding tussen film en cinemakunst (of: videokunst, ware het niet dat Dorsky smalfilm gebruikt om het door hem gewenste effect te bewerkstelligen). Schermafmetingen, kijkafstanden, snelheid van afspelen; voor Dorsky zijn dat zeer essentiele aspecten van zijn werk. Kunst die balans als kernwaarde kent en in volstrekte stilte herkenbare beelden afwisselt met vlekkerige out-of-focus lichtstrepen. Een narratief dringt zich nooit op, maar een willekeurige aaneenschakeling van toevallige shots kun je zijn films absoluut niet noemen. In Dorsky’s ‘devotional cinema’ (die overigens en vanzelfsprekend niet op dvd verkrijgbaar is, noch op YouTube te vinden) is de meesterhand in elke seconde te zien en voelen. Op slechts 18 frames per tel vervoert hij de toeschouwer als op een droomtocht in een warm bad. Hij presenteert hints, de hersens willen als in een droomstaat begrijpen, maar alras blijkt dat een illusie en ga je vrij associerend op in de beeldenvloed en –gloed die kalm en vredig aan je voorbij gevoerd wordt. De meditatieve kracht van Dorsky’s ‘devotional cinema’ ligt in een intens louterende (uit)werking die na afloop ten diepste gevoeld wordt.

http://en.wikipedia.org/wiki/Nathaniel_Dorsky

Gras zal groeien over mijn werken

Op zijn geheel eigen wijze werkt de Duitse kunstenaars Anselm Kiefer ook met een zekere bezweringsformule om tot enige vorm van ontschuldiging als alternatieve loutering te geraken. Die zou erin mogen bestaan dat hij demomen een plek geeft, de verdorvenheid van de menselijke geest uit de geschiedenis en in hemzelf en ons allen wellicht tegelijk ook nog en dat hij desondanks en daarom juist: schept. Hij maakte in het Franse Barjac zijn eigen wereld; een labyrinth aan onderaardse gangen, vele metershoge torens, gebouwen die specifiek zijn opgericht om zijn werken een thuis te geven. Sophie Fiennes ging vier keer langs bij Kiefer, die geldt als één van de grootste levende kunstenaars van het moment. Zij maakte de documentaire film ‘Over Your Cities, Grass Will Grow’; een indringend verslag van Kiefer aan het werk. De ware scheppende inspirationele arbeid vanaf een tabula rasa komt niet in beeld. Wel toont ze de bevlogen en zeer welbewust werkende uitvoerend artiest Kiefer (alsof hij analoog aan Schulkowsky zijn eigen partituur vervolkmaakt in het maakproces), in liefdevolle en gepassioneerde omgang met zijn materialen en assistenten. Kiefers werkt spreekt; de man zelf nauwelijks en als hij aan het woord is, weegt elke zin zoveel als de loden last die zijn enorme doeken lijken te torsen. Op groot scherm komen Kiefers an sich al monumentale werken in lichtende projectie bijzonder indringend voor het voetlicht. De zeer smaakvol gekozen muziek van Györgi Ligeti, die de sympathieke camerabewegingen en regie begeleidt, draagt alleen maar bij tot een toestand van verhoogde mate van kippenvel en rilling. Dag in dag uit en vaak met groot materieel, schiep Kiefer in Barjac een eigen biotoop en ‘metropool’, om die vervolgens achter te laten en naar Parijs te vertrekken. Over zijn werk, over zijn stad in Barjac zal gras groeien. Het heeft hem nooit ervan weerhouden te scheppen, ook al is overwoekering onvermijdelijk nakend; die missie van de grote kunstenaar die coute-que-coute moet scheppen, spreekt uit elk moment van het buitengewoon geslaagde ‘Over Your Cities, Grass Will Grow’.

http://www.filmfestivalrotterdam.com/nl/films/over-your-cities-grass-will-grow/
http://www.publiekeomroep.nl/artikelen/het-uur-van-de-wolf-anselm-kiefer

XL

Dat scheppen van alle leeftijden en rangen en standen is, bewijst het XL-programma van het IFFR. Of het nu gaat om een generatief werk voor tig televisieschermen dat in totale duisternis noise en lichtflitsen toont (Telco Systems) of Martin Arnolds intrigerende stroboscopische fragmentatie van Disneyfilms. Of het nu gaat om filmtheater in je handpalm door een paar spiegeltjes op je iPhone te monteren (Palmtop Theater in V2) of videomapping in abstractie (Sebastian Cimpean in het Piet Zwart Instuut). Of het nu gaat om stills van Jan Svankmajer in het Tsjechisch Centrum Rotterdam) waardoor je over de schouder en minitieus snijdende hand van de animatiekeizer meekijkt of het Out of Fashionprogramma waarin imagodesigners en artistiek leiders van grote modehuizen in mode- en antimodefilms hun selectie hebben samengesteld. Op maar liefst veertig plekken in Rotterdam toont het IFFR verrassende en uitdagende werken die linksom of rechtsom een raakvlak hebben met cinema, beeldkunst, bewegende beeld, projectie; in de breedste zin des woords.

Veertig jaar en kwiek
Verbaast en verbijstert het IFFR al in het hoofdprogramma, met de toevoeging van en uitbreiding tot het XL-programma begeeft het festival zich nadrukkelijk op het gebied van de video- en mediakunst en brengt het zulks doend meerdere kunstwerelden samen. Hokjesgeest is aan het jubilerend IFFR duidelijk niet besteed. Kwiekfideel, fris en fruitig jong duikt het festival met jeugdig elan en wellicht een schalkse glimlach op het tijgergezicht de toekomst tegemoet die wellicht steeds meer er één zal zijn waarin film, (video)kunst, geluidkunst, muziek en moderne media in elkaar opgaan.

Het beste debat is misschien wel het vooraf bedachte debat: unieke conferentie in Amsterdam Zuidoost.

1 september 2009 |

Wie er afgelopen zondag op de Uitmarkt bij was, kan erover meepraten, en wie nooit naar debatten met een grote bobo- en abstractiedichtheid toe gaat, zal zijn of haar opvattingen bevestigd kunnen zien. Maar dan op een manier die spannend en opwindend belooft te worden: de Nederlandse kunstenares en Prix de Rome 2009-winnares Nicoline van Harskamp heeft namelijk niet alleen een conferentie georganiseerd, ze heeft hem ook alvast helemaal uitgeschreven.
Deze ‘scripted conference’ heeft als thema precies de vraag waarom het politieke debat meestal faalt en waarom we onze overtuigingen liever volgen dan bespreken. En stelt de vraag of vrijheid van meningsuiting gelijk is aan vrijheid. Van Harskamp heeft dit uitgewerkt in een gebeurtenis voor 35 acteurs, die een conferentie uitspelen in drie verschillende zalen op een typische vergaderplek. Ieder debat zal op zijn eigen, vooraf uitgewerkte manier ontaarden, of juist niet, of juist weer aan geen enkele voorspelling voldoen.

Any Other Business, Communicative Excellence in Civil Society and Politics door Nicoline van Harskamp (Engelstalig) 20 september van 13:00 tot 19:00 in Regardz Meeting Center Planetarium, Kromwijkdreef 11, Amsterdam Zuid-Oost. Toegang gratis
Reserveren via De Balie 020 553 51 00 of spinozamanifestatie@balie.nl

Inkijkje in penis en poepgat; voila de eenzaamheid van Steven Cohen

7 juni 2009 | 1

Door Ingrid van Frankenhuyzen

De Zuid-Afrikaanse performancekunstenaar Steven Cohen prakt Hitler, racisme en exhibitionisme in de blender tijdens het Holland Festival.

Steven Cohen -jood, homo en blank- balanceert op de rand van kitsch en kunst, smaak en wansmaak. Bij de ene helft van zijn publiek roept hij wrevel en ergernis op, de andere helft draagt hem op handen. Wat doet de Johannesburger om zo’n verdeeldheid te zaaien? In zijn beste werk, Chandelieruit 2002, laat hij zich filmen in een illegale nederzetting van de allerarmste zwarten aan de rand van zijn geboortestad. Verder lezen

Steven Cohen stelt doodshoofddrentelen uit. Holland Festival brengt nu zijn bewezen succesvolle performance ‘Chandelier’

14 mei 2009 | 1

Bij een bezoek aan Brussel  zagen we het al: Steven Cohen’s performance Golgotha was nog niet af. Dat heeft de zuid-Afrikaanse kunstenaar nu ook onder ogen gezien. Reden genoeg om met een ander project naar Amsterdam te komen voor het Holland Festival.
Op dit moment licht het Holland Festival de toeschouwers in over de programmaverandering, dus vertel het nog niet door, maar Steven Cohen komt dus nu met een drieluik, waarvan Chandelier het meest bekende is.  Dit is een registratie van een wandeltocht die Cohen maakte door de armste delen van de Zuid Afrikaanse townships, gehuld in weinig meer dan een barokke kroonluchter.
Meer informatie volgt.

Doodshoofddrentelen op Wall Street maakt van performance ‘Golgotha’ nog geen kunst…

27 april 2009 | 1

Zouden ze het in New York niet zo langzamerhand een beetje zat worden? Al die kunstenaars, komieken en onheilsprofeten die voor de straatnaambordjes met ‘WALL st.’ dingen doen die iets te maken hebben met angst, ondergang, doem en depressie? Natuurlijk is het daar een beetje een soort symboolplek, maar die begint langzaam maar zeker even sleets te worden als de voeten van de Piëta in de Sint Pieter. Verder lezen