Veilig uit de onderduik, maar dan?

24
0

Op zondag 19 april gaat de opera Polen in Plan Zuid in première in de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam. Componist Caroline Ansink en librettist Olaf Mulder baseerden zich op de herinneringen die Daniël Vermeulen (pseudoniem) optekende over zijn onderduik in Brabant en zijn daarop volgende hereniging met zijn moeder in Amsterdam in 1945. Drie vragen aan Caroline Ansink.

Waarom koos u dit onderwerp?

Je bent niet ingelogd. Login

Wanneer je hieronder een betaalknop ziet, betekent dat dat ik graag een bijdrage van je wil in de kosten die het schrijven met zich meebrengt. Door het artikel via Blendle te kopen, steun je mij rechtstreeks. Van de prijs gaat 30% naar Blendle, 21% naar de belastingdienst (BTW) en 10% naar de leveranciers van de techniek: Reporters Online. Ik houd 40% van het bedrag over. Vond je het artikel niet de moeite waard, kun je bovendien je geld terugvragen.
Soms staat hieronder geen betaalknop. Dan heb ik besloten het stuk gratis aan te bieden, of heeft een van onze sponsors het stuk mogelijk gemaakt.
Wanneer je abonnee wordt van Cultuurpers, kun je inloggen op de site en alle artikelen lezen zonder er apart voor te betalen. Van het abonnementsgeld gaat 21% naar de belastingdienst. De rest is helemaal voor Cultuurpers. Belangrijker nog voor ons is, dat we daarmee de site structureel in de lucht kunnen houden en soms ook mensen op pad kunnen sturen om een nieuwsfeit te gaan onderzoeken. Wil je abonnee worden, kun je gebruik maken van deze link.
Veel leesplezier, en wat je ook besluit: dank voor je belangstelling!
---

Het is een persoonlijk epitaaf voor de hoofdpersoon met wie ik bevriend was, maar die inmiddels overleden is. Het libretto is door een andere vriend geschreven. Het gaat over een kind dat anderhalf is als de oorlog begint en dat op zijn tweede wordt ondergebracht bij een katholiek gezin in Brabant. In 1945 keert hij als zesjarige terug naar Amsterdam. Zijn vader is gestorven in Bergen Belsen, zijn moeder heeft het kamp ternauwernood overleefd en betrekt een woning in de Rivierenbuurt, destijds ‘Plan Zuid’ geheten.

De jongen herkent in de uitgemergelde dame niet de vrouw die hem als tweejarige werd ontrukt en nu beweert zijn ‘echte moeder’ te zijn. Hij is zelfs bang voor haar en begrijpt niets van de joodse gebruiken die zij hem opdringt. Tijdens zijn onderduik is hij doordesemd geraakt met katholieke gewoontes en hij spreekt zelfs met een Brabants accent. Hij verstaat zijn Poolse moeder amper, omdat zij maar mondjesmaat Nederlands spreekt. Wat een gelukkige hereniging had moeten worden, ervaart hij als een ontvoering uit het paradijs.

Dit leidt tot een verstikkende sfeer, waarin het kind steeds gefrustreerder raakt en zich sterk gaat afzetten tegen zijn moeder en overige familieleden, die halsstarrig weigeren te assimileren. Tegen het einde van zijn leven schrijft hij zijn frustraties van zich af, waarbij hij met een scherpe, soms venijnige, maar vaker ook begripvolle en humoristische blik terugkijkt op het menselijk onvermogen. Achteraf begrijpt hij hoe beschadigd zijn moeder was, waardoor zij angstvallig over zijn joods-zijn waakte, panisch voor de wereld van de ‘goj’ die haar zo genadeloos vervolgd hadden.

Wat trekt u in dit thema?

Het verhaal over ontheemding, terugkeer en vervreemding is universeel, omdat het zoveel anderen treft. Bovendien gaat het ook over moederschap, over verbinding en loslaten, en over het universele thema dat je altijd probeert licht te vinden, zelfs in de diepste duisternis. Het relaas van de moeder van de hoofdpersoon is een soort samenvatting van de verhalen van mijn grootmoeders. Beiden werden weduwe, de ene sleepte haar twee dochters het kamp door, de andere bleef achter met een zoontje (mijn vader). En dan is daar het naoorlogse zwijgen, waardoor kinderen niet wisten waar ze aan toe waren, en het vermaledijde ‘niet meer teruggekomen’.

Hoe heeft u de opera uitgewerkt, verwijst u naar Jiddische muziek, naar werk van Joodse componisten?

Omdat het onderwerp voor mij heel persoonlijk en intiem is, heb ik gekozen voor een kleinschalige kameropera, met drie zangers en vier instrumentalisten. Ook de regie is sober en we spelen in kleine zalen. Letterlijke citaten van Joodse componisten heb ik niet gebruikt en ik refereer slechts terloops aan Jiddische muziek. De verwarring van het jongetje keert terug in de vorm. Heden en verleden buitelen over elkaar heen: de twee zangeressen en de zanger wisselen daarbij steeds van rol, zelfs binnen één en hetzelfde personage. In mijn muziek tracht ik de diepere lagen te verklanken van al die verwarrende gevoelens, borrelend onder de oppervlakte.