Met de Franse slag: Cappella Amsterdam zingt Ton de Leeuw

59
0

Ton de Leeuw woonde de laatste tien jaar van zijn leven in Parijs en studeerde in zijn jonge jaren bij Olivier Messiaen. Op 21 mei presenteert Cappella Amsterdam vier van zijn Franstalige koorwerken in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Op het programma staan ook werken van diens student en vriend Daan Manneke en van de jonge Franse componist Laurent Durupt. Acht vragen aan chef-dirigent Daniel Reuss en componist Daan Manneke.

Ton de Leeuw geldt als een van onze grootste componisten van de vorige eeuw. Wat maakt hem bijzonder?

Reuss:

Het staat buiten kijf dat Ton de Leeuw een van de grootste Nederlandse componisten is. Hij heeft een geheel eigen muzieksysteem bedacht, dat beïnvloed is door oosterse muziek. Hij heeft daarin heel consequente en meditatieve muziek gemaakt, die harmonisch is en Frans georiënteerd. Hij schreef ook veel Franstalige vocale muziek.

Manneke:

Ton de Leeuw was een internationaal gezochte en gewaardeerde docent: vanuit de hele wereld stroomde men naar Amsterdam om compositie bij hem te studeren. Ik had in 1968 een cursus muziekesthetiek bij Olivier Messiaen gevolgd, en herkende bij De Leeuw dezelfde ondogmatische en open houding ten aanzien van het componeren. Het stond voor mij vast dat hij mijn nieuwe leraar moest worden. In ons land gold hij als eigenzinnig en onorthodox, omdat hij zich onttrok aan gangbare stijlen. Hij ontwikkelde een eigen stem, meer gericht op belichting dan op ontwikkeling.

Ton de Leeuw
Ton de Leeuw

Zelf vergeleek hij zijn compositiemethode met de werking van een caleidoscoop. Het patroon lijkt dynamisch omdat het kleurenpalet voortdurend verandert, maar er komt geen enkele kleur bij, evenmin gaat er eentje af. Het is een in zichzelf ronddraaiend geheel, dat de illusie van beweging wekt. Zo schiep hij een circulaire tijdsbeleving, als een soort ‘eeuwigheid’ in een spiralen muziektrappenhuis. Ton is me zeer dierbaar, ik schreef als eerbetoon mijn Tombeau pour Ton de Leeuw 1926-1996, waarnaar mijn nieuwste cd vernoemd is.

Hoe verklaart u dat zijn muziek toch relatief weinig wordt uitgevoerd?

Reuss:

Het is inderdaad een raadsel waarom zijn werk zo zelden geprogrammeerd wordt, want elke keer dat Cappella Amsterdam die uitvoert, is het publiek erg onder de indruk. Het is toegankelijke en mooi klinkende muziek waar iedereen zich meteen in herkent.

De Leeuw studeerde bij Messiaen, horen we dat terug in zijn koormuziek?

Reuss:

Messiaen componeerde in een ander systeem, maar in Elégie pour les villes détruites hoor je wel Messiaen-achtige akkoorden. De taal van zijn leermeester is over het algemeen trouwens dissonanter en uitbundiger, wellicht ook vanwege zijn katholieke achtergrond. Messiaen is niet bang voor grootse effecten, De Leeuw schrijft meer behoedzaam en ingetogen.

Ton de Leeuw bestudeerde Indiase en andere oosterse muziek. Had dat invloed op zijn eigen composities?

Reuss:

Zeker, dat hoor je duidelijk in zijn muziek. Hij werkt onder andere met heterofonie, eenstemmige melodietjes die ontsporen, bijvoorbeeld aan het einde van Car nos vignes sont en fleur. En in het gebruik van gamelan-achtige effecten is de invloed uit Indonesië goed herkenbaar.

Naast de muziek van Ton de Leeuw klinken ook Psalmen van Daan Manneke. Zijn er muzikale raakvlakken?

Reuss:

Manneke heeft een eigen stijl ontwikkeld, maar in zijn vroege werken hoor je wel een verband met De Leeuw; later haakte hij meer aan bij iemand als Arvo Pärt. Een ander verband is dat ook Manneke veel Franstalige stukken heeft geschreven.

Manneke
Daan Manneke

Manneke:

Ik denk wel dat mijn muziek raakvlakken heeft met die van Ton de Leeuw. Dat zit hem bijvoorbeeld in het gebruik van modaliteit in plaats van een rigide atonale systematiek. We hebben ook allebei een feeling voor vocaal, lineair denken en een ‘romaanse’ sonoriteit met lange, cantando lijnen. Ook delen we een voorliefde voor de Franse taal, die een zekere verhevenheid en monumentaliteit genereert.

Tussen het ontstaan van Psalm 121 en Psalm 122 van Daan Manneke liggen veertig jaar. Zijn ze vergelijkbaar of juist heel verschillend?

Manneke:

Ik groeide op in Zeeuws-Vlaanderen en schreef Psalm 121 op mijn eenentwintigste voor een katholiek kerkkoor uit Sint Jansteen. In dit jeugdwerk hoor je invloeden van Francis Poulenc, de vroege Messiaen en Hugo Distler, maar ook van Sweelinck en het Geneefse Psalter. Hoewel ik destijds nog weinig componeergereedschap had, werd het stuk opgenomen in een bundel van een belangrijke uitgever. Het wordt wereldwijd nog elke week wel ergens gezongen, een staaltje beginnersgeluk.

Hoewel tussen beide zettingen een half leven ligt, waarin ik ook avant-gardistische muziek schreef, zijn er wel degelijk overeenkomsten. Bijvoorbeeld in het gebruik van modaliteit, de sonoriteit van het Frans en het mooie symbool van het getal veertig. Maar Psalm 122 is veel genuanceerder, symfonischer en wellustiger. Daar geeft de tekst ook aanleiding toe. Om een vergelijking te maken met instrumentale muziek: je zou 121 kunnen beschouwen als een ‘strijkkwartet’ en 122 als een ‘symfonieorkest’. Anders gezegd: 121 is protestant en 122 katholiek.

Er klinkt ook een stuk van de jonge Franse componist Laurent Durupt, die ik vooral ken van elektronische klankexperimenten. Hoe past hij in het programma?

Reuss:

Durupt vormt een contrastelement. Hij schreef een klankstuk, meer een etude in boventoonwerkingen dan een compositie met muzikaal materiaal. Er is wel een link met De Leeuw, omdat beiden met boventonen werken, maar Durupt gebruikt ook echt boventoonzang, dat horen we bij De Leeuw niet.

Wie van de drie componisten schrijft het meest natuurlijk voor de menselijke stem?

Reuss:

De muziek van De Leeuw en Manneke is heel natuurlijk voor de menselijke stem geschreven. De Leeuw gebruikt in Car nos vignes sont en fleur overigens wel kwarttonen, die we vooral kennen van muziek uit in Azië en Arabische landen. Ook de boventoonzang die Durupt ons voorschotelt is bij ons niet gebruikelijk, maar wel in andere culturen, zoals bijvoorbeeld in Mongolië. Durupt is wat experimenteler dan de andere twee, hoewel hij daarin teruggrijpt op de jaren zeventig. Elégie pour les villes détruites van Ton de leeuw is een rijp stuk van een echte meester.

Deel dit!
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •