Opening Night van Winternachten viert de kracht van volharding, en steunt schrijvers in gevangenschap. (Waarom soms een kartonnen tv uitkomst biedt)

0
Mohsin Hamid tijdens zijn Free the Word speech op Winternachten. Foto: Wijbrand Schaap

‘Schrijven en lezen zijn net als seks een vorm van versmelten. Literatuur is het bedrijven van onzuiverheid’. De Pakistaans-Amerikaanse auteur Mohsin Hamid kan formuleren. In zijn Free the Word-speech bij de opening van Winternachten in Den Haag brak de man, die met De Val van een Fundamentalist een internationale bestseller schreef, een lans voor onzuiverheid. ‘Zuiverheid’, zo vertelde hij het verzamelde literaire publiek, ‘verscheurt in plaats van verbindt. Juist door het toelaten van onzuiverheden groeit elk organisme, en dus ook elke samenleving.’

Ware, prachtig uitgesproken woorden, en nodig ook, want de wereld lijkt in de greep van zuiverheidsbewegingen. Islamfundamentalisme in het Midden Oosten, nationalisten in West-Europa en de VS: de hang naar een bestaan dat van vreemde smetten vrij is, wint overal terrein. Het zijn vooral schrijvers die daar de dupe van zijn. Farah Karimi, algemeen directeur van ontwikkelingsorganisatie Oxfam Novib, constateerde in haar speech dat de vrijheid, en vooral de journalistieke en literaire vrijheid, op steeds meer plekken onder druk staat. Onverdraagzaamheid, bedreven door terroristen en geloofsfanaten, is daarbij nog altijd minder verwoestend dan de onderdrukking door overheden. Wereldwijd neemt het aantal gevangengenomen en vermoorde auteurs schrikbarend toe.

Verdriet

De uitreiking van de Oxfam Novib PEN-awards, traditioneel onderdeel van de opening van Winternachten, was daarom ook dit jaar geen aanleiding tot feest. Zoveel valt er niet te vieren aan de beloning voor een Ethiopische journalist die in 2012 tot achttien jaar celstraf werd veroordeeld vanwege vermeende sympathie met terreur. Eskinder Nega bedankte PEN en Oxfam Novib in een persoonlijke brief die in al zijn eenvoud hartverscheurend was.

Milagros Socorro, de Venezolaanse journaliste die eveneens een PEN Award kreeg uitgereikt, kon wel aanwezig zijn. Haar verdriet over de verslechterde toestand in Venezuela spatte welhaast van het podium. Eelco Bosch van Rosenthal, gepokt en gemazeld in moeilijke interviews, kon weinig meer doen dan erbij staan en troosten.

Bus-TV

Toch was er ook hier een lichtpuntje. Niet dat dat altijd moet, maar toch, je wilt de verzamelde gasten graag met een optimistisch gevoel de borrel insturen. Welnu, dat kon. In Venezuela blijkt Milagros Socorro een van de initiatiefnemers te zijn van ElBusTV en dat is briljant in al zijn eenvoud. Venezolaanse journalisten, werkloos geworden in de sluipende golf van censuur die door de Venezolaanse mediawereld trekt, vertellen het nieuws aan buspassagiers, precies in de tijd tussen twee bushaltes.

Het is een vorm van vreedzame guerillajournalistiek. In deze tijden van digitale massacommunicatie is dit initiatief van minimaal bereik een voorbeeld van creativiteit met maximale impact. Best een reden voor feest.

Winternachten, dit jaar voor de 27ste keer in Den Haag, mag dan zelden feestelijk openen, uiteindelijk is het altijd een viering van de kracht van de menselijke verbeelding en creativiteit. Op naar de volgende 27 jaar, en zeker de komende drie dagen (en nachten).

Goed om te weten Goed om te weten
Winternachten duurt nog tot en met zondag 21 januari. Tickets en informatie.

Flink korten op kunstsubsidies! (Waarom een universeel basisinkomen noodzakelijk is voor het voortbestaan van de kunsten)

0

In Finland is een hoopgevend experiment begonnen. Ook in Nederland probeert men iets van de grond te krijgen, al dwarsboomt de regering de plannen vooralsnog. Waarom is onduidelijk. Want zelfs grootkapitalisten als Elon Musk (Tesla) en Mark Zuckerberg (Facebook) zeggen het nu: een Universeel Basisinkomen (UBI) is de enige manier waarop we onze samenleving en daarmee onze beschaving vooruit kunnen helpen. Invoering in Nederland zou ook nog eens betekenen dat de subsidies substantieel omlaag kunnen. Zoals die op kunst. Gruwelbeeld? Integendeel. Elke liefhebber van kunst, en zeker de makers, zou daar hartstochtelijk vóór moeten zijn.

Sinds er van staatswege subsidie wordt verstrekt aan de makers van kunst is legitimering van die subsidie en dus van de kunsten een issue. Dat werd pas echt een issue met de bezuinigingen van het eerste kabinet-Rutte. De aankondiging ervan zorgde al voor een stroom essays, speeches, schreeuwen en demonstraties, allemaal bedoeld om de kunstsubsidies te verdedigen en – vooral – te legitimeren.

Luxe bijstandsuitkering

Toch heeft kennelijk nog niemand een bevredigend antwoord gevonden op de vraag waarom relatief zo veel geld naar zo weinig mensen moet, met zo weinig direct meetbaar nut. De legitimeringsvraag is niet meer weg te denken. Daarmee komt vooral de kwetsbare, onderzoekende, vernieuwende en marginale kunst steeds meer in de verdrukking.

Kern van het probleem is dat het leeuwendeel van de kunstsubsidies bestaat uit personeelslasten: loon, honoraria. Het kost in tijden van economische tegenwind dan ook geen enkele moeite om kunstsubsidies te framen als een luxe bijstandsuitkering. Geld krijgen voor een potje kleien, of leuk op een toneel staan zingen? Iedereen zou dat wel willen.

Bedelaars

Geld vragen voor zo’n activiteit voelt dan ook steeds vervelender aan. Ik weet er alles van, want als journalist met cultuur in zijn pakket zit je nog dieper in die voedselketen. Het gevoel dat je een bedelaar bent, wordt zo almaar sterker, en dat is fnuikend. Niet alleen voor je zelfrespect maar ook voor je prestaties. Op die manier komen kunstenaars in dezelfde vicieuze cirkel terecht als zoveel anderen: baanlozen, arbeidsongeschikten, bijstandtrekkers en mantelzorgers. Iedereen moet overleven in een op wantrouwen gebaseerd systeem. Ondersteuning wordt alleen gegeven als aan hele specifieke eisen is voldaan. Er wordt feitelijk altijd een tegenprestatie verwacht.

Automatisering en robotisering maken steeds meer mensenwerk overbodig. Dan is een tegenprestatie in de vorm van arbeid steeds minder logisch. Tegelijkertijd willen we niet dat medemensen onder de armoedegrens terechtkomen. Dus laten we ze zinloos werk doen. Er is niets erger dan dat. En het kost ook nog eens geld.

Eenvoudig te financieren

Waarom niet iedereen in Nederland eenzelfde bedrag per maand in de hand geven, onvoorwaardelijk en zonder tegenprestatie? Een bedrag dat hoog genoeg is om de huur van te betalen en de dagelijkse boodschappen te kunnen doen. Daar bovenop is iedereen vrij om te verdienen en dus uit te geven wat ze wil. Het is eenvoudig te financieren uit de afschaffing van alle kortingsregelingen, aftrekposten en toeslagen die we nu hebben. Nu al kan niemand onder de bijstandsgrens zakken. We hebben daar wel een duur en compleet bureaucratisch, op wantrouwen gebaseerd controlesysteem voor nodig. Dat kost ons te veel.

Voor kunstenaars zal het basisinkomen een enorme verbetering inhouden. Omdat iedereen vrij is om zijn tijd zelf in te delen, zal de keuze om die tijd kunstzinnig of creatief door te brengen veel makkelijker worden. De verwachting is dat veel meer mensen dan nu ‘iets’ met kunst zullen gaan doen. Voor het eerst in de geschiedenis zal dat niet leiden tot verscherpte concurrentie en meer hongerende kunstenaars. Wat nog veel interessanter is: voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog zal de vraag naar legitimatie van kunstsubsidie tot een heel ander gesprek leiden. Een gesprek over emotionele, esthetische, dus intrinsieke waarde, meer dan economische waarde.

Ruilmiddel voor goederen

De prijsbepaling van kunst zal zonder de basale post ‘personeelskosten’ veel inzichtelijker worden. De kosten gaan niet meer over hoeveel uur iemand aan iets werkt, maar over hoeveel van welk materiaal er wordt gebruikt. Klei, verf, computers voor beeldend kunstenaars, kostuums, repetitieruimtes en decors voor theatermakers? Het is veel vanzelfsprekender om geld als ruilmiddel te zien voor materiële goederen dan voor diensten. Nog steeds kan er differentiatie zijn, en nog steeds kunnen personeelslasten deel uitmaken van een subsidieaanvraag, maar dan zal het gaan om extra geld dat wegens markteisen moet of kan worden betaald voor uitzonderlijke prestaties.

Kunstsubsidies bestaan nu voor een groot deel, tot soms wel 50%, uit directe personeelskosten. Die kunnen dus totaal nieuw worden vormgegeven. De miljarden die dat oplevert wanneer we de landelijke en lokale subsidies bij elkaar pakken, kunnen we weer inzetten om het UBI mede te financieren. Het zou de eerste keer in de naoorlogse geschiedenis zijn dat een extreme korting op de kunstsubsidies door iedereen wordt toegejuicht.

Liefhebbende rijken

Het zou ook de eerste keer zijn dat geld en prijs een ondergeschikte rol zullen spelen in de ervaring en waardering van kunst. Natuurlijk, er blijven genoeg liefhebbende rijken over die ergens enorme bedragen voor over zullen hebben, alleen omdat ze uniek willen zijn. Aan de basis wordt de situatie totaal anders. Het verschil tussen amateurs en professionals zal niet langer worden gedefinieerd door de wens of het vermogen om van de kunst te leven. Met een gelijk speelveld zal het wellicht gaan om de vraag wie er beter van kunnen leven, maar dat is een kwestie van waardering door brede, of juist heel specifieke groepen in de samenleving. Het gesprek over kunst en over subsidies zal meer gaan over de inhoud, dan over de hoogte van de aanvragen. Die is immers veel concreter vast te stellen omdat het over materiële zaken gaat.

Nu klagen kunstenaars nog terecht dat ze soms voor het opstellen van hun eigen tentoonstellingen moeten betalen, in plaats van dat het soms zelfs gesubsidieerde museum hén schadeloos stelt. Theatermakers die voorstellingen willen maken voor niet meer dan 10 toeschouwers? Dat kan met een UBI gewoon zonder dat iemand daar moeilijk over doet. Wil je optreden in een gouden decor, zul je dat wel moeten verantwoorden.

Utopia

De UBI-wereld zal, kortom, een totaal andere zijn dan de huidige wereld. Zoveel is zeker. Komt die wereld er daarom niet? Het lijkt allemaal utopisch, maar we leven in een tijd waarin we dagelijks geconfronteerd worden met werkelijkheid geworden utopieën. Niet alleen technologisch gaan we sneller dan iedereen steeds weer verwacht, ook in moreel opzicht lopen we soms voor.

Droom ik nu naïef van een totaal kunstzinnig geworden Nederland, waar kunstenaars in hooggewaardeerde burgers zullen zijn veranderd en iedereen ervaringsdeskundig is?
Droom ik nu naïef van een totaal kunstzinnig geworden Nederland, waar kunstenaars in hooggewaardeerde burgers zullen zijn veranderd en iedereen ervaringsdeskundig is? In de dagelijkse praktijk zal er helemaal niet zoveel veranderen. We zijn geen andere mensen sinds we het normaal vinden dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn en dus gelijk gewaardeerd moeten worden. Meer mensen eten vegetarisch dan ooit en de samenleving is nog nooit zo veilig geweest als de laatste jaren, zelfs als we het huidige religieuze en politieke terrorisme in de berekening meenemen. Allemaal revoluties die voor ze plaatsvonden ondenkbaar geacht werden, maar nu geaccepteerd zijn.

Legitieme keuze

Natuurlijk moeten we allemaal durven dromen. En als we dat woord te eng vinden, ook al zijn we kunstenaars, dan moeten we het gedachtenexperiment toch maar eens uitvoeren: wat als we het onvoorwaardelijke waarborgen van onze bestaanszekerheid nu eens doordenken? Wat als het bij het verrichten van werk, wat voor werk dan ook, niet meer gaat om de vraag of iemand ervoor kan of wil betalen en werken voor anderen een legitieme keuze wordt? Zou het niet mooi zijn als werken voor jezelf geen negatieve gevolgen voor anderen heeft? Dat je met je buurman of met de kapper gewoon kunt praten over wat je mooi, geestverruimend of ontroerend vindt, zonder dat die het gevoel heeft dat die tegen zijn zin voor die luxe moet betalen?

Bruto Nationaal Geluk

Financieel is het haalbaar. Het bruto nationaal geluk za erdoor toenemen, en daardoor zal ook het aantal ziekenhuisopnames en sterfgevallen als gevolg van depressie, stress en burnout afnemen, nog los van de winst aan productieve uren in het bedrijfsleven.

Natuurlijk zullen er altijd uitvallers zijn. Mensen die ondanks hun basisinkomen in de schulden raken, mensen die ondanks hun bestaanszekerheid geld willen blijven stelen van hun buren. We kunnen op die hooguit 5% structurele losers en eikels alleen niet een heel systeem laten instorten.

Mensen kosten nu eenmaal geld. Inwoners kosten nu eenmaal geld. Zelfs een extreme liberaal die ons land het liefst ziet als een BV, zal snappen dat iedereen binnen de ‘muren’ van die BV met zo min mogelijk gedoe in leven en dus potentieel productief moet blijven. We kunnen immers geen steden, bevolkingsgroepen of provincies wegsaneren? Laten we dan ook maar gewoon de consequenties nemen en zorgen voor een gegarandeerd basisinkomen voor iedereen.

Nu

Vraag is nu vooral: wanneer voeren we het in? Het aantal voorstanders van een Universeel Basisinkomen groeit snel. In één klap invoeren gaat alleen niet lukken, tenzij je er een revolutie of oorlog voor over hebt. Is het dan mogelijk om per sector een eerste stap te zetten? Ik zie het niet gebeuren dat de kunstsector zelf met het voorstel zal komen om de personeelslasten uit de kunstsubsidies te schrappen in ruil voor een vast basisinkomen voor elke medewerker. Wie bepaalt immers wie kunstenaar is, of medewerker?

Wat wel zou kunnen is een begin maken met gefaseerde invoering. Begin met een paar honderd euro per maand voor iedere staatsburger, in ruil voor een evenredig deel van de uitkeringen, toeslagen en subsidies die we nu nog hebben. Voer dat bedrag en die uitruil langzaam op. Laat de kunstsector daar nu eens ruimhartig aan meedoen, door niet bij de eerste uitruil van subsidie voor basisinkomen een mars te organiseren en te gaan schreeuwen, maar juist hartstochtelijk voor invoering te pleiten.

Wat als de Nederlandse kunstsector zo’n daad zou stellen om de beschaving echt een stukje dichterbij te brengen? Het zou de kunsthaters versteld doen staan.

‘Dit is God’. Choreograaf Thom Stuart zet Haydns Last 7 Words op dans.

0
Last 7 Words Dutch Don't Dance
Studio Oostrum

Eerst was er de Kinder Matteüs: een interactieve muziekproductie met de Holland Baroque Society en het Nieuw Amsterdams Kinderkoor. Nu brengt De Dutch Junior Dance Division met het Matangi Quartet Last 7 Words op muziek van Haydn.

Jij kwam toch elke dag in de kerk?, vraag ik Thom Stuart. Nee hoor, ontkent de choreograaf stellig. ‘Ik kom nooit in de kerk.’ Maar ik attendeer hem op het gebouw waar zijn De Dutch Don’t Dance Division eens haar studio had, een kapel van het huidige Medisch Centrum Haaglanden. Een enorm altaar getuigde daar van een vroom verleden van vele nonnen, terwijl dansers er flink op los oefenden in de grote zaal.

Niets met religie te maken

De reden dat Stuart een ballet maakt op Haydns The Seven Last Words of Christ heeft vooral te maken met Orlando. Die productie kwam in 2002 uit, in de Grote Kerk in Den Haag. Toen ook met het Matangi Quartet. Violiste Maria-Paula Majoor raadde Stuart aan iets met The Seven Last Words of Our Saviour on the Cross (eigenlijk zijn het zeven zinnen) van Joseph Haydn te doen. Nu, vijftien jaar later wordt dit hoog tijd.

Stuart heeft dus naar eigen zeggen niets met religie. Toch maakte zijn partner en collega artistiek leider Rinus Sprong de choreografie van de eerdergenoemde Kinder Matteüs, een opdracht van de Stichting Kinder Matteüs en later Festival Classique. De kerk of het geloof lijken beide danskunstenaars te achtervolgen. Net als choreograaf en voormalig artistiek leider van Het Nationale Ballet Rudi van Dantzig. Die had weinig met het geloof op, toch waren thema’s en titels van zijn werken flink religieus.

Muziek vormt de inspiratie

Na even doorvragen blijkt vooral de muziek de inspiratie te vormen voor Stuart. The Seven Last Words of Christ is een compositie uit de 18e eeuw waar later een strijkkwartet aan is toegevoegd en daarna tekst, zo legt hij uit. Het werk spreekt de dansmaker enorm aan. Hij kiest bij zijn nieuwste productie voor de instrumentale versie, die duurt een uur lang. De voorstelling is zo toegankelijk en compacter. Er moet immers ook gedanst worden.

Last 7 Words is natuurlijk te zien in een kerk, de Lourdeskerk in Den Haag. Hoe het eruit komt te zien is nog niet bekend, de eerste repetities moeten nog beginnen. Vast staat dat de choreograaf ooit zo onder de indruk was van muziek tijdens een mis dat hij dacht: ‘Dit is God’. Niet om de lat hoog te leggen, maar de verwachtingen voor Last 7 Words zijn alvast hooggespannen.

Last 7 Words is vanaf 10 maart 2018 te zien. Handig om te weten: Pasen vindt dit jaar plaats op 1 en 2 april.

‘Last 7 Words is een choreografie van Thom Stuart voor de 10 talenten van De Dutch Junior Dance Division, op de gelijknamige compositie van Joseph Haydn. Het Matangi Quartet verzorgt de live gespeelde muziek in de prachtige Lourdeskerk. De 7 sonates verhalen over de 7 laatste zinnen (of “woorden”) die Jezus sprak aan het kruis. Deze zinnen behandelen universele thema’s als wanhoop, pijn, vergeving, hoop, berusting en sterven.’

Carmien Michels, Europees kampioen Poetry Slam: ‘Ik hoop dat ik veel mensen die extra duw kan geven om op hun eigen ontdekkingstocht te gaan’

0
Carmien Michels ©Koen Broos

De beste performers zijn op het toneel een paar koppen groter dan in het echte leven. Dat geldt ook voor Carmien Michels. De schrijfster, performer, slam poet en duizendpoot in het culturele leven kende ik vooral van haar legendarische optredens tijdens het NK Poetry Slam in 2016 en de Nacht van de Poëzie in september 2017. Uitstraling en présence, die werkten tot in de achterste rijen van TivoliVredenburg in Utrecht.

In Het Gegeven Paard, het overvolle café onder dat festivalpaleis, is het allemaal veel prozaïscher. Vlaams bescheiden, zoals wij Hollanders dat noemen. En zo gewoon gebleven, wat hier te lande een pre schijnt te zijn. We kunnen het ook anders zien. Buiten de spotlights wil Carmien Michels vooral gewoon kunnen leven.

Modeontwerpster

‘Ik was op mijn twaalfde al eens aan een boek begonnen’, vertelt ze, wanneer ik haar vraag of dat talent er altijd al was. ‘Vanwege een actie op school voor straatkinderen. Ik wilde daarover schrijven, dus schreef ik tijdens elke speeltijd. Daarna wilde ik toch liever modeontwerpster worden. Ik wilde eigenlijk altijd wat anders dan we moesten. Tijdens wiskunde of biologie las ik stiekem boeken, onder tafel. Klassiekers uit de Engelstalige literatuur, zoals 1984. Daarna vooral veel Zuid-Amerikaanse literatuur.’

De ster van Carmien Michels rijst inmiddels snel. Ze denderde in januari 2016 Nederland binnen met een klinkende overwinning tijdens het kampioenschap Poetry Slam, om niet lang daarna derde van de wereld te worden. In november van 2016 won ze met glans het Europees kampioenschap. Michels heeft het genre van de podiumdichtkunst, dat lang minder serieus genomen werd in de wereld van de letteren, een flinke boost gegeven.

Zoals ik op deze site constateerde na afloop van die legendarische NK-finale: ‘Met deze historische finale gaat de stand-up dichtkunst wel een nieuw tijdperk in. De voordrachtsvorm waar sommigen op neerkijken, omdat hij gaat over winnen, over applausmeters en over cijfers, zou alleen maar tot vervlakking leiden. Vrijdag 29 januari 2016 liet zien dat een poetry slam ook kan gaan over betekenis, stilte en ontroering.’

Leuven

Maar wie is die Carmien Michels eigenlijk? Misschien vertellen haar gedichten er iets over. In november werd haar eerste bundel in Nederland ten doop gehouden. Die bundel, getiteld ‘We komen van ver‘, bevat een vijftigtal gedichten, waaronder gedichten die haar volgers al kennen van haar optredens, maar ook veel nieuw werk. Een van de juweeltjes is het gedicht over Leuven, haar geboortestad.

‘De septemberkermis trekt koortsblazen aan

ondersteboven komt een zonderling

tot de beste inzichten die hij beneden

in de handtas van een hondenvrouw spuwt.’

[…]

Michels groeide op in de kleine universiteitsstad, maar wilde er zo snel mogelijk weg, vertelt ze: ‘Ik besloot al snel dat ik niet meer in Leuven wilde blijven. Ik wilde een opleiding doen die daar niet te studeren viel. In Leuven kon ik wel een dramaopleiding doen, maar er bestond niet zoiets als Woordkunst, dat onderwezen werd aan het Conservatorium in Antwerpen. Ik zocht dus allereerst een manier om buiten Leuven op kot te kunnen.’

‘De opleiding had mijn voorkeur omdat ik graag las en veel bezig was met taal. Ik wist niet direct wat ik ermee wilde doen. Op de website van Woordkunst stond ook dat je goed moest zijn in vragen stellen, omdat je er ook leert interviewen en radiodocumentaires maken. Dat sprak me erg aan, ook omdat ik erom bekend sta dat ik heel erg indringende vragen stel. Vaak vraag ik dingen en dan antwoorden mensen wel, maar zeggen ze daarna: “Ik heb nu iets verteld waarvan ik had gezworen dat het nooit iemand zou vertellen. Dat heb je me ontfutseld”.’

Podium

Op het conservatorium werkte Michels verder aan haar schrijftalent: ‘Ik was eigenlijk heel slecht in schrijven. De eerste twee, drie jaren schreef ik heel nare verhalen. Verhalen om het grote verdriet van de wereld te beschrijven. Het waren verhalen met zware thema’s en als ik die nu nog lees, denk ik: Oei, zó veel clichés. Maar ik moest dat wel doen om uiteindelijk vanuit een eigen waarachtigheid te schrijven.’

Het podiumdier Carmien kwam ook vrij laat tot wasdom, vertelt ze: ‘Mijn eerste optreden buiten de opleiding was tijdens mijn master. Ik deed toen mee aan de text on stage wedstrijd Frappant TXT. Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met slam poetry.’

Haaks

Ze ging zelf aan slam wedstrijden meedoen, eerst wel schoorvoetend. Het fenomeen wedstrijd staat een beetje haaks op het artistieke doel van een opleiding.’

En toch ging je door?

‘Ik ben altijd ongeduldig geweest. Altijd gedacht: beter nu dan nooit. Een medeleerling zei: “Wat? Ga je nu al een boek schrijven? Je bent 21. Je hebt nog niets te zeggen over de wereld!” Ik dacht: “Wat nu nog niet kan, ga ik op den duur wel kunnen.” Het is ook zo met poëzie. Het is eng, dus zeg ik tegen mezelf dat ik het nu moet doen, omdat het anders nooit lukt. Ik doe mezelf voortdurend allerlei uitdagingen aan. Ik beloof een dichtbundel aan de uitgeverij en denk dan pas: Shit, nu moet ik ook een bundel schrijven.’

Je website staat boordevol projecten: radiodocumentaires, museumprojecten, lezingen, muziektheater. Hoe houd je tijd over om te dichten?

‘Oh, die website is al twee jaar niet meer geüpdatet. Dus het is alleen nog maar meer geworden.’

Het is niet alleen veel, er zit ook een geweldige drive achter alles wat je doet, een ongewoon engagement.

‘Ik denk dat je gelijk hebt. In mijn eerste teksten en in mijn eerste roman zit inderdaad een soort gejaagdheid, een drive, een engagement. Ik heb in mijn dichtbundel juist geprobeerd om een rustpunt te zoeken. Om stiltes te laten vallen. Ik heb aan veel van die gedichten heel lang gewerkt om juist die combinatie tussen drive en verstilling goed te krijgen. Dat je wel een noodzaak voelt, maar niet dat je gelijk moet doorbladeren. Die rust probeer ik nu ook in mijn leven te vinden. Ik doe al twee jaar yoga.’

PEN Vlaanderen

‘Ik ben een workaholic en zoek steeds nieuwe dingen. Als ik me ergens in stort komen weer duizend ideeën in mij op, waarvan ik denk dat het zonde is om die niet op dat moment uit te werken. Recent was ik bij de bestuursvergadering van PEN Vlaanderen, en dacht ik: daarvoor wil ik me volledig inzetten: freedom of speech, auteurs in de verdrukking. Dus bedenk ik daar veel ideeën voor, die ik wil uitvoeren. Dan is het best vervelend dat ik al zoveel heb gepland.’

Veel gedichten zijn ook tijdens festivals geschreven.

‘Tijdens buitenlandse festivals zit ik in residentie en heb ik buiten het optreden niet zo veel te doen. Dan kan ik e-mails beantwoorden of gedichten schrijven. Dan poppen er wel dingen op. Ik weet hoe het openingsgedicht uit mijn bundel ontstond: ‘Baarkamer’. Ik liep door Londen op weg naar Tate Modern. Op het ritme van mijn stappen kwamen de eerste woorden en zinnen. Het ritme van dat gedicht komt voort uit mijn rare staptempo. Ik loop niet heel militaristisch, eerder heel quirky. Dat is ook zo met mijn parlando, dat dat soms onverwacht hapert en stokt. Dat past wel bij mijn schrijfstijl.’

‘Dit is de baarkamer

hier glanst mijn moeder

met open benen

boek om in te bladeren’

[…]

Elke volgende stap is onbekend

‘Ik hoor wel eens van mensen dat ik wandel als een raar dier. Een gans. Als kind vond ik het altijd leuk om niet te weten hoe mijn volgende stap zou zijn. Ik zette dus elke volgende stap wat trager of juist sneller dan ik zelf zou verwachten. Daardoor heb ik een aritmisch staptempo. Zo heb ik mijn eigen ritme en kom ik gemakkelijker tot gedichten. Het uiteindelijke werk is natuurlijk aan de schrijftafel.’

Veel rust is er niet om in stilte te schrijven. De psychiater zou vragen: ‘Waar ben je bang voor?’

‘Ik zit regelmatig in het vliegtuig voor die buitenlandse optredens. Het is niet dat ik grote vliegangst heb, maar ik ben wel bang voor controleverlies. Als er iets met het vliegtuig gebeurt is, er niets wat ik daaraan kan veranderen. Dat zorgt voor een ommekeer: opeens voel ik een soort berusting. Als het nu gedaan zou zijn, kan ik tevreden zijn.’

Yoga

‘Niet dat ik geen ambitie meer heb, integendeel, maar ik doe alles wat ik wil doen. Daarom vind ik die yoga ook belangrijk. Het is goed om stil te staan en te reflecteren. Dan heb ik tijd om tegen mezelf te spreken en niet de hele tijd dingenoutput naar de buitenwereld te sturen.’

Hoe wil je herinnerd worden?

‘Niet per se met een titel. Misschien is het dat wel: dat ik als kind al zag dat mensen om mij heen een leven leidden en dingen deden die ze niet graag wilden. Een kantoorjob, lusteloos thuiskomen. Ik zie dat ook in sommige vriendengroepen. Ik wilde daar heel graag uit weg.

Extra duw

‘Als ik herinnerd wil worden, wil ik vooral herinnerd worden door mensen voor wie ik iets heb betekend. Dat gaat niet over helpen, hè. Want soms kun je helpen uit medelijden, maar dan zet je jezelf boven iemand anders. Dat wil ik niet. Ik hoop dat ik veel mensen die extra duw kan geven om hun eigen ontdekkingstocht te maken. Ik vind het zo triest als mensen dat niet doen. Wanneer ze niet genoeg vragen stellen. Dat is waarom ik zo veel vragen stel. Om tot dat essentiële leven te komen.’

Wat voor advies heb je voor iemand die nu 18 is en jouw ambities heeft?

‘Word geen kopie van een ander. Besef dat je veel gemeen hebt met andere mensen. Ga op zoek naar de specifieke manier waarop jij naar de wereld kijkt. Zodat je je bewust bent van je programmering. Roem en wedstrijden winnen mag nooit een doel op zich zijn. Iedereen kiest een ander pad.’

Goed om te weten Goed om te weten

De bundel van Carmien Michels is te koop in de betere boekhandel en online.

Carmien Michels live meemaken? Het Schrijversfeest 2018 (op Festival Winternachten) wordt geopend door Carmien Michels die een van haar gedichten voordraagt. Vervolgens geeft Arie Storm, romanschrijver en literatuurcriticus (Het Parool, Vrij Nederland), zijn visie op ‘De Staat van de Nederlandse letteren’.

Filmtip: In Le Redoutable zit een running gag die te leuk is om te verklappen. (en waarom ik nu eindelijk Godards La Chinoise wil zien)

0
Louis Garrel (midden) als de revolutionaire Godard in Le Redoutable

Mag je grapjes maken over Godard? Jean-Luc Godard, de befaamde cineast die in de jaren zestig een van de aanstichters van de Franse nouvelle vague was. Michel Hazanavicius (The Artist) laat hem spelen door Louis Garrel in zijn Godard-biopic Le Redoutable. Een ode, jawel, maar gemaakt met lef en tot mijn grote opluchting ook ruimschoots doorsneden met bevrijdende ironie en schitterende tragikomedie. Er is zelfs een slapstick-achtige running gag die te leuk is om te verklappen. Maar het schijnt dat sommige hardliners er anders over denken. Voor hen is het maken van een film over Godard op zichzelf al een vorm van heiligschennis.

Louis Garrel en Stacy Martin in Le Redoutable

Le Redoutable – vanaf deze week in de bioscoop – zou in cinefiele kringen best eens een van de meest besproken films van 2018 kunnen zijn. Of moeten zijn. Wat een mooie manier om de herdenking van het roemruchte revolutiejaar 1968 in te luiden. Hazanavicius situeert zijn verhaal ook rond die tijd. Godards eerste films, waaronder À bout de souffle en Vivre sa vie hebben hem veel bewonderaars opgeleverd. Nu zien we hem worstelen met zijn ommezwaai van gevierd filmmaker tot activistische maoïst. En met de relatie die hij inmiddels heeft met zijn nieuwe muze Anne Wiazemsky (Stacy Martin), de actrice uit het pas voltooide La Chinoise. Deze ode aan de revolutie werd destijds slecht opgepakt. Nu onderdeel van het kleine, maar zeer aan te bevelen programma van gerestaureerde Godard-titels in EYE. Hoe kijken we er nu naar?

Verliefde blik

Ja, in sommige opzichten neemt Le Redoutable de vrijheid om Godard een beetje van zijn voetstuk te laten vallen. Maar is dat niet de beste manier om eer te bewijzen aan iemand die altijd alles in twijfel wilde trekken. Overigens wil Hazanavicius zijn film geen biografie noemen. Volgens hem is het een mengsel van één deel bewondering (de griezelig goede rol van Garrel), één deel gebaseerd op het boek van Anne Wiazemsky, en één deel fantasie van Hazanavicius zelf. Een liefdesgeschiedenis noemt hij het. De relatie met Wiazemsky is de drijvende kracht. Ontroerend en tragisch om te zien hoe dat wederzijdse vuur onvermijdelijk uitdooft.

Anna Karina in Vivre sa vie

Bij de voorvertoning van Vivre sa vie zag ik met hoeveel liefdevolle bewondering Godard daarin de actrice Anna Karina in beeld brengt. Hij was van 1959 tot 1965 met haar getrouwd. Ze speelt hier een verkoopster en would-be actrice die afdaalt in de prostitutie. Maar die verliefde blik combineert hij met een licht formalistische benadering, zoals dialogen die tegelijkertijd commentaar op zichzelf lijken te leveren. Alsof hij de mogelijkheden die de camera en acteurs hem bieden ter plekke onderzoekt. Een romanticus en revolutionair.

Moeilijk genie

Hoewel Le Redoutable regelmatig dergelijke typerende Godard-trekjes inlast, zoals de hommage aan Dreyer’s Jeanne d’Arc, is het niet bedoeld als citatenbundel.

Wel zie we hoe Godard zich ontpopt als revolutionair filosoof met een bijna zelfdestructieve neiging om de cinema te bekritiseren en opnieuw uit te vinden. Het heeft ook iets tragisch, want hij blijkt vooral een talent te hebben om anderen tegen zich in het harnas te jagen. Zelfs als hij uitgenodigd wordt te spreken op een bijeenkomst van het studentenprotest. Het was niet makkelijk om van Godard te houden. Ook veel fans moesten dat in latere jaren erkennen toen zijn films behoorlijk drammerig werden.

Zelfs in zijn vroege jaren was hij in de bende van de nouvelle vague (waaronder François Truffaut) al een eenling, en dat is nooit veranderd. Wie inmiddels Agnes Varda’s prachtige documentaire Visages Villages zag herinnert zich de aangrijpende scène waarin Varda haar oude vriend Godard opzoekt. Het moeilijke genie werd een kluizenaar. Voordat Hazanavicius met de opnamen van Le Redoutable begon stuurde hij Godard een brief. Geen antwoord. Later liet Godard via iemand anders doorgeven dat hij de film niet wilde zien.

Goed om te weten Goed om te weten

Le Redoutable draait vanaf 18 januari in de bioscoop.

Vanaf dezelfde datum zijn Vivre sa vie en Le Mépris te zien in EYE en de filmtheaters. Daarnaast alleen in EYE nog drie Godards uit de jaren zestig, de tijd waarin hij zijn meest levenslustige en speelse werk maakte: La Chinoise, Masculin féminin en Deux ou trois choses que je sais d’elle.

Ton de Leeuw door Groot Omroepkoor & RFO koperensemble: muziek van het ‘zijn’ versus muziek van het ‘worden’

0
Groot Omroepkoor, foto Ivar Pel

Eind negentiende eeuw begon de westerse muziek langzamerhand uit haar voegen te barsten. Componisten gebruikten steeds meer dissonanten zodat de vertrouwde tonaliteit nog amper in haar jasje paste. Vanuit een voortdurend verlangen naar nóg meer expressie werd het orkest uitgebreid met almaar nieuwe instrumenten. Dit leidde tot monsterproducties als de ‘Symfonie der Tausend’ van Gustav Mahler, met meer dan duizend uitvoerders.

Als tegenwicht zochten componisten inspiratie in de soberheid van oude kerkmuziek; anderen zegden zowel tonaliteit als symfonieorkest vaarwel. Het AVROTROS Vrijdagconcert zoomt hierop in met een afwisselend concert op 19 januari. De Britse dirigent Marcus Creed voert het Groot Omroepkoor door religieuze stukken van Bruckner, Tsjaikovski en Penderecki. Zij zingen bovendien twee Mahler-bewerkingen van Clytus Gottwald, onder andere van het adagietto uit diens Vijfde Symfonie. Last but not least vertolken zij samen met het RFO koperensemble Transparance van Ton de Leeuw.

Moderne eend in romantische bijt

Bijzonder, want het werk van deze vooruitstrevende Nederlandse componist wordt niet vaak meer uitgevoerd. Ton de Leeuw (1926-1996) gold bij leven als een van de belangrijkste, zoniet dé belangrijkste componist van ons land. Hij schreef ook het gezaghebbende boek Muziek van de twintigste eeuw, waarin hij moderne compositiestijlen helder en bondig analyseert.

Aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam leidde hij talloze navolgers op, zonder hen tot zijn klonen te maken. Zelf studeerde hij onder anderen bij Henk Badings en Olivier Messiaen. Anders dan vaak gedacht wordt was het niet de Fransman maar de Nederlander Jaap Kunst die een beslissende invloed op zijn ontwikkeling had. Deze etnomusicoloog was een groot kenner van Javaanse gamelanmuziek; De Leeuw leerde hem begin jaren ‘50 kennen. Kunst wekte in hem een levenslange fascinatie voor Oosterse muziek en filosofie.

Ton de Leeuw, foto Wim Jansen

Muziek van het ‘zijn’ versus muziek van het ‘worden’

Vanaf 1961 maakte De Leeuw vele reizen naar Aziatische landen, waar hij de klassieke muziektradities bestudeerde. Wat hem hierin trof was het ontbreken van het voor romantische componisten zo belangrijke ‘ik’. Het concept van een op ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ gerichte esthetiek was de Aziaat vreemd. Spoedt westerse muziek zich onderweg naar een onvermijdelijke grondtoon van hoogtepunt naar hoogtepunt, oosterse muziek schept ruimte voor bespiegeling.

Ton de Leeuw maakte een treffend onderscheid tussen muziek van het ‘worden’ en muziek van het ‘zijn’. Tegenover een hiërarchisch gestructureerde, op een einddoel gerichte ontwikkeling plaatst de Aziaat muziek die in wezen steeds hetzelfde is. Alleen verschiet zij telkens van kleur, als een caleidoscoop. Al snel ging De Leeuw oosterse compositietechnieken in zijn eigen stukken verwerken. Zijn muziek heeft een grote ruimtelijkheid en is vaak meditatief van aard.

Arabische mystiek

Dat geldt ook voor Transparance dat hij in 1986 componeerde voor achttienstemmig koor, drie trompetten en drie trombones. Het stuk heeft vier delen, elk gebaseerd op in het Frans vertaalde teksten van middeleeuwse Arabische mystici. Zij beschrijven de verschillende stadia van bewustzijn die zij doormaken op weg naar goddelijke eenheid. De titel is ontleend aan het tweede gedicht.

Transparance opent met een dissonant koperakkoord, waarna vrouwenstemmen pianissimo een eenstemmig gezang aanheffen in een traag tempo. Gaandeweg komt er meer interactie tussen blazers, vrouwen- en mannenstemmen en wordt de ritmiek levendiger. Het tweede deel begint verstild, met sierlijk door elkaar bewegende lijnen. Felle kopererupties doorbreken de rust, die echter snel weer terugkeert. Opvallend is de doordringende boventoonzang die de rituele sfeer versterkt.

Ten hemel

Ook het derde deel heeft met zijn herhaalde, golvende zanglijnen een ritueel karakter. De blazers ondersteunen de zangers met aangehouden samenklanken in wisselende formaties. De afwisseling van voor- en nazang herinnert enigszins aan het gregoriaanse gezang uit de katholieke kerk. Ook nu heeft de muziek een statisch karakter, slechts af en toe doorbroken door pittige uithalen van het koper.

In het vierde deel lijken de vrouwenstemmen ten hemel te varen op de tekst ‘Celui qui a l’attribut de l’éternité. (Hij die het kenmerk van de eeuwigheid draagt.) Een trompet klimt met hen mee naar een hoge slotnoot, die verrassend veel wegheeft van een verlossende grondtoon. Hiermee blijkt De Leeuw toch een iets minder vreemde eend in dit romantische concert dan verwacht. – Helemaal afzweren kon hij zijn westerse afkomst niet.

Meer info en kaarten hier. Studenten Conservatorium van Amsterdam €10 op vertoon van collegekaart
Het concert wordt live uitgezonden op Radio 4
Op 6-12-2017 draaide ik op de Concertzender de eenakter Antigone van Ton de Leeuw, gedirigeerd door Reinbert de Leeuw

 

Er komt een meldpunt voor seksueel geweld en intimidatie in de kunsten. Vraag is nog even wie dat gaat… eh… bemensen.

1
Waakhond. Foto: Brian Snelson op Flicker cc-by 2.0.

Goed nieuws! De hashtag #metoo heeft eindelijk tot een maatregel geleid. Er komt een meldpunt. Het persbericht kwam vandaag. ‘De podiumkunsten-, film- en televisiesector heeft de handen ineengeslagen en start een onafhankelijk en overkoepelend meldpunt voor ongewenste omgangsvormen.’

Dat is unieker dan je denkt. In podiumkunsten, en zeker ook in de film en televisiesector, is het rampzalig gesteld met de eenheid. Producenten, omroepbonzen en meer in het algemeen ‘bazen’ beginnen doorgaans hun dag niet voor ze de vloer hebben aangeveegd met de rechten van schrijvers, acteurs en ander klein grut zonder wie hun werk nooit te zien zou zijn. Mooi dus dat het op dit punt, het seksuele faunabeheer, wel is gelukt.

Koepel

‘Partijen zoals brancheverenigingen, beroepsverenigingen, fondsen en verenigingen van werkgevers- en werknemersorganisaties erkennen dat er een sectoraal probleem bestaat ten aanzien van een goede behandeling van klachten over integriteitsschendingen, discriminatie en (seksueel) machtsmisbruik.’

Het meldpunt wordt overkoepelend. Dat is vooral nodig omdat in deze sectoren mensen op allerlei plekken kunnen opduiken. Acteurs spelen in films, tv-series en hoorspelen, maar ook op het toneel. Regisseurs van het meer handtastelijke soort hebben hun acties bij musicals en op televisiesets uitgevoerd. Goed dus dat klachten centraal beheerd en beantwoord kunnen worden. Daarmee wordt het meldpunt ook wel heel erg groot. Misschien wel te groot voor de twee vertrouwenspersonen die het gaan bemensen.

Buitenstaanders

De keuze voor een duo is logisch. Slechts één persoon zou al snel van eenzijdigheid kunnen worden beticht. Alleen een man zal wellicht minder vrouwen tot klagen uitdagen, alleen een vrouw zou door de mannen aan de top verdacht gevonden worden. Maar dan zijn we natuurlijk vooral benieuwd wie de sector op het oog heeft. Zijn dat mensen met connecties, of juist volslagen buitenstaanders?

Ik zou erg voor dat laatste zijn, omdat de afhankelijkheden binnen de uitvoerende kunsten nogal groot zijn. Iedereen is kwetsbaar, en iedereen komt elkaar overal tegen. Het ons-kent-ons-gevoel moet vermeden worden.

Hebben we al suggesties? Ik kan er wel een paar bedenken. Deel je eigen suggesties in de comments.

 

ZEP gaat met comedy HABIB de heilige huisjes van de liefde te lijf. (Waarom Boef maar even moet komen kijken)

0
Fotograaf Govert de Roos

Bepaalde woorden zijn dus taboe. De Marokkaan Said vertelt dat zijn ideale vrouw maagd moet zijn, kuis, en dus hem niet mag … nou ja, dat dus. Dat woord dat je niet mag uitspreken. Dat vindt de Turkse Evrim weer grote onzin. Waarom het beestje niet bij de naam genoemd? In Habib, de nieuwste voorstelling van theatergroep ZEP, gaat het over alle facetten van liefde in tijden van culturele verwarring. De voorstelling, gericht op een publiek van 14 tot 88, is gedurende heel 2018 op diverse plekken in het land te zien.

De acteurs Evrim Akyigit en Said El Abboudi spelen in Habib personages die wel hun naam dragen, maar die iets meer hebben meegemaakt dan de acteurs zelf. Bart Oomen, de regisseur van de voorstelling, schreef de tekst op basis van gesprekken met de twee acteurs, maar verwerkte er ook andere verhalen in: ‘We zijn eerst over liefde gaan praten. In die interviews hebben we persoonlijke ervaringen gedeeld. Welke ga ik niet verklappen. Verder heb ik veel research gedaan naar liefde en seksualiteit. Ik vind het heel interessant om te zien dat mensen een migrantenachtergrond hele andere gedachten hebben over liefde dan wij. De eerste generatie ziet onze westerse opvatting van liefde vaak als luxe. Iets dat je je kunt veroorloven als je veel geld hebt.’

Rapper Boef

De recente ophef over uitspraken van rapper Boef zijn eigenlijk koren op de molen van ZEP: liefde, tradities en botsende opvattingen daarover zijn super actueel. De voorstelling zelf, die ik tijdens een repetitie zag, is vooral liefdevol en speels. Er valt genoeg te lachen. Toch valt op dat de teksten, gevat in een soort truth or dare steekspel, raken aan de opvattingen over moraal onder Turken en Marokkanen. Ook de kwetsbare positie van vrouwen in veel islamitische culturen komt aan de orde.

Bart Oomen haalt ook andere bronnen aan: ‘Ik heb veel inspiratie gehaald uit de film ‘Much loved’. Die film is verboden in Marokko. Het is prachtige documentaire-achtige film over prostitutie in Marrakech.

Een andere bron is de film Bezness as Usual, over een Nederlander met een Tunesische vader, over mannelijke prostitutie. Rondom die handel zit veel ongelijkheid, maar volgens mij weten alle partijen waar de schoen wringt. Wat heb je nodig? De een heeft geld nodig en de andere vergetelheid.

Het gaat niet alleen over religie of cultuur

Er gaapt juist rond de liefde een enorme cultuurkloof, vertelt Oomen: ‘Er wordt onder migranten ook vaak een beetje badinerend gepraat over over wat westerse mensen vinden hoe het zou moeten in het oosten. Misschien is het zo, maar misschien ook niet. Het gaat niet alleen over religie of cultuur. Er zijn andere dingen die daaraan ten grondslag liggen, zoals armoede. Liefde is een sociaal systeem. Ik heb in vorige producties ook veel met met acteurs van Marokkaanse of Turkse afkomst gepraat en dan hebben we het ook over liefde. Veel van de acteurs die ik ken hebben ouders die gekoppeld zijn. Dat is anders dan wij in Nederland gewend zijn. Maar een buitenstaander ziet ons en denkt ook “ja, wat Is dan liefde?”. Uithuwelijking is niet alleen slecht. Of je leert van elkaar te houden of je bent al verliefd op elkaar.’

Bangalijsten

En dan zijn er natuurlijk de taboes. Prostitutie, bangalijsten, slutshaming op telegram, er gaat nogal wat mis. De personages Evrim en Saïd zoeken in deze verwarrende wereld toenadering. Evrim: ‘Het zijn ook twee volwassen mensen die eigenlijk op zoek zijn naar wat ze met elkaar hebben gehad ondanks hun besmette verleden. Het is bijna een soort relatietherapie. Ze ontdekken allebei hun eigen verleden en hun eigen vaststaande beelden. Ze gaan een gevecht aan om elkaar weer recht in de ogen te kunnen kijken.’

Voor een jong publiek zou de voorstelling confronterend kunnen werken. De twee acteurs nemen geen blad voor de mond, en de verhalen die ze vertellen zijn best heftig. Saïd vertelt heel bevlogen over zijn bestaan als gigolo in Marokko, maar ook hoe hij een jaar toneelschool miste omdat hij uit geldgebrek een overval pleegde en werd gearresteerd. Evrim komt met een verhaal over hoe ze als jonge vrouw in handen viel van een loverboy.

Of het hun allemaal echt is overkomen zullen we nooit weten, maar het kan heftige reacties oproepen.

Invoelend vermogen

Bart Oomen (regisseur en auteur) Foto: Govert de Roos

Bart Oomen maakt zich weinig zorgen over de reacties: ‘Ik heb natuurlijk veel dingen voor jongeren gemaakt. Ik weet dat ze veel invoelend vermogen hebben. De toon maakt veel uit. We zeggen iets en relativeren het weer. We houden ruimte, als je dat niet doet ga je nat. Maar van de andere kant, staat er wel een vrouw die zegt: “Ik was hoer”.

Volgens Evrim maakt het ook verschil of je echt toneel speelt, waarbij je doet of het publiek er niet is, of dat je mét het publiek speelt: ‘De transparante stijl die we hanteren zorgt er ook voor dat het behapbaar blijft. Als je met de ‘vierde wand’ speelt dan gaan de kinderen veel eerder dingen roepen zoals hoer of slet. Toen we vorig jaar Hamlet speelden durfden ze dat veel sneller. Als je een op één met iemand in gesprek raakt, kijk je elkaar in de ogen en dan zal je wat genuanceerder zijn in je reactie.’

Emancipatie

Mensen zouden zich bewuster moeten worden van wat ze zeggen, vindt Oomen: ‘Hoer is een gebruikswoord geworden, terwijl vrouwen in 90 procent van de gevallen niet voor dat bestaan gekozen hebben.’

Maar uiteindelijk is Habib ook gewoon een frisse, leuke voorstelling geworden, benadrukken de makers. En de liefde wint. Saïd: ‘Het is theater; het is comedy, elkaar vliegen afvangen, over publiek heen gaan. Het is gewoon leuk, met lekkere muziek, nostalgische gedachten. En het gaat over toneel. Wat toneel voor ons heeft gedaan.’

‘Dat is wel authentiek,’ benadrukt Bart Oomen: ‘Hoe zij het als mensen met een andere afkomst hebben gered in de toneelwereld.’

Goed om te weten Goed om te weten
Habib van ZEP speelt vanaf 17 januari in het hele land. Inlichtingen.

‘We zijn ons te weinig bewust hoe goed het momenteel gaat.’ HRM-professor Paul Boselie over de toekomst van onze arbeidsmarkt.

0
Paul Boselie (Foto: Universiteit Utrecht)

Aanstaande donderdag gaat het in het Utrechtse muziekpaleis TivoliVredenburg eens een keer niet over muziek, maar over werk. Tijdens de bijeenkomst The Future of Work zal de internationaal vermaarde professor Paul Boselie een flinke knuppel in het hoenderhok gooien. Volgens de auteur van het internationale handboek ‘Strategic Human Resource Management’ missen werknemers en werkgevers het broodnodige gevoel van urgentie over de veranderende tijden. Volgens Boselie moeten werknemers in beweging komen en blijven, sociaal vaardig zijn, lef hebben, skills ontwikkelen en hun hele leven blijven leren.

Dat is best veel. Ik heb het idee dat veel werknemers het ook gewoon prettig vinden om een flow te zitten en niet elke dag op hun qui vive willen zijn.

‘Dat is het standaard reflectie-antwoord dat ik na zulke presentaties krijg. Ik betwijfel of dat wel klopt. Hoeveel mensen ken je die lui achterover leunen?’

Niet veel.

‘Dat bedoel ik. Maar ik wil het donderdag ook met nadruk over de rol van werkgevers hebben. Mijn punt is: organisaties zijn nog steeds te eenzijdig gericht op organisatie-effectiviteit. Dan gaat het niet alleen over winst, maar ook over kwaliteit, productiviteit en flexibiliteit. Ze zijn niet of nauwelijks gericht op maatschappelijk welzijn en medewerkerswelzijn. Er is sprake van een disbalans, zelfs na de mondiale financiële crisis.

Ontbreekt het op dit moment aan visie?

‘Ik ben niet heel erg positief over de manier waarop werkgevers met hun positie omgaan. De ongelijkheid neemt alleen maar toe, en er worden nog steeds enorme risico’s genomen over de ruggen van gewone mensen.’

‘Het is mede daarom dat ik werknemers aanraad het heft in eigen hand te nemen. De overheid trekt zich steeds verder terug, dus zul je het zelf moeten doen.’

Feitelijk moeten werknemers zich dus meer als ZZP’ers opstellen. Met de flexibilisering van de arbeidsmarkt worden werknemers hoe dan ook steeds meer als ZZP’ers behandeld. In de cultuursector is dat al aan de hand. Daar zijn duizenden vaste banen ingeruild voor slecht betaalde zelfstandige functies.

‘De cultuursector is heel veelzijdig en heterogeen. Er zijn zeker plekken waar het goed geregeld is, maar uit oogpunt van arbeidsmarkt en personeelsbeleid is het soms een heel slechte sector. Ik kan serieus niet begrijpen waarom iemand daar zou willen werken. Let wel, ik ben een groot liefhebber van kunst, en ga graag naar concerten en theater, maar de manier waarop sommige werkgevers zich gedragen is negentiende-eeuws. Zulke arbeidsvoorwaarden gun je niemand.’

Die situatie is des te schrijnender, omdat het best wel goed schijnt te gaan met de economie. Hoe zit dat?

‘Juist nu is het heel spannend. De economie is booming, bedrijven krijgen het personeel niet aangesleept. Als de kwetsbaren op de arbeidsmarkt nu geen kans krijgen, dan gaat het nooit meer goedkomen. Dan is er echt iets fundamenteel mis. Niet zozeer met hen, integendeel, zou ik zeggen. Dan moet er echt sprake zijn van opzet en onwil bij het bedrijfsleven en de overheid. We gaan immers grote tekorten krijgen op de arbeidsmarkt.’

‘Maar wat nog meer aan de hand is, en dat merk je in de kunsten natuurlijk ook, is dat de halfwaardetijd van kennis en vaardigheden met het jaar korter wordt. Kon je tien jaar geleden nog tien jaar vooruit met de kennis die je dan had, nu is dat nog maar 5 jaar, hoogstens.’

Een leven lang leren. Nooit op je lauweren rusten?

‘Lifetime employment is dus een ding uit het verleden. Er zijn nu nog mensen in orkesten die daar al decennia zitten. Dat komt op nog maar heel weinig plekken voor. Rijkswaterstaat is een van die plekken. Maar dat gaat ook veranderen, en heel snel. Iedereen die nu vijftig wordt en nog niet aan het uitkijken is naar nieuwe kansen, is kwetsbaar. Dat geldt echt niet alleen voor laaggeschoolden als de mensen van de V&D een paar jaar geleden, maar ook voor hoogopgeleide werknemers.’

Dat is allemaal wel erg somber, meneer Boselie.

‘We zijn ons te weinig bewust hoe goed het momenteel gaat. We focussen op kleine details, maken ons zorgen om niets. Als ik kijk naar mijn ouders, die hebben de oorlog meegemaakt.  Mijn schoonmoeder is haar huis kwijt geraakt in Indonesië, heeft daar de oorlog meegemaakt en heeft naar NL moeten vluchten.. Twee van mijn vier grootouders hebben twee wereldoorlogen meegemaakt. Als je dat allemaal vergelijkt met nu is het niets wat we meemaken. We zijn bevoorrecht, maar het kan zomaar ineens afgelopen zijn. Die sense of urgency mis ik erg op de huidige arbeidsmarkt.’

The Future of Work

Paul Boselie gaat donderdagavond 18 januari in debat met Mei Li Vos (voormalig Tweede Kamerlid en bestuurder Alternatief voor Vakbond), Edwin van Korlaar (commercieel directeur IT-bedrijf Xcellent) en vertegenwoordigers van de Nationale Denktank. Meer inlichtingen.

Marieke Nijkamp schreef een Amerikaanse bestseller, en haar volgende boek gaat ook als een speer: ‘Jongeren schrikken van niet veel terug’

0
Marieke Nijkamp ©Marc Brester/AQM

Deze jonge schrijfster uit Hengelo – in januari wordt ze 32 – verkocht van haar debuutroman This Is Where It Ends in de Verenigde Staten ruim een kwart miljoen exemplaren. Ze stond 64 weken in The New York Times-bestsellerlijst. De Hengelose Young Adult-schrijfster Marieke Nijkamp voelde dan ook wel lichte druk tijdens het schrijven van haar tweede boek, Voor ik je loslaat.

Het is een uitzonderlijk verhaal, dat zich goed zou lenen voor een jeugdboek: jonge vrouw uit Hengelo, gemeenteambtenaar, schrijft een boek in het Engels, strikt een literair agent in Amerika en wordt een bestsellerauteur. Het is waargebeurd. En het sprookje duurt voort. Ook de eerste recensies van haar tweede boek Before I Let Go (Voor ik je loslaat) zijn merendeels positief.

Marieke Nijkamp ©Marc Brester/AQM

‘Voor ik je loslaat’ speelt zich af in het kleine geïsoleerde dorpje Lost Creek in Alaska. Hoofdpersoon Corey is verhuisd naar Canada, maar keert na zeven maanden terug om haar vriendin Kyra op te zoeken. Maar vlak voordat ze teruggaat, wordt Kyra onder het ijs gevonden. Zelfmoord, zegt men, maar Corey vertrouwt het niet, en door de uitermate vijandig bejegening door haar voormalige buurtbewoners wordt haar wantrouwen er niet minder op.

Doen we dit interview eigenlijk in Engels of het Nederlands?

‘Ha ha, het kan prima in het Nederlands, hoor. Of in plat Twents, als je wilt? Ik heb nooit in het buitenland gewoond, ben niet tweetalig opgevoed en heb ook geen Engelse studie gedaan. Ik begon te schrijven in het Nederlands, maar tijdens mijn studie heb ik heel veel gereisd – ik was elke maand wel in Londen om daar naar het theater te gaan en sliep dan in een jeugdherberg, op een kamer met veertien anderen. Later vroeg ik me weleens af hoe ik dat eigenlijk deed als student. Ik denk door heel, héél Nederlands met mijn geld om te gaan.’

‘Ik ben in het Engels gaan schrijven omdat vrienden tijdens die reizen graag iets wilden lezen. Dat beviel me goed. Ik las altijd al veel boeken in het Engels of andere talen – ik ben een snellezer, soms las ik wel vijfhonderd boeken in een jaar. Young Adult was in die tijd nog geen bekend genre in Nederland, maar in Amerika wel. Dus ik bestelde veel via internet en wisselde tips uit met vrienden.’

Marieke Nijkamp ©Marc Brester/AQM

Of zoals dat gaat op websites: if you like this, you also like this.

‘Precies. Inmiddels is mijn focus wel heel erg Amerikaans, want om in de VS goed bij te kunnen blijven met schrijven, moet ik ook heel veel lezen. Het grappige is dat je in Nederland sowieso al veel meer vertaalde boeken leest dan ze in het buitenland gewend zijn. In Engeland en Amerika is maar 1 procent van alle literatuur die verschijnt, vertaald.’

En daar kom jij, als nog niet-gepubliceerde Hengelose met een in het Engels geschreven boek bij een agent aankloppen: hallo! Ik wil graag uitgegeven worden in Amerika?

‘Ja, dat voelde voor mij toch het meest logisch, omdat die YA-markt, het aanbod voor die leeftijdscategorie, al zoveel meer was ontwikkeld in Amerika en omdat mijn manier van fictie schrijven daar goed bij aansloot. Schrijfkennissen in Nederland zeiden: je bent hartstikke gek, dat gaat nooit lukken. Die slush piles van opgestuurde manuscripten zijn in Amerika vrij extreem; één literair agent krijgt op jaarbasis zo’n tienduizend boeken opgestuurd. En dat is dan de eerste horde die je moet zien te nemen, want zonder agent kom je niet binnen bij een uitgeverij. Ik had het geluk dat de literair agent die ik benaderde heel enthousiast was.’

Marieke Nijkamp ©Marc Brester/AQM

Je bent inmiddels de dertig voorbij. Waarom blijft YA je zo boeien? Heb je een Peter Pan-syndroom?

‘Ja, absoluut! Nee hoor, ik vind het veel fijner om 31 te zijn dan puber. Maar binnen dit genre is heel veel mogelijk – van fantasy tot heel literaire boeken – en dat geeft me als schrijver veel ruimte om te experimenteren. Ook qua thema’s kan er heel veel, jongeren schrikken niet van zoveel terug als je misschien zou denken. Living Dead Girl van Elizabeth Scott bijvoorbeeld gaat over een meisje dat wordt ontvoerd en door de dader wordt vastgehouden en misbruikt. En het bestverkochte jeugdboek van dit moment, The Hate U Give van Angie Thomas, gaat over een zwart meisje wier beste vriend wordt vermoord door een politieagent – over institutioneel racisme dus.’

‘Jongeren zijn heel politiek geëngageerd, zeker op dit moment in Amerika. Want met een president als Trump ontkom je er niet aan daar een mening over te hebben – de politiek beïnvloedt ons dagelijks leven. Het is heel mooi om te zien hoe jongeren daarmee bezig zijn.’

Marieke Nijkamp ©Marc Brester/AQM

Jouw eigen thema’s liegen er ook niet om. Je eerste boek ging over een schietpartij op een middelbare school, je nieuwe roman over een manisch-depressief meisje dat zelfmoord pleegt.

‘Klopt. Als er een school shooting plaatsvindt, gaat het in het nieuws vaak vooral over de dader: wat voor iemand het was en hoe diegene tot die daad is gekomen. Ik wilde daarom juist de impact ervan op de slachtoffers laten zien. In Voor ik je loslaat gaat het om Kyra, die niet begrepen wordt door haar omgeving. Hoe gaan we om met mensen die anders zijn? Zelfdoding komt geregeld voor, hoe komt dat? Als je wordt geboren met een bepaalde handicap, zoals Kyra met haar bipolaire stoornis, is dat niet jouw eigen schuld. Toch word je in de maatschappij soms behoorlijk gedemoniseerd of ontmenselijkt.’

‘Daarom vond ik het belangrijk om die bipolaire stoornis op een respectvolle manier te beschrijven, zodat het niet een bijdrage zou leveren aan die stigmatisering. Ik weet hoe het is om een handicap te hebben: ik heb zelf hypermobiliteit, waardoor ik veel pijn in mijn gewrichten heb. Daardoor heb ik braces nodig, en loop ik vaak met een stok. Ik word geregeld uitgelachen en uitgescholden. Met dit verhaal wilde ik onderzoeken hoever mensen gaan. Welke rol spelen omstanders bij zo’n gebeurtenis?’

Heeft het je antwoorden opgeleverd, doordat je je ook in de positie van de ‘daders’ hebt ingeleefd?

‘Ja, ik denk dat ik meer inzicht heb gekregen in hoe groepsprocessen werken en wat mensen motiveert tot bepaalde keuzes. Ook Corey gaat niet helemaal vrijuit – zij laat nadat ze is verhuisd Kyra maandenlang niets van zich horen. Ik begreep veel van haar, ook al keurde ik haar gedrag niet goed. Dat is wat dit boek me heeft gebracht: ik heb meer begrip gekregen voor hoe het zover kan komen. Maar absoluut niet voor het feit dát het zover kan komen.’

Waar te koop?

Voor ik je loslaat, HarperCollins, € 17,99

Marieke Nijkamp ©Marc Brester/AQM

 

Wanneer woorden wapens worden, is luisteren zinloos. Frank Westerman op festival Winternachten over onderhandelen met terroristen.

0
By Bert Verhoeff, ANEFO< Nationaal Archief, Den Haag, Rijksfotoarchief: Fotocollectie Algemeen Nederlands Fotopersbureau (ANEFO), 1945-1989 - negatiefstroken zwart/wit, nummer toegang 2.24.01.05, bestanddeelnummer 929-3360 (Nationaal Archief) [CC BY-SA 3.0 nl (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/nl/deed.en)], via Wikimedia Commons

In de jaren zeventig trok een golf van terreur door Europa. Een golf die in onze contreien veel meer slachtoffers maakte dan het islamitische geweld tot nu toe. Tijdens literatuurfestival Winternachten, van 18 t/m 22 januari in Den Haag, gaat het over vrijheidsstrijd, over wij tegen zij.

Op zaterdagmiddag 21 januari gaan Frank Westerman en Mohsin Hamid met elkaar in gesprek over de vraag: ‘Wat zijn nu de juiste woorden en daden om de ideeënstrijd van de fundamentalisten te winnen?’ Beide auteurs publiceerden in de afgelopen jaren boeken over terreur. Mohsin Hamid beschrijft in De Val van een Fundamentalist hoe een succesvolle Amerikaan van Pakistaanse komaf door omstandigheden tot een desperate daad komt. Frank Westerman gaat in Een Woord en Woord in op de lessen die Nederland trok uit de acties van de Zuid-Molukkers in de jaren zeventig.

Psychiaters

In het boek beschrijft hij de destijds beroemde Dutch Approach, die eruit bestond dat er met gijzelnemers of treinkapers werd onderhandeld door specialisten, vaak psychiaters. Dat onderhandelen is inmiddels een beroep geworden, dat vaak effectief wordt ingezet in dreigende situaties. In de jaren zeventig werd de Dutch Approach echter ook zwaar op de proef gesteld.

Frank Westerman maakte de gijzelingsacties van de Molukkers in Drenthe van dichtbij mee. Een van de kapers van de trein in Wijster was leraar op zijn basisschool en Dicky Helaha, de leider van het zelfmoordcommando dat in 1978 een actie uitvoerde in het Drentse Provinciehuis, was een schoolgenoot van de middelbare school in Assen: ‘Hij wilde eigenlijk onderwijzer worden. In plaats daarvan gaat hij werken in de conservenfabriek om geld te sparen voor wapens. Hij weet zeven vuurwapens te bemachtigen en doet samen met twee kameraden schietoefeningen op het Zeijerverld. Op de dag zelf loopt hij nog langs de school, zomaar in de ochtend, om er seven-up of zoiets te kopen. Dat hij dan een taxi belt, de taxichauffeur een pistool op zijn hoofd zet en aan die provinciehuis-gijzeling begint. Met zijn vrienden. Nadat ze zichzelf geafficheerd hebben als zelfmoordcommando.’

Bizar

Het blijft een bizarre gedachte voor Westerman, die met zijn boek ‘Een woord, een woord’ ingaat op de manier waarop Nederland in die jaren omging met terroristisch geweld. ‘Hoe hebben we daar als gemeenschap op gereageerd? Op kleine schaal in Assen, denk aan voetbalveld, kerk, school, op straat? Laten we goed bedenken: wat is er toen fout gegaan, en wat is er toen goed gegaan? Hoe om te gaan met aanslagplegers die dus niet schuwen om zichzelf ook op te offeren?’

Vraag is natuurlijk  of we destijds van de Molukse acties geleerd hebben. Zijn de Molukkers van toen vergelijkbaar met de Jihadisten van nu? ‘Natuurlijk niet wat betreft hun zaak en ook niet wat betreft het tijdsgewricht.’Westerman is er heel stellig over. ‘De jaren 70 zijn wel degelijk verschillend van nu. Het hele specifieke verhaal van KNIL-militairen die hierheen werden gehaald, tussen wal en schip terecht kwamen, werden weggestopt in onder andere voormalig concentratiekamp Vught en durchgangslager Westerbork. Het leed van de ouders en de tweede generatie die dan opgroeit. Als je dit 1 op 1 en zou willen vergelijken met de islamitische terreur, dan gaat er echt iets mis.’

Nooit meer met de trein

Er zijn wel overeenkomsten voor de bevolking. Zelf ben ik ook vergeten hoeveel angst er toen heerste. Westerman frist mijn geheugen op: ‘Hoeveel mensen ik niet gesproken heb, die zeiden: “Ik ging jarenlang niet meer met de trein.” Of: “Als ik met de trein ging nam ik een tandenborstel mee.” Altijd was er iemand die een bijzonder verhaal had. Gewoon om een beeld te schetsen: iemand zat in een trein op de lijn naar Leeuwarden, en er stapte een groep Molukkers in met weekendtassen. De spanning in die trein werd ondraaglijk. Iedereen zat met de billen tegen elkaar. De Molukkers trokken zich terug op het balkon, en maakten hun tassen open. Daar kwamen gitaren uit. Die jongens en meisjes gingen zitten zingen en musiceren op het balkon. Dat gaf een enorme ontlading van opluchting.’

‘Iemand anders vertelde dat hij als student in Groningen naar zijn ouders in Assen ging in het weekend, en dat zijn vader een sleutelbos op tafel gooide: autosleutels. “Ik heb een auto voor je gekocht, want jij gaat niet meer met de trein.” Dus zover lieten we ons gedrag ook aanpassen aan het gevaar van een gijzeling.’

Waterloo

Onder terroristen is het gijzelen ook minder populair geworden. Ze wapenen zich ook tegen de onderhandelingstechnieken van tegenwoordig. Ze scheuren met een vrachtwagen over een boulevard of brug. Westerman constateert in zijn boek dat hoe beter de praters zich ontwikkelen, hoe minder de terroristen willen praten: ‘Het idee van de Dutch Approach heeft eigenlijk al in 1977 bij De Punt, maar zeker ook in het provinciehuis, in 1978, zijn Waterloo gevonden. Daar was het gewoon de bestorming door mariniers die er een eind aan maakte.’

‘Ik heb wel het idee dat juist dat een kantelpunt werd. Eigenlijk ook omdat de Molukse gemeenschap zelf er niet meer achter kon staan. De vorige groep, die van De Punt, dat waren nog martelaren. Ze hebben een eigen monument op de begraafplaats gekregen. Daar wordt nog jaarlijks een herdenking gehouden. Met de laatste drie, van het provinciehuis, wilde niemand zich afficheren. Dat was toch te wreed.’

Belangrijk was ook dat er een nieuwe minister van onderwijs kwam, Païs. Hij heeft ervoor gepleit dat de Molukkers in hun identiteit werden erkend. Dat betekende tweetalig onderwijs, maar ook de erkenning van de specifieke drugsproblematiek onder de jongeren. Er kwam een afkickprogramma dat specifiek op Molukkers was gericht, en een banenplan. De oud-militairen kregen allemaal een penning. Dit gebeurde allemaal pas midden jaren tachtig, dus een decennium later, maar is dat niet feitelijk ook een deel van de Dutch Approach geweest?’

De frontlijn is verplaatst

De erkenning van de Molukkers en hun strijd ging verder: ‘De met kogels doorzeefde jas van Max Papilaya, de gedode leider van de treinkaping bij De Punt, tentoonstellen in het Moluks Historisch Museum? Kom er nu maar eens om. Welk land durft het aan om er op die manier mee om te gaan?’

Toch is de Dutch Approach niet helemaal verdwenen, volgens Westerman: ‘Het grote verschil met nu is dat de frontlijn tussen terroristen in spe en de samenleving die wil praten zich heeft verplaatst. Het is niet meer tussen de bunker in Assen en de trein bij De Punt, maar in het klaslokaal of op straat. Wat doet een leraar die meemaakt dat na de aanslag op Charlie Hebdo een leerling sympathie toont voor de daders? Die zet het woord in. Hij kan die jongen de klas uitsturen en straffen, omdat we dat soort meningen niet tolereren, maar hij kan ook het gesprek aangaan. Doorvragen. En er een klassengesprek van maken. Dat speelt zich nu af in verschillende klaslokalen en in het buurtwerk. Dat praten is een poging om mensen van geweld af te houden.’

Is praten altijd goed?

‘In het begin van mijn boek stel ik de vraag of het woord het ooit kan winnen van geweld. Dat woord blijkt minder kansloos dan gedacht. Juist terroristen hebben een enorme behoefte om zich in woorden te uiten. Als je denkt aan die onthoofdingsfilmpjes van Jihadi John: voordat hij zijn gruwelijke daden pleegt staat hij echt te preken. Hij heeft een boodschap. In mijn boek schrijf ik: “Woorden zijn gemaakt van zuurstof. Zacht als de wind, zou je denken. Maar ze zijn ook geschikt om vuur aan te blazen.” Dus die zelfde woorden hebben een heel erg opzwepende kracht. Anders Breivik, die op een Noors eilandje ging moorden, heeft voor zijn daad een boekwerk van honderden pagina’s op internet gepost. De RAF putte zich ook uit in pamfletten. Hun tikmachines ratelden net zo hard als hun geweren.’

Zou het helpen om naar dat soort types te luisteren? Moeten we niet met zijn allen meer luisteren en meer respect voor elkaar opbrengen?

‘Laat ik het zo zeggen: als er geen zelfspot meer is, als je geen humor meer hebt, als je jezelf niet meer kunt relativeren, als je geen vragen meer kunt stellen, als je niet onzeker meer kunt zijn, kan taal levensgevaarlijk worden. Zo’n Ulrike Meinhof timmert al schrijvend een denkraam waaruit geen ontsnappen meer mogelijk is. Dat wordt zo nauw als een schietgat. Je kunt je denken zo dichttimmeren dat het lijkt of er nog maar één uitweg mogelijk is, en dat is het zaaien van terreur.’

Goed om te weten Goed om te weten
Frank Westerman is in gesprek met Mohsin Hamid op festival Winternachten. Inlichtingen.

Componist Victoria Borisova-Ollas: ‘Muziek heeft geen nationaliteit’

0
Victoria Borisova-Ollas, foto Martina Holmberg

Het meest recente wapenfeit van de Russisch-Zweedse componist Victoria Borisova-Ollas (1969) is Dracula. Deze opera naar het gelijknamige boek van Bram Stoker ging in oktober 2017 in première bij Koninklijke Opera Stockholm. Een ‘kleurrijke en zeer sfeervolle muzikale partituur’, met daarin ‘een van de meest emotionele scènes in de geschiedenis van de Zweedse opera’, schreef een criticus.

Zeven jaar eerder componeerde Borisova-Ollas haar succesvolle klarinetconcert Golden Dances of the Pharaohs voor Martin Fröst en het Zweeds Koninklijk Filharmonisch Orkest. Dit werd omschreven als ‘een wonderlijk lied uit een oud rijkt’.

Zaterdag 13 januari 2018 wordt dit concert uitgevoerd in de NTRZaterdagMatinee, door het Residentie Orkest en Martin Fröst. In 2010 tekende de Zweedse klarinettist al voor de Nederlandse première, samen met het Radio Filharmonisch Orkest. Ik sprak destijds met Borisova-Ollas voor de live uitzending van de TROS op Radio 4.

Van Vladivostok naar Moskou

U werd geboren in Vladivostok in het meest oostelijke deel van Rusland, nabij China en Korea. Toch studeerde u in Moskou, waarom zo ver weg?

Rusland is inderdaad een zeer groot land. Het Sovjet onderwijssysteem was goed, maar gecentraliseerd. Als je niet in de belangrijke steden Moskou, Leningrad of Kiev woonde, moest je ver weg gaan om te studeren. Ik wilde van jongs af aan componist worden, maar aan het conservatorium van Vladivostok werd geen compositieonderrich gegeven.

Daarom stuurde mijn moeder me op mijn dertiende naar de Centrale Muziekschool in Moskou, de junior afdeling van het Tsjaikovski Conservatorium. Gelukkig besloten ze datzelfde jaar tot een experiment: ze lieten ons, die nog vrij jong waren, compositie direct als hoofdvak studeren.

Van Moskou naar Malmö en Londen

Waarom ging u na voltooiing van het conservatorium verder studeren in Zweden en Engeland?

Ik ging op mijn tweeëntwintigste naar Zweden, omdat ik met een Zweedse man trouwde. Toen had ik mijn opleiding inderdaad al afgerond, maar ik vond het klimaat in Zweden totaal anders dan wat ik gewend was in Rusland. Ik realiseerde me dat ik, om dat te doorgronden, mijn opleiding in mijn nieuwe vaderland moest voortzetten. Na een aantal jaren aan het Malmö College of Music te hebben gestudeerd nam ik deel aan een uitwisselingsprogramma met het Royal College of Music in Londen. Ik was benieuwd hoe compositieonderricht werkt in verschillende landen.

Conservatorium als toevalstreffer

Wat waren de verschillen?

Ik vond het Britse systeem tamelijk vergelijkbaar met het Sovjetsysteem. Je begint al op jonge leeftijd muziek te studeren en gaat naar steeds hoger onderwijs om uiteindelijk het conservatorium te bereiken. Een verschil was dat je in Engeland meer mogelijkheden had om moderne compositiestijlen te leren kennen; in mijn jaren in Rusland werd de hedendaagse muziek nog maar net ontdekt.

In Zweden kon ik niet precies achterhalen waar en wanneer het muziekonderwijs eigenlijk begon. Bijna al mijn medestudenten hadden alleen privéonderwijs gehad. Er waren geen scholen of muziekgymnasia om jongeren voor te bereiden, dus je was afhankelijk van het toeval. Als je geluk had met je eerste leraar kon je je misschien inschrijven aan het conservatorium. De basisprincipes van muziek werden vaak dan pas aangeleerd, veel later dan in Rusland en Groot-Brittannië. Gelukkig is dit inmiddels allemaal veranderd, er zijn nu meer muziekscholen in Zweden.

Dansende klarinettist Martin Fröst

U componeerde in 2010 ‘Golden Dances of the Pharaohs’. Was dit uw eigen idee, of een opdracht?

Ik dacht er al een tijdje aan om iets te doen met het oude Egypte. Ik heb altijd een lijst van zo’n tien titels in mijn hoofd. Toen Martin Fröst me vroeg een klarinetconcert voor hem te schrijven, kwam het thema van de farao’s meteen weer in mij op. Het Koninklijk Filharmonisch Orkest, dat de opdracht gaf, vond het ook een geweldig idee, dus we besloten mijn plan uit te voeren.

Waarom ‘gouden dansen’, niet alleen ‘dansen’?

Mijn idee was om iets met dans te creëren voor Martin Fröst, die niet alleen een groot klarinettist is, maar ook prachtig beweegt tijdens het spelen. Mijmerend over zijn podiumperformance dacht, stuitte ik op een kunstboek over het oude Egypte. Op de cover stond het beroemde gouden masker van farao Toetanchamon. Een iconisch beeld: als we aan het oude Egypte denken, denken we aan goud, aan machtige dingen.

Dansfeest aan het hof van Toetanchamon

Eigenaardig genoeg denken we echter nooit aan klanken. We weten bijna alles van hun dagelijkse gewoonten, maar niet van de instrumenten die de Egyptenaren gebruikten, hoe ze dansten of hoe ze zongen. Het masker triggerde mijn verbeelding. Ik probeerde mij een dansfeest voor te stellen in het paleis van de farao’s. Hoe zou dat geklonken kunnen hebben? Met die gedachte in mijn achterhoofd begon ik te componeren.

In het begin horen we een stem op tape. Wie is dit en welke tekst draagt hij voor? 

Het is Martin Fröst zelf, wiens stem klinkt in een soort oud….

….. timbre?

Ja, we hebben de klankkleur van zijn stem elektronisch bewerkt. Zo verwijs ik naar Herodotus, de vader van historici, die in de 5e eeuw voor Christus door Egypte reisde. Ik citeer een tekst uit het boek dat hij hierover schreef: ‘Ten aanzien van Egypte zal ik nu uitgebreid spreken, want nergens zijn er zo veel wonderbaarlijke dingen, noch in de hele wereld zijn er zoveel werken te zien van onuitsprekelijke grootheid.’ Ik vroeg Martin deze woorden te lezen en daarna gaven we de opname een archaïsch tintje.

Muziek heeft geen nationaliteit

Nu u zo diep geworteld bent in het Zweedse muziekleven, ziet u zichzelf als een Russische of een Zweedse componist?

Ik zou mezelf en mijn muziek liever beschouwen als kosmopolitisch. Trouwens, wat zou de nationaliteit van muziek kunnen zijn?

Meer info en tickets hier.

Een deel van ons gesprek is te beluisteren via YouTube.

Echt iets om naar uit te zien. De emoties van Krisztina de Châtel komen los in Een uitzinnige beheersing

0
Krisztina de Chatel in Een uitzinnige beheersing

‘Een uitzinnige beheersing’ heet de documentaire die Manon Lichtveld en Bas Westerhof over Krisztina de Châtel maakten. De emoties komen pas echt los bij het bezoeken van het ouderlijk huis in Hongarije.

We kwamen ze tegen in de Rabozaal van de Stadsschouwburg Amsterdam. Zij waren ook aan het filmen. Bas Westerhof en Manon Lichtveld. Cameraman Leo van Emden en ik volgden Koert Stuyf. Bas en Manon volgden Philip Glass. Het was in 2012, op ‘Een Avond met Philip Glass’.

Die avond was gedenkwaardig omdat na een eeuwigheid afwezigheid Koert Stuyf en Ellen Edinoff weer op het toneel te zien waren. Met Intaglio. Het zou tevens de laatste voorstelling zijn van de iconische danseres. Iedereen werd zonder poespas teruggeworpen in de Nederlandse postmoderne dansgeschiedenis en tegelijkertijd in het heden gezet.

Het was wel even op een ander niveau, wat wij deden. We kwamen er vooral als ex-dansers die aanvoelden dat er iets bijzonders stond te gebeuren. Zonder budget stonden wij er, en in totale onzekerheid of we Stuyf mochten filmen. Bas en Manon waren van Beat the Dutch, een professioneel filmbedrijf dat samenwerkt met de NPO. Ze maken vaak portretten van danspersoonlijkheden, zoals Lucinda Childs en Marco Goecke.

Wie ook aanwezig was die avond was Krisztina de Châtel, de ‘grande dame van de Nederlandse moderne dans’. Haar succesvolle carrière als choreografe was gestoeld op onder andere een opleiding in de jaren zestig aan de Folkwang Hochschule bij Kurt Jooss én op een periode bij Koert Stuyf in Amsterdam.

Maar ze gaf die avond toe dat ze tot haar spijt weinig contact meer had met Stuyf. Kon dat ook niet hebben. Vaak zijn danspersoonlijkheden niet zo toegankelijk. Je moet het soms maar net met ze treffen. Gelukkig gaf Koert ons uiteindelijk ruimhartig toestemming te filmen. De Châtel moet dat eveneens gedaan hebben met Beat the Dutch. Bas en Manon konden de afgelopen tijd een zeer persoonlijk portret van haar maken.

Krenten uit de pap, noemt Manon de markante dansgrootheden van Nederland die ze kunnen volgen. Daarom droeg het regisseursduo de choreografe bij de AVRO voor om een documentaire over te maken. Dat de omroep akkoord ging was licht verrassend: er is immers niet al te veel dans bij de AVRO.

Een uitzinnige beheersing, Leven en dans van Krisztina de Châtel

De documentaire Een uitzinnige beheersing, Leven en dans van Krisztina de Châtel is daarom echt iets om naar uit te zien. Want ook De Châtel kan op een buitenstaander overkomen als onbenaderbaar. Bovendien worden contrast en confrontatie als belangrijke elementen in haar werk genoemd. Gaat dat niet botsen?

Interessant is het dat Beat the Dutch haar volgt tot aan haar ouderlijk huis in Hongarije toe. Het bezoek daaraan blijkt veel emoties los te maken. Dat maakt het beeld van de gelauwerde choreografe, bekend van tijdloze statements als Thron en Föld, wel zo compleet.

Dat de band met Hongarije nog sterk is blijkt uit het huisje aan het Balatonmeer dat De Châtel enkele jaren geleden kocht. Naast contrast en confrontatie, blijft ook de ruimte een belangrijk element voor Krisztina.

Je kunt Een uitzinnige beheersing, Leven en dans van Krisztina de Châtel zien tijdens de 15e editie van Cinedans in EYE Amsterdam dat plaatsvindt van 14 t/m 18 maart 2018.

Bioscoopbezoek stijgt voor het tiende jaar: we doen het beter dan de VS, Frankrijk of Duitsland, maar geen enkele Nederlandse film haalt de top 20

0
Bioscoopbezoek blijft groeien.

Nederland gaat niet naar het WK voetbal. Is dat een drama of een meevaller? Dat hangt ervan af. Wie in de bioscoopbranche zit zal er niet rouwig om zijn. Bij de presentatie van de jaarcijfers, traditiegetrouw in het Amsterdamse Tuschinski Theater, blikte Hajo Binsbergen van Filmdistributeurs Nederland ook even vooruit. Dankzij ontbrekend Oranje voorzag hij in juni en juli een hoog bioscoopbezoek.

Zonnig

Ook terugkijkend was zijn stemming zonnig. ‘Heel gezond’, noemde hij het afgelopen bioscoopjaar. Voor het tiende achtereenvolgende jaar is het aantal bezoekers gestegen, in 2017 met 5,3% naar bijna 36 miljoen. Daarmee doet Nederland het beter dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Frankrijk of Duitsland, waar de cijfers stagneren.

Investeringen in nieuwe technieken

Dit mede dankzij voortgaande investeringen in nieuwbouw, opknapbeurten en introductie van nieuwe technieken die de bioscoopbeleving nog meer, hoe zal ik het zeggen, een evenement maken. Premium large formats (PLF) heet dat in het jargon. Het nieuwste op dit gebied is 4DX, een zaal met bewegende stoelen, geuren en wind- en regensimulaties. ‘Trekt je de film in alsof je er zelf deel van uitmaakt’, lees ik op de website van Pathé. Dezelfde belofte waarmee rond 2010 3D werd aangeprezen.

100 jaar Bioscoopbond

De branche kan dus op 18 februari tamelijk zorgeloos vieren dat 100 jaar geleden de Bioscoopbond werd opgericht. Destijds een club van stemmig geklede, sigaren rokende heren, zoals voorzitter Winnie Sorgdrager van de huidige Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters memoreerde. Ze herinnerde er ook aan dat in die tijd de filmvertoning zijn aanvankelijke status van kermisvermaak begon te ontgroeien. Wat mij op de gedachte bracht dat met alle inspanningen voor de PLF-beleving het kermisvermaak misschien weer aan een comeback bezig is. Maar dit terzijde.

Hoe lang kan die groei doorgaan? Komt er geen verzadiging in zicht? Uit Binsbergens woorden viel op te maken dat de branche daar voorlopig nog niet aan denkt. De gemiddelde Nederlander gaat per jaar 2,1 keer naar de bios. Dat is meer dan Zweden, maar nog niet zo vaak als in Groot-Brittannië (2,5) of Frankrijk (3,4). De optimist concludeert dus dat er nog ruimte voor groei is.

Netflix

In ieder geval kan gesteld worden dat met alle digitale competitie de klassieke filmvertoning, al dan niet met PLF, goed stand houdt. Gunstig voor de totaalomzet van filmproducenten is ook dat de verkoop via Video on Demand opnieuw gestegen is. Hard nodig, na het instorten van de dvd-verkoop. In hoeverre het filmkijken langs andere kanalen toch een rem zal zetten op de bioscoopgroei, daar liet Binsbergen zich verder niet over uit. Dat neemt niet weg dat nieuwe krachtpatsers als Netflix, Amazon en Google op het punt staat geduchte spelers te worden. Niet alleen wat betreft distributie en vertoning. De online-reuzen zullen in de naaste toekomst ook een geduchte concurrent van de traditionele Hollywoodstudio’s worden en steeds vaker zelf films gaan produceren.

Nederlandse film blijft zorgenkind

Terug naar 2017. Samenvattend kan je zeggen dat er in vergelijking met 2016 heel veel hetzelfde is gebleven. Niet alleen de gestage groei, maar ook het opnieuw zeer matige marktaandeel van de Nederlandse film. Met 12,0% zelfs nog een fractie minder dan in 2016. ‘Best jammer’, meende Sorgdrager, en dat is nog voorzichtig uitgedrukt. Het afgelopen jaar heeft zelfs geen enkele Nederlandse film de top 20 gehaald. Dat was twintig jaar lang niet voorgekomen. Opvallend ook dat een en dezelfde film, Soof 2, zowel in 2016 als 2017 de best bezochte Nederlandse titel was.

Misschien was het veel hogere Nederlandse marktaandeel van een paar jaar geleden een kwestie van gezichtsbedrog. Want grotendeels veroorzaakt door het toevallige feit dat we Gooische Vrouwen en Gooische Vrouwen 2 hadden. Ieder goed voor meer dan 2 miljoen bezoekers. Ontbreekt zo’n superhit, dan zijn we weer hardhandig terug in de povere realiteit. Iedereen wil dat het beter wordt, maar hoe? Betrokken partijen zijn samen met de overheid tot een nieuw BTW-convenant gekomen. Dit komt er kortweg op neer dat er met ingang van komend jaar 50% meer geld vanuit de recette via het Abraham Tuschinski Fonds naar de productie van Nederlandse films vloeit. Dit kwam vorige maand in het Najaarsoverleg ook al ter sprake. Maar er zal meer nodig zijn dan geld alleen.

Veilige formule

Soof 2 (foto: Dutch Filmworks)

Want steunt de Nederlandse film niet teveel op een veilige formule? We kijken eens naar de tien best bezochte Nederlandse films van 2017. Tussen haakjes het aantal bezoekers.

1. Soof 2 (355.911, inclusief 2016 897.571)

2. Onze jongens (300.949, inclusief 2016 361.988)

3. Dikkertje Dap (251.336)

4. Misfit (238.729)

5. Dummie de Mummie 3 (222.518)

6. Tuintje in mijn hart (217.363)

7. Mees Kees langs de lijn (211.939)

8. Bella Donna’s (201.697)

9. Brimstone (192.093)

10. Weg van jou (187.089)

De eerste drie laten het al zien. Romantische komedie en kinderfilm is het inmiddels overbeproefde recept. Uitzonderingen zijn de schoolkomedie Misfit en Martin Koolhovens ambitieuze en tegendraadse feministische western Brimstone. Die overigens aanzienlijk minder bezoek trok dan Koolhoven had gehoopt en verwacht.

Vervolgfilms

Overigens is ook de internationale (lees Amerikaanse) film niet wars van formules. Hollywood blijft zwaar inzetten op vervolgfilms of ander bekend bronmateriaal. Kijk maar naar de internationale top 10 in de Nederlandse bioscoop.

1. Despicable Me 3 (1.338.156)

2. Pirates of the Caribbean: Salazar’s Revenge (1.017.987)

3. Beauty and the Beast (850.372)

4. Fast & Furious 8 (848.174)

5. The Boss Baby (801.190)

6. Dunkirk (755.610)

7. Star Wars: The Last Jedi (696.826)

8. Fifty Shades Darker (685.766)

9. Sing (672.849)

10. IT (580.667)

Hoewel sommigen vraagtekens zetten bij de houdbaarheid van deze op uitmelken van beproefd materiaal gerichte strategie zal dit niet snel veranderen. De industrie die blockbusters produceert is te vergelijken met een supertanker. Eenmaal op stoom stevig doordenderend, maar moeilijk van richting te veranderen. Nieuwe vervolgen waar we in 2018 op mogen we rekenen zijn onder meer Insidious: The Last Key, Maze Runner: The Death Cure, Ocean’s 8, Jurassic World: Fallen Kingdom, Avengers: Infinity War, Fifty Shades Freed, Mission: Impossible 6 en veel meer.

Waar kijken we in 2018 naar uit?

Three Billboards Outside Ebbing, Missouri (foto: Twentieth Century Fox)

Maar waar kijken we nu echt naar uit? Dat het ook anders kan bewees de Schotse Lynne Ramsay al met haar eerste Amerikaanse productie, het ontregelende wraakdrama You Were Never Really Here. Deze week komt de Golden Globe-winnaar Three Billboards Outside Ebbing, Missouri bij ons in de bioscoop. Naast Ridley Scott’s sterke reconstructie van een roemruchte kidnapping All the Money in the World. Over geld en macht. Speelt in 1973, maar voelt actueel. Iets dergelijks kan gezegd worden van Spielbergs solide The Post. Het verhaal van de eerste vrouwelijke uitgever van een belangrijk Amerikaans dagblad. Hoe ze de persvrijheid hooghield door te onthullen hoe opeenvolgende presidenten de waarheid omtrent de Vietnam-oorlog verborgen hielden. Deze laatste drie, al dan niet toevallig, met een sterke vrouwelijke hoofrol.

Kindertijd

Geen zwaargewicht, maar wel al uitbundig geprezen, is Lady Bird. De coming-of-age van een rebels meisje van zeventien in een conservatief Californisch milieu. Geschreven en geregisseerd door actrice Greta Gerwig. In april in de bioscoop. Ook veelbelovend is The Florida Project (februari), waarmee Sean Baker ons een blik vol vrolijkheid en verwondering gunt op de kindertijd.

Onze eigen Nanouk Leopold komt met het sterk geacteerde Cobain (première op filmfestival Berlijn), over de worsteling van een tiener met zijn drugsverslaafde moeder. Opbeurend en ontroerend is de al met de publieksprijs op IDFA bekroonde documentaire Doof Kind. Alex de Ronde portretteert zijn dove, maar onverminderd levenslustige zoon. Deaf Power! Ook het met de Golden Globe voor beste buitenlandse film bekroonde Aus dem Nichts van Fatih Akin is helemaal van deze tijd. Een verhaal over een familie, recht en wraak, geïnspireerd op rechts-extremistische moorden in Duitsland 2013.

Cinefielen noteren dat vanaf 18 januari EYE vijf films van de befaamde en invloedrijke  Jean-Luc Godard opnieuw laat zien. De bevrijdende vernieuwer die een van de drijvende krachten achter de Franse nouvelle vague was. Daarnaast in EYE ook de gloednieuwe biopic Le redoutable, waarin Louis Garrel een ontredderde Godard speelt, ten tijde van La Chinoise op zoek naar inspiratie. Een fraai eerbetoon dat voor sommige hardliners toch een beetje heiligschennis is.

Zilveren Roos

Als toegift werden op deze druk bezochte dinsdagmiddag in Tuschinksi nog twee prijzen uitgereikt voor grote verdienste voor de Nederlandse film- en bioscoopcultuur. De Jan Nijland Zilveren Roos ging naar Lauge Nielsen, tot voor kort managing director bij Pathé. Een strategisch denker en doener volgens de jury, en ook ‘de aardigste gentleman in de bioscoopbranche’.

Dana Linssen, hoofdredacteur van De Filmkrant, mocht het Zilveren Roosje in ontvangst nemen. Formeel een aanmoedigingsprijs, al klinkt dat een beetje vreemd bij iemand met al zo’n grote staat van dienst. De jury zag een onafhankelijk filmblad waarmee inmiddels generaties filmliefhebbers zijn opgegroeid en herkende in Linssen een criticus met een aanstekelijke filmliefde. Iemand die altijd aan het denken weet te zetten en ook jong talent stimuleert. Toch mooi om te merken dat filmkritiek en bioscoopbranche hier heel goed samen door een deur gaan.

José Maria Sánchez-Verdú componeert muzikale Hellepoort voor koor en strijkkwartet

0
Sánchez-Verdú (c)http://biamartists.com/jose-maria-sanchez-verdu-media

Het strijkkwartet geldt als uitvinding van Joseph Haydn; Goethe beschouwde het als het nec plus ultra van instrumentale muziek. ‘Men hoort vier intelligente mensen die zich met elkaar onderhouden’ zei de dichter hierover. ‘Je gelooft iets van hun conversatie te begrijpen en de eigenzinnigheden van de instrumenten te leren kennen.’ Die mogelijkheid krijgen we volop van 27 januari t/m 3 februari, tijdens de allereerste Strijkkwartet Biënnale in Muziekgebouw aan ‘t IJ.

Het festival volgt de succesformule van de Cello Biënnale. Start deze elke ochtend met een Cello Suite van Bach, nu wordt geopend met een strijkkwartet van Haydn. Er zijn masterclasses, er is aandacht voor jong talent en naast het standaardrepertoire staat een respectabel aantal wereldpremières. Zo klinkt nieuw werk van onder anderen Jörg Widmann, Klaas de Vries, Silvia Colasanti en José Maria Sánchez-Verdú.

De Spaanse componist Sánchez-Verdú (1968) koos voor de bijzondere bezetting van koor en strijkkwartet. Hij schreef La porte de l’enfer (de Hellepoort) voor Cappella Amsterdam en Cuarteto Quiroga, die donderdagavond 1 februari de wereldpremière verzorgen. Tijdens de inleiding spreek ik met de componist. Op 11 januari spreek ik hem eveneens, maar dan na afloop van een openbare repetitie. Als opmaat beantwoordde hij alvast drie korte vragen.

Zoektocht naar antwoorden

Wat typeert u als componist?

Voor mij is muziek een vorm van kennis, zowel van kunst als van wetenschap. Elke compositie is voor mij een zoektocht naar antwoorden. Ik reageer op impulsen die ik krijg in mijn dagelijks leven, zowel vanuit de maatschappij als vanuit de geschiedenis. Vaak is mijn muziek geïnspireerd op boeken, ervaringen, visies op de natuur, de wetenschappen en de gedachten van mensen.

Waarom schreef u “La porte de l’Enfer”?

Het stuk is ontstaan vanuit mijn belangstelling voor La porte de l’Enfer (De Hellepoort) van Auguste Rodin. Ook al kwam het nooit af, deze grootse sculptuur geeft inzicht in de manier waarop hij uiteenlopende thema’s esthetisch en filosofisch benaderde. Interessant is bijvoorbeeld de relatie met het Inferno van Dante.

Ik gebruik trouwens niet alleen teksten van Dante, maar ook van Rainer Maria Rilke, een van de meest diepgravende dichters van de 20e eeuw. Hij had een bijzondere relatie met Rodin en was zelfs een tijdje diens persoonlijke assistent in Parijs. Dat fascineert mij, net als het concept van de “deur” of “poort”.

Poort: toegang of barrière

Een deur of poort heeft zowel materiële als spirituele, sociale en politieke connotaties. Zij geeft toegang tot gebouwen, maar kan ook fungeren als fysieke barrière, bijvoorbeeld ter verdediging. Tegelijkertijd kan zij ons in overdrachtelijke zin naar een immateriële wereld voeren. Ik creëer een ritueel rond deze thematiek.

Hoe heeft u uw stuk vormgegeven?

Op het podium wordt een deur geprojecteerd; we zien zowel de ruimte ervóór als erachter. Het koor en het strijkkwartet belichamen deze twee ruimtes, zowel fysiek als symbolisch. Het strijkkwartet vertegenwoordigt de schaduwen die Rodin bovenop zijn Hellepoort afbeeldde. Dat is drie keer dezelfde figuur, bezien vanuit verschillende perspectieven. Ook de drie muziekdelen zijn in wezen hetzelfde, maar door nuanceverschillen klinken ze telkens anders. Zo creëer ik een muzikale pendant van de perspectiefwisselingen die de persoon op de hellepoort in een ander licht plaatsen.

Info en kaarten openbare repetitie 11 januari hier
Info en kaarten wereldpremière 1 februari hier

In Brugge ging alles mis wat mis kon gaan. Schilder Pieter Pourbus ontsnapte door handig te trouwen. (En steengoed te zijn.)

0

De (in Vlaanderen) beroemde portretschilder Pieter Pourbus  komt uit Gouda. U heeft nooit van hem gehoord. Straks wel.  Museum Gouda brengt van 17 februari 2018 tot 17 juni 2018 de eerste Pieter Pourbus-tentoonstelling in Nederland.

Ter voorbereiding hierop moet je eerst naar het Groeningemuseum in Brugge. In de ongegeneerd bourgondische Werelderfgoedstad loopt tot 21 januari de tentoonstelling Pieter Pourbus en de Vergeten Meesters.

Restaurant Pieter Pourbus

Pieter Pourbus (Gouda, 1523Brugge, 1584) was een man van faam. Hij groeide op in Gouda en drukte in Brugge zijn stempel op de schilderkunst. Pourbus was met Pieter Paul Rubens een van de allerbeste portrettisten van Vlaanderen, met grote invloed op zijn tijdgenoten. Gouda kent de Pieter Pourbusstraat. In Brugge is uiteraard een Pieter Pourbusstraat en ook een Restaurant Pieter Pourbus (‘Genieten in Hartje Brugge.’). Dan houdt het wel op. Het is ook weer niet zo dat de Bruggenaren Pieter Pourbus in het hart hebben gesloten.

(Foto: HT)

Pieter Pourbus, stamhouder van het schildersgeslacht der Pourbussen, wordt gezien als de vertolker van de zwanenzang van de Brugse School: ‘de laatste der Vlaamse Primitieven’.

Het Athene van het Noorden

Brugge, ooit het Athene van het Noorden, raakte in de 15de eeuw in rampspoed en continu verval, alsof een banvloek over de Vlaamse stad was uitgesproken. De recessie sloeg toe. De waterweg naar de Noordzee verzandde zodat de haven waardeloos werd. Bovendien kwamen de Brugse schepenen op het lumineuze idee om in 1488 de Habsburgse Keizer Maximiliaan I gevangen te zetten en enige personen uit zijn aanhang te  executeren.

Brugge, winter 2018 (foto HT)

Niet zo handig. Het is of je Lionel Messi tijdens de Champions League in de kerker gooit en hoopt op betere tijden. Vier maanden bleef de keizer gevangen. Op voorwaarden werd hij vrijgelaten, waarop zijn vader Frederik III direct met een leger naar Brugge marcheerde.

 Slim trouwen

De 16de werd voor Brugge een eeuw van zware armoede. De rijke elite dunde uit en steeds minder jonge kunstenaars vestigen zich in de stad. De meeste kunstopdrachten gingen naar Antwerpen en Gent. Rijke opdrachtgevers in Brugge waren net zo talrijk als miljardairs in Emmeloord.

Pieter Pourbus, Portret van Jan van Eyewerve, 1551

Pieter Pourbus was de artistieke uitzondering. Hij was een meesterschilder.  Wat hem mede vooruit hielp was dat hij slim trouwde. Een strategie die hij mogelijk van de Habsburgers – die daarmee hun rijk voortdurend uitbreidden – heeft afgekeken.

Opdrachten binnenslepen

In 1543 huwt Pourbus de dochter van de gerenommeerde kunstenaar Lancelot Blondeel. Onder het ervaren oog van deze Brugse meester ontwikkelt Pourbus zich tot groot talent en weet hij veel belangrijke opdrachten binnen te slepen. Van de grafkapel van Margaretha van Oostenrijk, het ‘Laatste Oordeel’ en de ‘Annunciatie’ tot portretten van voorname Brugse families.

Pieter Pourbus de cartograaf

Het opmerkelijke is dat portretschilder Pourbus in Brugge vooral als cartograaf het meeste aanzien verwierf. Hij kreeg de opdracht om ‘wateringswerken’ en fortificaties te plannen, in verband met de problematische waterhuishouding in Brugge en omgeving. Pourbus schilderde landkaarten. In 1562 maakte hij een enorme kaart van Brugge, die ook op de expositie in het Groeningemuseum is te bezichtigen.

Frans Pourbus naar Antwerpen

Pieter I Claeissens en zijn zonen Gillis, Pieter II en Antonius zijn de Vergeten Meesters van de tentoonstelling. Recent onderzoek reconstrueerde hun eeuwenlang onbekende oeuvre. In Brugge maak je kennis met hun uitgebreide collectie schilderijen. Frans I, de zoon van Pieter Pourbus, slaat de brug naar Antwerpen. Hij vertrekt op jeugdige leeftijd naar de kunstmetropool. Zoon Frans de Tweede gaat bij grootvader Pieter Pourbus in de leer voor de portretkunst.

Op slimme digitale tafels kun je al het werk van Pourbus en andere vergeten meesters bekijken (foto HT).

Hij maakt uiteindelijk de staatsieportretten voor de aartshertog Albrecht van Oostenrijk en de (latere) landvoogdes Isabella van Spanje, dochter van koning Filips II. Aldus wordt de ‘vervallen’ Brugse schilderkunst de basis voor zijn internationale roem.

‘Probleemoplosser’ Alva

Maar ook Antwerpen ontkomt in de 16de eeuw niet aan het onheil. ‘Probleemoplosser’ Alva kwam een jaar na de Beeldenstorm (1566) naar de Nederlanden om orde op zaken te stellen. Hiermee kwam een einde aan de voorspoed van de zuidelijke Nederlanden. Voor Vlaanderen pakte de strijd tussen Spanje en de Nederlanden rampzalig uit. De protestantse inwoners kregen vier jaar de tijd om terug te keren tot de katholieke kerk of te vertrekken. Het inwoneraantal van Antwerpen (voorheen 85.000) slonk tot 40.000. Veel protestantse ondernemers vluchtten naar steden als Leiden, Haarlem en Amsterdam. Er kwam een einde aan Antwerpens Gouden Eeuw als haven-, handel- en kunststad. De Nederlandse economie groeide explosief, vooral door de stroom van vakkundige zuidelijke immigranten.

Toerisme Vlaanderen slaat terug

Pieter Pourbus keert op 20 februari 2018 terug in Nederland, Gouda. Dat wil zeggen: zijn schilderijen. En Toerisme Vlaanderen slaat de komende twee jaar fors terug. Van 2018 tot 2020 organiseert VisitFlanders een reeks evenementen om bezoekers uit de hele wereld naar Vlaanderen te lokken om kennis te maken met de Vlaamse Meesters.

Uitzicht vanuit Museum aan de Stroom op Antwerpen (Foto HT).

In 2018 staat ‘Antwerpen Barokstad’ in het teken van Rubens. Kers op de taart is de heropening van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen in 2019.

In hetzelfde jaar wordt in heel Vlaanderen de 450ste verjaardag van Bruegel herdacht. In 2020 keert het minutieus gerestaureerde Lam Gods van Jan en Hubert van Eyck terug naar de Sint-Baafskathedraal in Gent.

Goed om te weten Goed om te weten

Pieter Pourbus en de vergeten meesters: tot en met 21/01/2018, Groeningemuseum, Brugge. Zie visitbruges.be/pieterpourbus 

Pieter Pourbus, meester-schilder uit Gouda: van 20 februari tot 17 juni 2018 in Museum Gouda. Zie museumgouda.nl/agenda/2017-06-30/pieter-pourbus-meester-schilder-uit-gouda/

Beleef de Vlaamse Meesters, 218-2020: zie visitflanders.com

2018 in de kunsten: het jaar waarin we definitief kiezen voor onze bubbel en de massa de massa laten.

0
Gelukkig nieuwjaar. (getekend door Suzanne Brink)

We gaan kleiner wonen. Het is niet alleen in de populariteit van de TinyHouse-beweging dat jongeren en senioren elkaar de hand kunnen schudden. We willen ontspullen, maar we willen ook minder met de grote boze buitenwereld te maken hebben. Dat geldt voor ouderen, maar zeker ook voor twintigers. Die beweging is al een tijdje aan de gang in de kunsten. Kleine exposities, huiskamerconcerten en micropublicaties verheugen zich in een groeiende populariteit. Wat nieuw is voor 2018 is dat we ons samenlevingsbreed steeds meer zullen gaan afkeren van massamedia en internetreuzen.

Facebook en Twitter worden al een tijdje van binnenuit bedreigd door SnapChat en Whatsapp. Wat die laatsten te bieden hebben is namelijk een besloten ervaring, controle over wie wat van je te weten kan komen en de veiligheid van de eigen groep. Scholieren vinden dat fijn, niet alleen omdat hun ouders niet mee kunnen kijken, zoals op de openbare kanalen van Facebook en Twitter. Ze hebben ook gewoon een minder sterke behoefte om de hele wereld van hun denkbeelden op de hoogte te brengen.

Level playing field

Wat gebeurde met jongeren, gebeurt nu ook met hun ouders. Zij zijn zelf de generatie die ruim tien jaar geleden het nieuwe massamedium omarmde. Die generatie had de hoop en verwachting dat iedereen zelf ‘de media’ werd. Ieder verhaal, hoe klein ook, zou op het level playing field van de sociale media een kans kunnen krijgen. De werkelijkheid is anders.

In 2017 werd definitief duidelijk dat geld nog steeds de macht heeft. Fake news, betaalde trollen, bot-legers: de gekken hebben het gesticht overgenomen en daardoor is de sfeer definitief en duurzaam  verpest. De giganten kunnen er weinig aan veranderen. Hun DNA is de massa. Hun verdienmodel de bijl aan de eigen wortels.

Nieuwsbrief

Niet dat Facebook en Twitter zullen verdwijnen. Hun macht zal niet afnemen. Maar tussen het gestamp van de dinsauriërs ontwikkelt zich een ander ecosysteempje, en dat gaat de kunst ook merken. We vieren al een paar maanden de onverwachte en lang ondenkbaar geachte terugkeer van de nieuwsbrief. De nieuwsbrief is besloten, biedt gelegenheid rustig te lezen en te reageren, drijft niet op likes en deelacties en maakt de online belevenis veiliger en – het moet er maar uit – gezelliger. Ik experimenteer er ook mee op deze site en de reacties zijn onveranderd positief. Rechtstreekse, kale communicatie met je lezers: een simpele e-mail, ooit de basis van het internet, blijkt dat toch beter te kunnen bieden dan de Facebookpost. De nieuwsbrief bevat ook andere verhalen dan deze site, en die gedifferentieerde, verdiepende ervaring doet iedereen goed.

In de kunsten gaat de ontwikkeling naar kleiner en exclusiever versneld door. Mede geholpen door een kunstvriendelijker overheidsbeleid. De koerswijziging van de Raad voor Cultuur, met meer nadruk voor het lokale kunstleven, past in het streven naar kunst die dichter bij het publiek staat. Feitelijk kun je centraal georganiseerde, bovenlokale theatermakers bijna vergelijken met facebook of twitter. Ze hebben geen rechtstreekse band met de toeschouwers in wiens ‘huizen’ ze optreden, maar pretenderen ingelogd te zijn in een hogere, bovenlokale, landelijke kunstervaring. Dat werkt minder goed, bleek ook uit het eigen onderzoek van het Fonds Podiumkunsten, dat zelf de veroorzaker is van die bovenlokale hogere kunst.

Grote spelers

2018 markeert een overgang naar kunst die weer klein mag zijn. Kunst die niet afgerekend zal worden op zijn al dan niet aantoonbare vermogen om de gemiddelde Nederlandse kunstliefhebber aan te spreken. Die strijd heeft de kunst allang verloren van de grote spelers op het wereldtoneel als Netflix, HBO, Clear Channel en de rondreizende blockbuster tentoonstellingen.

Wat onverwacht populair zal worden zijn de salons, de huiskamerconcerten en de kleine online exposities. Auteurs die een boek schrijven via hun nieuwsbrief. Het bestaat allemaal al, maar het zal groeien. Wil je er het fijne van weten, abonneer je dan op onze nieuwsbrief. Je zult niet teleurgesteld raken.

Een museum met impact. Hoe musea historisch besef kunnen aanwakkeren en mensen troost, relativering en verbinding bieden

0
Campagnebeeld Mata Hari in Het Fries Museum

Meer dan een miljoen Nederlanders voelt zich zeer eenzaam, aldus de Gezondheidsmonitor 2012. Hieronder zijn steeds meer jongeren – alle sociale media ten spijt. Misschien zouden we deze ‘eenzaamheidsepidemie’ een halt toe kunnen roepen als we ons realiseerden dat geen van ons werkelijk alleen is. Wat we zo vaak vergeten, is dat we direct verbonden zijn met duizenden anderen: de mensen die ons voorgingen. In de eerste plaats onze eigen voorouders.

We are dwarfs perched on the shoulders of giants. We see more and farther than our predecessors, not because we have keener vision or greater height, but because we are lifted up and borne aloft on their gigantic stature.Bernard de Chartres, opgetekend door John of Salisbury (1159)

Totdat ik een jaar of zes was, voelde ik me vanzelfsprekend verbonden met alles wat me omringde: de mensen in het dorp, mijn huis, de dieren. Daarna verdween deze vanzelfsprekendheid, tegelijk met het geloof in kabouters en Sinterklaas. Een godsbesef had ik al niet meegekregen, wij waren ‘niks’ thuis. Wat overeind bleef was een sterke verbondenheid met het gezin, totdat ik me ook daarvan ging losmaken en ik me, net als elke andere puber, ineens eenzaam voelde.

Vrije val

Op mijn zestiende, midden in mijn eigen puberangst, vroeg ik vertwijfeld aan mijn vader wat de zin van het bestaan was en waarom iedereen er niet gewoon een eind aan maakte. Niet iets wat een vader wil horen natuurlijk, dus hij formuleerde zijn antwoord zorgvuldig. Hij begreep dat mijn vragen voortkwamen uit het gevoel dat elk leven een vrije val is, dat ik een toevallig tot stand gekomen organisme was, voor heel korte tijd aanwezig op een willekeurige planeet te midden van miljoenen andere planeten.

Wat hij me zei was: “Je bent niet alleen. Je bent via een navelstreng verbonden aan je moeder, en zij aan haar moeder, en die aan haar moeder. Je bent een schakel in een lange keten”. Ik weet nog goed dat ik me door dat antwoord, voor het eerst sinds ik tien jaar eerder de magische kleuterwereld achter me had gelaten, realiseerde dat ik wel degelijk één ben met de wereld. Dat troostende gevoel heeft me nooit meer helemaal verlaten. Als je met historisch besef naar je eigen bestaan kijkt, realiseer je je dat deel uitmaakt van iets groters. Die sensatie verrijkt mijn leven. Het is de reden dat ik in een museum werk, ik wil anderen hierin laten delen.

Allemaal familie

We zijn allemaal genetisch verbonden met de mensen die vóór ons leefden. Volgens de logica dat ieder mens twee ouders heeft, liepen er op het moment dat Willem van Oranje in 1584 werd gedood door Balthasar Gerards van iedereen die nu leeft 16.384 voorouders rond, van wie wij het dna in ons meedragen. Wanneer je nog verder terugrekent, zou ieder van ons in het jaar 1000 zelfs 8,5 miljard directe voorouders hebben rondlopen. Maar dat kan natuurlijk niet: in dat jaar waren er, afhankelijk van welke autoriteit je raadpleegt, 250 tot 400 miljoen mensen op de gehele aarde. Wat deze cijfers dus laten zien is dat we allemaal het product zijn van inteelt (zo waren mijn eigen grootouders achterneef- en nicht en delen ze dus dezelfde voorouders), maar ook dat we allemaal familie van elkaar zijn. En dat beperkt zich niet tot landsgrenzen of werelddelen.

Er gaat op Facebook een indrukwekkend filmpje rond waarin patriottistische Engelsen, Koerden en Bengalen een ‘dna Journey’ maken en ontdekken dat ze dna in zich dragen vanuit alle hoeken van de aardbol. Bij het zien van dit filmpje lopen de tranen iedere keer weer over mijn wangen, omdat eruit blijkt dat cultuur, nationaliteit en ras zoveel meer fluïde zijn dan de meesten van ons beseffen. Wat zou het wel niet betekenen voor onderlinge verdraagzaamheid als we ons dat meer zouden realiseren: we zijn allemaal familie.

Verbindend venster

Historisch besef benadrukt onze onderlinge verbondenheid en relativeert de waan van de dag. Hoeveel jongeren realiseren zich dat de verhouding tussen moslims en christenen hier en nu in zekere mate vergelijkbaar is met die van Nederlandse Joden en christenen 90 jaar geleden, of zelfs met protestanten en katholieken 50 jaar geleden? Wie is zich ervan bewust hoezeer het (midden-)oosten en het westen de afgelopen 2000 jaar niet alleen hebben gestreden maar vooral ook hebben gehandeld en elkaar cultureel hebben beïnvloed?

Het op zich prijzenswaardige initiatief van Rutte III om iedereen die 18 jaar wordt een boekje over de geschiedenis van Nederland te geven en alle kinderen het Rijksmuseum te laten bezoeken, lijkt gezien de andere voorgenomen maatregelen, zoals op scholen dagelijks het Wilhelmus zingen, eerder het aanwakkeren van patriottisme dan het vergroten van historische kennis tot doel te hebben. Geschiedeniseducatie wordt hier ingezet om de eigen nationale identiteit te bevestigen en zo de schijnbare tegenstellingen tussen culturen te benadrukken, terwijl historisch besef juist bij uitstek een venster biedt op wat ons verbindt.

Sporen uit het verleden

Ik gun meer mensen de verdieping die besef van het verleden mij brengt. Het sterkst wordt de verbondenheid met onze voorouders opgeroepen wanneer ik hun sporen aantref. Als ik rondloop in een oude stad bijvoorbeeld. Wanneer ik triest ben, vind ik troost in de aanblik van een kathedraal, wetende: hieraan hebben zoveel mensen gewerkt, zoveel generaties. Voor hen zit het leven erop, maar we zijn met elkaar verbonden. Het erfgoed maakt hun aanwezigheid tastbaar en herinnert me eraan ik niet alleen ben.

Als erfgoedsector zijn we dan ook bij uitstek in staat om mensen houvast te bieden in een woelige wereld. Dit geldt zeker ook voor musea, waar we de tastbare sporen van het verleden beheren en de verhalen vertellen. Wij grossieren in datgene wat bij Huizinga de beroemde ‘historische sensatie’ opwekte, en kunnen een bron zijn van relativering, verbinding en troost.

Onwaarschijnlijke verhalen

Fibula in het Fries Museum

Een van de topstukken van het Fries Museum is een zevende-eeuwse fibula, een mantelspeld die in 1953 door een boerenknecht werd gevonden in een weiland bij het Friese dorpje Wijnaldum. In dit ene object liggen onwaarschijnlijke verhalen besloten. Het is een sieraad vol minuscule details, gemaakt van goud en edelstenen. Het is met zoveel vakmanschap gemaakt dat goudsmeden vandaag de dag moeite zouden hebben om dezelfde verfijnde kwaliteit te bereiken. Terwijl ik, en velen met mij, nooit de indruk had dat men in de vroege Middeleeuwen op welk vlak dan ook meer geavanceerd was of zou kunnen zijn dan wij nu. Het waren toch de dark ages? Dit voorwerp zet vraagtekens bij het idee dat alles altijd maar beter wordt en meer.

Ik vind het louterend dat we ons nu niet per se op het hoogtepunt van de wereldgeschiedenis bevinden. Voor het sieraad gebruikte de Friese edelsmid bovendien Keltische motieven, ingelegd met edelsteen waarvan onderzoek vijf jaar geleden uitwees dat het almandijn is, afkomstig uit India. En een wereldwijd handelsnetwerk past al helemaal niet bij het beeld dat ik had van mensen die 1400 jaar geleden in Friesland op een terp leefden.

Dit voorbeeld geeft aan dat de wereld altijd veel complexer en minder eendimensionaal is geweest dan we vaak aannemen. Binnen de rechterflank van het politieke spectrum lijkt men soms het liefst een stolp over onze cultuur te willen zetten, terwijl ons verleden laat zien dat je niet bang hoeft te zijn voor uitwisseling. Dat die er altijd geweest is en altijd zal blijven, dat dat is hoe culturen gevormd worden. Een ruimer wereldbeeld doet de angst voor het onbekende afnemen en vergroot het vertrouwen in de toekomst, zaken die best van pas komen tegenwoordig.

De tentoonstelling als betoog

Musea kunnen hun schat aan sporen uit het verleden en hun enorme kennis daarover inzetten om onbekende werelden te ontsluiten. Ze kunnen een belangrijke rol vervullen in het aanwakkeren van historische besef, en zo mensen troost, relativering en verbinding bieden. Maar historisch besef ontstaat niet vanzelf. Huizinga was historicus en ikzelf ben al sinds mijn vroege jeugd bovenmatig geïnteresseerd in geschiedenis.

Om een zelfde sensatie op te wekken bij mensen die op zijn best over basiskennis van de geschiedenis en een latente belangstelling voor erfgoed beschikken, moet een museum van goeden huize komen. Dan moet in het presentatiebeleid niet het etaleren van kennis, maar de impact op de bezoekers de hoofddoelstelling vormen. Terwijl een Rembrandttentoonstelling bezoekers misschien nog enorm kan raken als je de topwerken eenvoudigweg chronologisch ophangt en mooi uitlicht, is voor een historische tentoonstelling de interpretatie essentieel.

Niet te behappen

Te vaak staat ook in cultuurhistorische musea echter het object centraal, vaak omringd door overvloedige feitelijke informatie. Bij de mantelspeld zou die bijvoorbeeld bestaan uit datering, plaats, materiaal, de wijze van vervaardiging, de omstandigheden van de vondst, een schets van het leven in die tijd et cetera. Maar die veelheid aan, veelal nieuwe, informatie is voor een museumbezoeker niet te behappen, en heeft daardoor geringe impact.

Compleet en objectief willen zijn, resulteert vaak in onbegrip en onverschilligheid bij ontvangers
Compleet en objectief willen zijn, resulteert vaak in onbegrip en onverschilligheid bij ontvangers. Om bezoekers een onvergetelijke ervaring of life changing inzichten te verschaffen, moeten musea durven interpreteren, durven stelling te nemen. Een tentoonstelling niet opbouwen rondom een onderwerp in al zijn facetten, maar vanuit een specifieke invalshoek. Een standpunt, vertaald naar een persoonlijk en invoelbaar verhaal.

Er zijn over elk onderwerp vele tentoonstellingen mogelijk, de uitdaging ligt erin er een te kiezen en to stick to it. Niet dé tentoonstelling over de fibula te maken, maar een tentoonstelling, zodat het verhaal te bevatten is. Zo zou de fibula een topstuk kunnen zijn in een presentatie die stelt dat de dark ages helemaal niet zo dark waren, of in een tentoonstelling die betoogt dat wat wij nu als Friese cultuur beschouwen juist het resultaat is van een vlechtwerk van internationale invloeden. De tentoonstelling als betoog, opdat wat we willen overbrengen werkelijk aankomt.

Kippenvel

Hoe dat werkt in de praktijk? Een mooi voorbeeld is de door het Royal British Columbia Museum in Canada ontwikkelde, internationaal reizende tentoonstelling over de Titanic. De manier waarop de getoonde voorwerpen van de bodem van de zee werden gehaald is terecht zeer omstreden, maar het was wel een sterke tentoonstelling. Het grote onderliggende idee van deze tentoonstelling was dat ‘Titanic is a story about class’. Iedere zaal en ieder thema in de tentoonstelling droeg een argument aan binnen dit betoog.

Bezoekers kregen als entreebewijs een ticket dat aan een van de oorspronkelijke passagiers had toebehoord. Ze ervoeren de tentoonstelling vanuit een eersteklas of juist derdeklas perspectief. Porseleinen serviesgoed uit het gezonken schip was te zien met een brief van een eersteklas passagier die schrijft over een prachtige nacht op het schip. Het stak scherp af tegen de houten planken waarvan men in de derde klasse at. Of het nu ging over wat men at of waar men sliep, hoe het schip in elkaar zat of hoe kinderen werden beziggehouden; steeds was er maar een conclusie: Titanic gaat over klassenverschillen.

Bezoekers aan deze tentoonstelling weten tien jaar later nog precies waar de presentatie over ging. De herinnering aan het moment dat ze aan het einde van hun bezoek ontdekten of  ‘hun’ passagier de ramp had overleefd roept nu nog kippenvel bij ze op.

Theatraal drama

Voor de grote tentoonstelling van het Fries Museum vorig jaar over de negentiende-eeuwse Fries-Engelse schilder Lawrence Alma-Tadema werkten we met dezelfde methodiek. De centrale stelling was: Alma-Tadema heeft ons aller beeld van de klassieke oudheid bepaald. De tentoonstelling werd een doorslaand succes met juichende (inter)nationale recensies en prijzen.

Lawrence Alma-Tadema [Public domain], via Wikimedia Commons
Wat ik vooral bijzonder vond: buren en vage kennissen die de tentoonstelling hadden bezocht gingen mij vertellen waar de deze over ging. “Weet je wel, Femke, dat Alma-Tadema verantwoordelijk is voor ons beeld van de oudheid?” Zoiets had ik in mijn dertienjarige museumcarrière nog nooit meegemaakt. Dat bezoekers na afloop niet blijven steken in: “Ik was naar een tentoonstelling over Alma-Tadema/ Rembrandt/ Vikingen en het was mooi/ prachtig/ niet mijn smaak”. They really got it.

Huilen

Ook de Mata Hari tentoonstelling die nu in het Fries Museum te zien is, hebben we opgebouwd rondom één invalshoek. Bezoekers worden uitgenodigd om met haar mee te leven, om zich te laten meeslepen in haar dramatische lotgevallen en te ontdekken welke keuzes dit Friese meisje op sleutelmomenten in haar leven maakte om het uiteindelijk tot ‘spion van de eeuw’ te schoppen. Let wel, alles in de tentoonstelling is het resultaat van onderzoek, de objecten zijn authentiek en alle beweringen zijn gestaafd. Maar het gekozen standpunt betekent dat we niet diep ingaan op bijvoorbeeld de feministische context, de Parijse beau monde of de mythevorming na haar dood. Hadden we dat wel gedaan, dan liepen nu in onze zalen de bezoekers niet te huilen.

Bezoeker in Mata Hari foto Ruben van Vliet

Het resultaat is een tentoonstelling, niet als wetenschappelijk werk of documentairefilm, maar als historische roman of theatraal drama. Vanzelfsprekend gebaseerd op feiten, maar met alleen die feiten die een relatie hebben met het verhaal. Focus dus, opdat mensen het begrijpen. Geraakt worden. En het niet meer vergeten.

Geluk

Musea hebben de kans om hun bezoekers werkelijk bewust te maken van de geschiedenis onder hun voeten. Die potentie kunnen musea waarmaken als ze zichzelf dát maar als doel stellen in hun presentatiebeleid: om historisch besef aan te wakkeren. Opdat mensen zich meer geworteld voelen, weten van hun rijke geschiedenis, maar zich ook realiseren dat we uiteindelijk allemaal nieuwkomers zijn, ooit van elders naar hier gekomen. Zou dat ons allemaal niet een beetje trotser maken, wat meer verbonden met anderen, iets minder eenzaam en misschien wel een tikje gelukkiger? We staan op de schouders van de mensen die ons voorgingen. We staan er niet alleen voor. Wat een heerlijk idee.

Het lijstje van onze lezers. Wat we allemaal nooit mogen vergeten van 2017.

1
Foto: Wijbrand Schaap

Nou hebben we het hier niet zo op hypes en tradities, maar toch. De donkere dagen rond kerst zijn dit jaar wel erg donker, dus waarom niet iets met lijstjes. Dit jaar even geen lijstje van de redactie met toppers, maar willekeurige inzendingen van willekeurige lezers, in willekeurige, zij het licht alfabetische volgorde.

Motto van de lezersvraag was: welke dingen van 2017 mogen we beslist niet vergeten?  Wat er binnenkwam was soms verrassend, en soms inderdaad: “ja!”. De indieners laten we anoniem. We koppelen de niet te vergeten zaken wel aan websites en auteurs die er – binnen de eerste zoekresultaten van Google – iets interessants over hebben verteld. Omdat zij er door dat vertellen voor zorgen dat het niet vergeten wordt, en wij door het maken van een link naar dat verhaal ervoor zorgen dat er verkeer naar het verhaal blijft komen.

NRC: ‘De tentoonstelling als geheel mag dan soms wat inzakken (zeventig werken is net te veel om het hoogste niveau vast te houden), op dit moment hangt in het Gemeentemuseum een aantal van de rauwste en meest indringende portretten die er in de twintigste eeuw zijn gemaakt. Neel heeft haar eerherstel binnen – en ze heeft het verdiend.’

Foto: Pepijn Lutgerink

Mirjam Koen geïnterviewd door Cultuurpers: ‘‘Het gekke is, Theodor Adorno krijgt de laatste tijd steeds meer aandacht. Zeker door de opkomst van het populisme en natuurlijk Donald Trump. Er is laatst ook een nieuwe biografie verschenen van Adorno. En de vragen die hij stelde zijn nu zeker weer actueel: hoeveel invloed heeft het kapitalisme op ons? Adorno heeft daar heel veel over geschreven.’

Foto: Wijbrand Schaap

Tirade: ‘De bezoekers van de stadsschouwburg maakten gisteren mee wat een leven lang verhalen maken, films en theater maken met een mens kan doen. Ik heb zes van de mooiste antwoorden gehoord die ik ooit achter elkaar hoorde geven.’

Foto website anne van as

Tjalling: ‘Anne van As is geïnspireerd door Scandinavische landen, de bergen en wilde dieren uit koude en gematigde gebieden. Maar haar schilderijen en tekeningen zijn niet alleen een verslag van de zichtbare werkelijkheid. In een duidelijke, figuratieve stijl presenteert ze toegankelijke onderwerpen zoals een beer, een konijn of zelfs een abstracte berg. Dit zijn allemaal onderwerpen die een zekere vertedering of erkenning oproepen. Een gevoel van desoriëntatie kruipt echter op je af en toe op. (Vertaald met www.DeepL.com/Translator)

Bill Frisell, Bimhuis Amsterdam

Volkskrant: ‘‘Bill Frisell is misschien wel de meest gewaardeerde jazzgitarist van de laatste decennia, dankzij de altijd aanwezige glimlach in zijn weemoedige muziek. Frisell heeft niet veel met eindeloze solojazz, maar richt zich op intens samenspel rond mooie thema’s’

26NRC Handelsblad *****

De groep speelt vooral nieuw materiaal. Spencer betuigt zijn liefde in een fantastische paringsdans bij het nummer ‘I Idolize You’. Hij gaat op zijn knieën bij zijn echtgenote. Martinez lijkt deze daad van liefde niet echt op prijs te stellen. Ze loopt voor het einde van het nummer het podium af. Misschien heeft de diva moeite met de slechts halfvolle zaal.

scenefoto Chasse Patate, foto: Philippe Deprez

Cultureel Persbureau: ‘Hoe krijgen die Belgen toch keer op keer weer voor elkaar wat Nederlandse theatermakers maar zelden, of beter gezegd: nooit, lukt? Een klein decennium geleden kregen ze ons al aan het snotteren met de café-chantantvoorstelling The broken circle breakdown, die later nog als film een Oscarnominatie in de wacht sleepte. Ik denk dat nu ook al filmmakers staan te dringen om de filmrechten van Chasse Patate.’

New York Times: ‘Peter Brook’s producties van Shakespeare in de jaren’ 50 en’ 60 zijn legendarisch. Zijn latere werk – “Marat/Sade” en “The Mahabharata” in het bijzonder – neemt een centrale plaats in in de geschiedenis van het moderne theater en vormt een permanente uitdaging voor het psychologisch realisme en sociale didactiek die de kunstvorm in Groot-Brittannië en Amerika hebben gedomineerd. Zijn interesse is altijd geweest in de rituele wortels en mythische resonanties van het theater, en het idee van acteren dat hij articuleert in “The Tightrope” heeft een oeroude, zelfs mystieke tenor. Hij spreekt over toegang tot een collectief brein, over het begrijpen van de essentie van de tijd en over de manieren waarop het theater een verhoogde levenservaring kan bieden.’ Vertaald met www.DeepL.com/Translator

Wijbrand Schaap: ‘de dichters waren dit keer echt de sterren. En dan heb ik het nog niet eens over onze eeuwige net-niet-nobelprijswinnaar Cees Nooteboom. Sterker nog: door zijn weinig geprononceerde optreden viel vooral op hoe leesbaar zijn gedichten waren. Op een podium vallen ze een beetje in het water. Hoe anders was dat met het werk van Astrid Lampe. Deze Utrechtse dichteres schrijft al jaren totaal onbegrijpelijk en abstract werk, dat het steevast op een podium fantastisch doet. Ze is opgeleid als actrice, dat zal helpen. Bij haar optreden kwam in ieder geval de zaal los, werd er gelachen en tussentijds geapplaudisseerd.

Volkskrant: ‘Er zijn wel enkele concurrenten, maar die zijn lang niet zo groot. Jeannette Snik had jarenlang een castingbureau maar kon steeds moeilijker tegen Kemna opboksen. ‘Ze waren er altijd erg goed in om alles naar zich toe te trekken: de soaps, stemmencasting, later ook produceren en regisseren. Dat is een vicieuze cirkel, want hoe meer je naar je toe trekt hoe meer mensen ook wel naar jou toe moeten.’ Een voorbeeld daarvan is volgens Snik het aparte bedrijf Kemna Training. ‘Dat hebben ze handig gedaan. Acteurs voelen zich verplicht die workshops te volgen, vanuit de gedachte: dan word ik misschien de volgende keer wel door ze uitgekozen.’

Cultureel Persbureau: ‘Het is Romana Vrede die de weg wijst voor de rest van dit hyperactuele avontuur. Zij intrigeert, fascineert en verleidt je elke aflevering opnieuw. Dus: mocht je de eerste afleveringen nu missen, hoeft dat geen reden te zijn om in oktober niet naar de rest te gaan kijken. Dan wordt het ensemble aangevoerd door een actrice die dan onvermijdelijk zal zijn bekroond. Zij verdient de hoogste onderscheiding die het Nederlandse toneel voor zijn actrices overheeft: de Theo d’Or. Ze werd genomineerd dankzij haar rol in Race. Die voorstelling is klaar. Ga nu alvast zien hoe je zo’n prijs bij elkaar speelt. Je zult niet teleurgesteld worden.’

Cultureel Persbureau: ‘Ze ging verder met te stellen dat de theaterwereld in haar ogen de laatste jaren steeds verder in zijn schulp was gekropen. En dat niet alleen: hij was ook in zichzelf gekeerd geraakt, alleen nog maar met overleven bezig, met verantwoorden waarom er theater moest zijn, met verdedigen van zijn bestaan en zeuren om geld.’

NRC: Na Spacey’s val leek de film gedoemd. Neem een scène waarin hij als Jean Paul Getty met zijn tienjarige kleinzoon hand in hand door de ruïnes van de villa van keizer Hadrianus wandelt: Getty zegt daar dat hij de reïncarnatie van deze homoseksuele keizer en mecenas is. Zoiets kreeg nu een wel heel troebele lading.

ED: ‘In 2016 werd de presentatie Manifestations uitgeroepen tot de beste van dat jaar. Terecht. Ook deze editie – op maar liefst twee verdiepingen van Het Veem op Strijp S – ziet er veelbelovend uit. De tentoonstelling op 4500 vierkante meter geeft mooi inzicht in hoe vormgevers en kunstenaars onze toekomst zien. Op allerlei gebied, van dating op geur tot en met een elektronische huisdokter. Of (foto) een robot die eikenprocessierupsen eet en die dat materiaal via biocellen omzet in een stof om zichzelf te voeden. Een product van Jip van Leeuwenstein. Ook fijn: meerdere installaties zijn interactief’

NRC: ‘Het Fiber Festival is onderdeel van een groeiende niche: avant garde-muziek en -kunst verbonden met technologie en wetenschap. Je leert er wat. Maar niet alle experimenten overtuigen.’

Jaap Mees: ‘Jim Jarmusch, de cultregisseur van verrukkelijke films als Stranger than Paradise, Down by Law en Night on Earth, is met Paterson in topvorm. Met zijn typische humane touch, subtiele observaties, quirky humor vertelt hij het verhaal van een vriendelijke flegmatieke buschauffeur, uitstekend vertolkt door Adam Driver. Een toepasselijke naam. Hij leeft een geregeld leventje samen met zijn superknappe Iraanse vriendin Laura (Golshifteh Farahani).’

Anne Faber (bron: DUIC)

Het Huis Utrecht: ‘Anne ambieerde een carrière als zakelijk leider in de kunstwereld. Bij Het Huis Utrecht zette zij stappen in deze richting, door naast haar werkzaamheden als bureaumanager jonge theatermakers zakelijk te ondersteunen. Alles wees erop dat zij zich op dit vlak verder zou ontwikkelen.’

Foto: Kurt van der Elst

Requiem voor ‘De Warme Winkel speelt De Warme Winkel’ is een feestelijk/stemmig afscheid van De Warme Winkel speelt De Warme Winkel, dat om auteursrechtelijke redenen niet meer hernomen kan worden. Speciaal voor het Nederlands Theater Festival creëert De Warme Winkel een uniek en definitief afscheidsprogramma van haar magnum opus dat alleen op donderdag 7 september in de Stadsschouwburg Amsterdam is te zien.

Setan Jawa, regie: Garin Nugroho.

Fransien van der Putt: ‘Setan Jawa is een surrealistisch film over maatschappelijk onrecht en verlangen. Nugroho gebruikt de parallelschakeling van sociale werkelijkheid en magische en mystieke relaties, zoals dat in de Javaanse cultuur gebruikelijk is, om intrigerende verbanden te leggen en indirect sociale kritiek te leveren. Overigens ontging mij een groot deel daarvan tijdens de vertoning. Pas toen ik na afloop door beter geïnformeerde collega’s I) werd bijgepraat, begon de boel op zijn plaats te vallen.’

Amsterdam, 18-11-2017, IDFA International Documentary Filmfestival Amsterdam. Jonathan Harris in his church outside of Brakke Grond. Photo Nichon Glerum

Jaïr Tchong: ‘De onderliggende kritiek die Harris’ verhaal tot een ronduit zinderende belevenis maakte – Tuschinski hing aan zijn lippen – ligt in lijn met de steeds luidere kritiek op bedrijven zoals Google en Facebook. Met een verhelderende analogie (‘aandacht is een natuurlijke hulpbron, en eindig’) signaleert Harris een grote bedreiging. Als we de almacht van ‘the big five’ (Alphabet/Google, Amazon, Apple, Facebook en Microsoft) niet reguleren, dan is de mensheid gedoemd. Met een dataset en een algoritme kun je iedere deeleconomie omver werpen. Noem het ‘disruptie’ en sommige economen juichen je nog toe ook.’

Savages – Foto: Melanie Marsman

Sven Schlijper Karssenberg: ‘LGW is een festival dat zorgt voor een ons-gevoel. Dat gaat dwars door nationaliteiten heen. Of door: gender en leeftijd. En ook: zonder muren tussen artiest en publiek. De viering van tarab, de ontdekking en het avontuur staan centraal. Bom- of overvol is op LGW dan ook geen punt om over te jammeren. Kan er niemand meer bij in een zaal, dan is er meer dan genoeg te beleven in het rijke programma. Ook dat dwingt het festival bewust af; ga maar op reis door de wereld van LGW en stap buiten je geplande paden. Er is altijd een herberg met een warm welkom.’

8Max, Misha en het Tet offensief van John Harstadt Ontdekt tijdens het ILFU van Het Literatuurhuis.

 

VPRO-Gids: ‘Doseren lijkt niet Harstads sterkste kant, gezien de monsterlijke omvang van zijn nieuwe boek. Sommige zinnen duren anderhalve pagina en hij grossiert in uitweidingen die soms niets meer zijn dan een eindeloze opsomming van elpeetitels. Maar net als je denkt: schiet eens op Johan, volgt er iets ongeëvenaard prachtigs. Neem de scène waarin de vader van Max voorstelt om met hem en zijn vriend Mordecai een dagje op stap te gaan. ‘Zwemspullen en de badmintonrackets meenemen, thuiskomen in de schemering, moe en vol indrukken.’ Max en Mordecai hebben heel andere plannen (iets met drank en meisjes) en slaan het aanbod beleefd af. ‘Ik had toen wel een beetje met hem te doen, hij had al een racket en shuttle tevoorschijn gehaald en toen wij zijn voorstel van tafel veegden, verstopte hij die half achter zijn rug, alsof hij gewoon wat oude spullen aan het opruimen was.’

Leo Bankersen: Misschien zullen er na Moonlight in de Amerikaanse filmindustrie meer mensen zijn die denken: ‘Hey, het hoeft niet altijd volgens voorgebakken formules.’ Laten we dromen van nieuwe kansen voor Amerikaanse filmmakers met een eigen stem.’

Leo Bankersen: ‘Het droog en precies neergezette, maar door de hertendromen ook betoverende On Body and Soul is tot nu toe mijn favoriete competitiefilm. In dit opvallende regiedebuut vertelt de Hongaarse Ildikó Enyedi het verhaal van een jonge autistische vrouw die is aangesteld als kwaliteitscontroleur in een slachthuis. Wanneer ze ontdekt dat ze haar dromen deelt met een al even sociaal onhandige collega is dat het begin van een voorzichtige toenadering. Door ze in hun droomscènes in dierengedaante te tonen weet Enyedi je op een heel onverwachte manier in contact te brengen met hun emotionele binnenwereld.’

TPO: ‘Vervelend? Welnee, in A Pen Of All Work zoals de tentoonstelling heet, heerst de verkwikking van het politiek en cultureel incorrecte. Waar kom je dat nog tegen in een museum? Ondanks de hoeveelheid worden Pettibons werken ook nog eens bij elkaar gehouden door een prettig soort satire, sarcasme en zwarte humor. Een beetje kunstenaar refereert uiteraard aan de actualiteit. Reken maar dat er een aantal spotprenten hangen over Donald Trump.’

OOR: ‘Met het nieuwe The Castle laten The Flaming Lips horen dat het de combinatie van psychedelische rock en die typische jaren tachtig-sound nog steeds tot een aanstekelijk geheel weet te maken. Het is de frontman – die dansend en zingend over het podium loopt – eindelijk gelukt de zaal goed los te krijgen. De rest van de band staat er in vergelijking met Wayne Coyne rustig bij en is vooral gefocust op de instrumenten. Helemaal niet erg, want daardoor valt er niet alleen visueel, maar ook muzikaal het nodige te genieten.’

Sandra van BIjsterveld: ‘Het beeld van de zachtaardige Olli en zijn verliefdheid in de harde bokswereld levert komische situaties op en dat zorgt ervoor dat deze film niet zwaarmoedig is geworden. Tegelijkertijd zit er een serieuze vraag in de film waarmee we allemaal wel eens te maken krijgen: wat is belangrijker, (uiterlijk) succes en voldoen aan verwachtingen, of jezelf blijven en je hart volgen?’

Theaterkrant: ‘Vogel beoefent een integere en boeiende manier van vertellen: ze neemt de toeschouwer mee door alle twijfel die ze heeft als het gaat om de noodzaak van vluchtelingenwerk. Openhartig laat ze weten dat ze nauwelijks iets weet van de Syrische-vluchtelingenproblematiek, van een dictator als Assad, van het Midden-Oosten. Ja, het moet iets zijn met ‘zand en kamelen’.’

Aantal overnachtingen en goed gelukte city branding als hoogtepunten voor de Culturele Hoofdstad. Dag AARHUS2017, hallo LEEUWARDEN2018. En: VALLETTA2018, mag ik mijn aardappel terug?

0

Een oeroude melodie zweeft, knettert en dreunt door het gemeentehuis van het Deense Aarhus. De stad is bijna Europese Culturele Hoofdstad-af. Daarom horen we hetzelfde lied bij de overdrachtsceremonie als bij de start op 21 januari. Toen vierde Aarhus het begin van van Aarhus, Europese Culturele Hoofdstad en daverde ‘Jeg drømte mig en drøm i nat’ door de Aarhusse straten.

Kopstukken uit Aarhus’ politieke en culturele leven kijken glimlachend toe hoe de #Aarhus2017-bobo’s het afgelopen culturele jaar op waarde schatten. Burgemeester Jacob Bundsgaard noemt het aantal overnachtingen en de goedgelukte city branding als hoogtepunten. De CEO van #Aarhus2017, Rebecca Matthews, gloeit nog na van alle tentoonstellingen, voorstellingen en projecten die 2017 heeft opgeleverd. Maar vooral de daaruit voortgekomen contacten zijn voor haar het belangrijkst.

Toen kwam de overdracht van het estafettestokje. In dit geval twee zwarte stenen sculpturen met loodzware Noordse uitstraling. Hét moment voor de nieuwe tweelinghoofdsteden, Valletta en Leeuwarden, om een schot voor de boeg te geven.

Boeren, burgers, buitenlui?

Waar Valletta nadrukkelijk voor de stad als aanjager voor de kunst kiest, kiest Leeuwarden voor de verbinding tussen stad en platteland – net als Aarhus dat deed. Veertig procent van alle cultuurprojecten vinden in Leeuwarden plaats, maar de overige zestig procent zijn verspreid over heel Friesland.

In hun aanstekelijke duo-presentatie belichten Claudia Woolgar (Cultural Producer) en Jelle Burggraaf (Head European Affairs) een paar hoogtepunten uit de ruim zestig ‘grote’ evenementen die Leeuwarden en Friesland te wachten staan.

Die grote evenementen mikken (vaak) op een internationaal publiek en zijn geconcentreerd in Leeuwarden, zoals de (al lopende) Mata Hari-tentoonstelling, of de net-echte reuzen van Royal de Luxe die in augustus Leeuwarden onveilig komen maken. Maar ook in Harlingen, de Tall Ships Races, en in Drachten, ofwel Dr8888. Daar nemen Dada en De Stijl de stad tijdelijk over.

Gratis plassen

De kleine evenementen en projecten van #Leeuwarden2018 komen voor het grootste gedeelte voort uit ‘Iepen Mienskip’ of wel Open Gemeenschap. Grassroots, in goed Nederlands. Groepen en individuen uit de Friese samenleving hebben hun ideeën aangemeld. Twee daarvan geven een idee van de geest van #Leeuwarden2018. Dat zijn Free to Pee en Poetic Potatoes.

Free to Pee is de verbluffend eenvoudige oplossing van een bekend festivalprobleem: het gebrek aan openbare toiletten. In plaats van extra toiletten op strategische plaatsen in de stad, maakt het festival gebruik van de reeds aanwezige toiletten. Namelijk die in de huizen van de stadsbewoners. Particulieren in Leeuwarden kunnen met een ‘Free to Pee’-sticker op hun deur laten weten dat bezoekers van hun wc gebruik kunnen maken. Weg met de Dixi’s!

Aardappel anders

Toen in 2012 de voorbereidingen voor Leeuwarden 2018 van start gingen, vroeg boerin Froukje de Jong aan de organisatie: ‘Weten jullie wel dat er tussen Malta en Friesland al een jarenlange band bestaat?’ De Maltezer aardappel, bekend bij verstokte aardappeleters als ‘de’ nieuwe aardappel, komt inderdaad van Malta. Maar het pootgoed voor de aardappel komt uit Friesland – om precies te zijn uit Het Bildt. En dat is al 160 jaar zo.

In het Internationale Jaar van de Aardappel 2008 organiseerden Friese aardappeltelers De Bildtse Aardappelweken: een kunstfestival losjes gedrapeerd rond de aardappel. In 2012 ontstond naast de bestaande, agrarische verbanden ook een culturele band tussen Malta en Friesland. Valletta en Leeuwarden werden toen namelijk uitverkozen tot European Capital of Culture (ECOC). Het zijn allebei ook tweetalige steden. Naast Engels en Nederlands zijn Malti en Fries officiële voertalen. Daarmee kreeg het aardappelfestival, met dank aan aanjager boerin Froukje de Jong, een nieuwe dimensie: Poetic Potato.

Sinds het najaar van 2014 reizen er elk jaar tien Friese gedichten samen met het pootgoed naar Malta. En sinds het voorjaar van 2015 reizen er jaarlijks tien Maltese gedichten met de nieuwe aardappels terug.

Als voorlopig hoogtepunt komt in het voorjaar van 2018 een boek uit met de verzamelde gedichten. Parallel aan het poëtische project loopt een schoolproject. Daarin schrijven leerlingen van Maltezer en Friese scholen ook gedichten in alle vier de officiële talen. Maar ze leren ook meer over Malta, Friesland, landbouw en eten. En zo komen minderheidstalen, voedingsleer, landbouw en kunst samen in een onverwachte combinatie. What’s not to like?

Ontwerp: Harlingse Boys

Vrijwilligers, de smeerolie voor cultuur

Eén van de zaken die #Aarhus2017 af en toe wel hebben bemoeilijkt, is het aantal vrijwilligers. Op het eerste gezicht was dat niet zo zichtbaar omdat de fel-oranje jasjes overal te vinden waren tijdens evenementen. Bijvoorbeeld op de afsluitingsavond, 9 december. Op de meest obscure plaatsen stonden vrijwilligers met zaklantaarns in de vriesnacht om het toegestroomde publiek bij te lichten en te waarschuwen voor het gladde plaveisel.

Bij grote evenementen die meer tijd en inzet vergden, werden de aantallen echter niet gehaald. Zo waren bij de openluchtvoorstelling Røde Orm veel minder figuranten betrokken. Daardoor zagen de veldslagscènes er een stuk minder massaal en indrukwekkend uit dan voorzien. De gevraagde inzet loog er ook niet om: bijna een jaar lang oefenen en leren zwaardvechten, en de hele maand juni bijna elke avond spelen.

Bij #Leeuwarden 2018 zijn ze daar niet zo bang voor. “We hebben geïnformeerd bij alle deelnemers, en die zeiden dat ze hun zaakjes eigenlijk aardig op orde hadden,” zegt CEO Tjeerd van Bekkum. Niettemin heeft de organisatie een oproepteam van vrijwilligers opgezet, dat kan bijspringen in de hele provincie als de nood opeens aan de man is.

Aanloop naar cultuur en werk

Van Bekkum noemt nog een ander, bijzonder aspect van de vrijwilligerscoördinatie in #Leeuwarden2018: een aantal vrijwilligers zijn langdurig werklozen. Onder de vleugels van welzijnsorganisatie Wellzo krijgen ze een duwtje in de richting van de arbeidsmarkt, door bij wijze van aanloop vrijwilligerswerk te doen.

Maar zover is het nog niet. Op vrijdag 26 januari gaat #Leeuwarden2018 van start – in de hele provincie. Alle musea zijn die avond open, en met klokgebeier begint het nieuwe culturele jaar. Op zaterdag 27 januari staat Leeuwarden in het middelpunt . Dan verandert de stad in een lopend buffet van de culturele belevenissen, die voor 2018 op de rol staan.

Goed om te weten Goed om te weten
Bekijk het programma van #Leeuwarden2018 hier

Lees meer over de overdracht hier 

Winternachten Festival biedt de beste kans om grote schrijvers van dichtbij te zien. En Francis Broekhuijsen.

0
Francis Broekhuijsen (Foto Govert Driessen)

Vanaf 18 januari staat Den Haag in het teken van Winternachten. Dat is volgens ons het leukste literatuurfestival van het westen van Nederland. Het gaat dit jaar onder meer over Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, de lijfspreuk van de Franse Revolutie. Maar ook over Karl Marx. Onder het motto ‘we the people’ gaat het tijdens Winternachten dus over populisme en afscheiding, over collectiviteit en individualisme. Kortom: hoe kijken schrijvers uit landen als India en stadswijken als de Schilderswijk aan tegen de verwarrende wereld van vandaag.

In dit bericht vind je links naar de boeken van auteurs die optreden tijdens het Winternachten Festival 2018. We brengen die links in samenwerking met Bol.com. Met een aankoop via die links help je ons ook de winter door, want Cultuurpers ontvangt, net als de schrijver, een percentage van de verkoopopbrengst.

De Aftrap op donderdag

Poetry slam-talent Sanam Sheriff uit India, dichters Efe Murad (Turkije) en Ghayath Almadhoun (Zweden), en dichter-schrijvers Maarten van der Graaff en Rodaan Al Galidi uit Nederland. Met deze schrijvers stelt Winternachten festival een nieuwe internationale literaire generatie voor. Ze dragen voor uit eigen werk en Hassnae Bouazza spreekt daarna met alle deelnemers over de zeggingskracht van poëzie.

Mohsin Hamid komt uit Pakistan en werd dit jaar nog genomineerd voor de Man Booker Prize met zijn roman Exit West. Hij houdt daarom dit jaar de Free the World!-toespraak, de traditionele opening van het vierdaagse festival. Na afloop worden de PEN Awards uitgereikt. Die prijs gaat meestal naar schrijvers die niet zelf aanwezig kunnen zijn, omdat hun regering uitreizen verbiedt of ze in de gevangenis zitten. Of vermist zijn. Dat maakt de prijzen feestelijk, maar ook tragisch en zeker noodzakelijk.

Er is daarbij ook muziek van Boi Akih. En poëzie door Joost Baars.

Friday Night Unlimited

Twee lange avonden vol poëzie, gesprekken, muziek en zelfs dans in het Theater aan het Spui. We zijn er alweer voor het zesde jaar bij en zinnen op nog iets ludieks. Want dat hoort er eigenlijk een beetje bij. Maar er komt van ons vooral een gecombineerd live verslag via twitter en snedige nabesprekingen, en mogelijk een bijzonder interview. Zoals dat van twee jaar geleden, met Susan Neiman. Over David Bowie, die toen net dood was.

De Toegift. Winternachten hoofdgast Susan Neiman over David Bowie (onder andere) #wn16

Wie er verder langskomt? Te veel om op te noemen. Een poging (en koop hun boeken!): in de filmzaal begint het met een programma met Felix Rottenberg, Gerlinda Heywegen en Tom Domisse. Het gaat over retorica. Ofwel: hoe je met een speech je publiek naar je hand kunt zetten.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap

Hoe Adriaan van Dis en Damiaan Denys elkaar op de sofa te grazen nemen (met woorden) kun je meemaken in zaal 2, om 20:00 uur, terwijl tegelijk in de grote zaal Alain Mabanckou een lezing houdt over vrijheid, gelijkheid en broederschap, en wat die voor ons eigenlijk nog betekenen. Aansluitend gaan Louise O. Fresco, Luuk van Middelaar, en Stephan Sanders met hem en elkaar in gesprek over de waarde van die begrippen. Er is ook muziek.

Gustaaf Peek schreef in 2017 een pamflet (Verzet!) waarin hij oproept het werk van Karl Marx te herwaarderen. Zijn idee van gelijkheid tussen mensen was volgens de jonge dichter zo slecht nog niet. Hij gaat over dat standpunt in debat met Georgisch-Duitse schrijver Nino Haratischwili en de Roemeense dichter en essayist Magda Cârneci. Hoogleraar en essayist Paul Scheffer leidt het gesprek.

Oxytocine

Bas Heijne gaat later op de avond in gesprek met de Vlaamse cultuurhistoricus en schrijver David Van Reybrouck, de Frans-Marokkaanse bestsellerschrijver Leïla Slimani, de Turkse dichter en filosoof Efe Murad, de Duitse schrijver Fatma Aydemir en de Poolse romanschrijver en journalist Grazyna Plebanek. Het gaat over dat wat oxytocine veroorzaakt: broederschap. Iets dat zowel prettige gevolgen heeft (gezellig!) als onprettige consequenties (Die anderen deugen niet). Kan pittig gesprek worden.

De eerste avond eindigt (voor het dansfeest tot in de kleine uurtjes) met een ode aan de vreugde. Bijna alle schrijvers en dichters van deze avond dragen hun eigen versie van de Europese gedachte voor.

Boek van mijn leven

Vast en avondvullend tijdens beide avonden is het onderdeel ‘Boek van Mijn Leven, waarin schrijvers aan Hassnae Bouazza uitleggen wat het boek was dat hun leven heeft bepaald. We kunnen verwachten: Gustaaf Peek, David van Reybrouck, Joost Baars, Ghayath Almadhoun, Alain Mabanckou, Mohsin Hamid, Leila Slimani, Grazyna Plebanek, Magda Carneci, Marjolijn van Heemstra, Sanam Sheriff, Charlotte van den Broeck, Efe Murad en Fatma Aydemir.

De straat op

Zaterdag overdag, wanneer de auteurs een beetje zijn bijgekomen van de voorgaande nacht,  verspreidt Winternachten zich over Den Haag. In het ISS (de aardse versie) gaat het over verhalen vertellen, ofwel ‘Storytelling’. Efe Murad (Turkije), Magda Cârneci (Roemenië), Mira Feticu (Nederland) en Çaglar Köseoglu (Nederland) gaan in gesprek met studenten en wisselen verhalen van revolutie uit. Belooft een warm bas te worden.

Een paar andere schrijvers duiken de Schilderswijk in, in de bibliotheek van deze beroemde wijk zijn er optredens van Sanam Sheriff, poetry slam-talent uit India en de jonge schrijver-columnist (en Schilderswijker) Hizir Cengiz. Dichter en buurtbewoner Ibrahim Eroglu brengt samen met zijn dochter, vocaliste Cansu Eroglu, Turkse poëzie ten gehore.

Groot feest wordt het ook in Theater Dakota in die andere beroemde wijk van Den Haag, Escamp. Alleen al omdat Rodaan al Galidi daar langskomt. Hij treedt samen met Charlotte Van den Broeck op. En dan is er natuurlijk ook muziek. Van Monir Goran dit keer.

Verder zijn er optredens van buurtbewoners en studenten, die met eigen verhalen en spullen komen. Het belooft, mede door de altijd flamboyante presentatie door Francis Broekhuijsen, een intense middag te worden.

Leesclub

Voor mensen die de wijk niet in durven of kunnen is er natuurlijk ook nog van alles te beleven rond het fetivalhart in  het Theater aan het Spui. Kader Abdollah en Funda Müjde vertellen over hun favoriete boek, Frank Westerman spreekt met Mohsin Hamid over diens roman De val van de fundamentalist en voor de echte liefhebbers praat Ban Heijne met de immer jeugdige NRC-leesclub over Madame Bovary. Ga er heen, kan echt niet misgaan.

Saturday Night Live.

Hier gebeurt echt te veel. Eigenlijk. Het gaat over Marx, over grenzen, Marjolein van Heemstra gaat op de sofa bij Damiaan Denys.  Ghayath Almadhoun, Hassnae Bouazza, Mohsin Hamid en Paul Scheffer praten over de noodzaak van grenzen en de onmogelijkheid van grenzen. Met onder meer de Duitse bestsellerauteur Fatma Aydemir en Grazyna Plebanek gaat het over de woede die in Europa rondwaart.

Buiten, of liever gezegd in het café van Winternachten, de foyer van Theater aan het Spui zullen scholieren hun eerste schreden zetten op het dichterspad. Tot er weer kan worden gedanst. Met DJ Socrates.

Goed om te weten Goed om te weten

Festival Winternachten duurt van 18 t/m 21 januari 2018. Inlichtingen en reserveren.

Meer diversiteit op de culturele werkvloer? ‘Ze zijn er niet’, bestaat niet. De bal ligt nu bij de werkgevers: kijk buiten je eigen kaders en toon lef. #LinC

0
Stephanie Hermes, fotograaf Sebastiaan ter Burg, certificaat uitreiking LinC

Als​ ​ik​ ​in​ ​de​ ​culturele​ ​sector​ ​een​ ​vacature​ ​uitschrijf,​ ​krijg​ ​ik​ ​prachtige​ ​brieven toegestuurd.​ ​Kandidaten​ ​zijn​ ​doorgaans​ ​afgestudeerd​ ​op​ ​een​ ​kunstgerelateerd​ ​vak aan​ ​een​ ​hogeschool​ ​of​ ​universiteit​ ​en​ ​hebben​ ​stages​ ​of​ ​werkervaring​ ​aan​ ​culturele instellingen​ ​van​ ​naam.​ ​Meestal​ ​zijn​ ​ze​ ​vrouwelijk,​ ​blank​ ​en​ ​hebben​ ​ze​ ​hun​ ​studie​ ​met mooie​ ​cijfers​ ​afgerond.​

​Toch​ ​worstel​ ​ik​ ​met​ ​een​ ​probleem.​

​Ik​ ​woon​ ​en​ ​werk​ ​in​ ​Den Haag.​ ​54%​ ​van​ ​de​ ​bevolking​ ​is​ ​van​ ​niet-Nederlandse​ ​origine,​ ​ongeveer​ ​50%​ ​van​ ​de inwoners​ ​is​ ​man.​ ​Hoe​ ​kom​ ​ik​ ​tot​ ​een​ ​heterogeen​ ​team​ ​dat​ ​een​ ​afspiegeling​ ​is​ ​van​ ​de stad? Soms denk ik dat een quotum de beste oplossing zou zijn. Laten we zeggen, een quotum man/vrouw. Of een quotum ‘waar liggen je roots’. Of een quotum ‘minstens 50% van het team spreekt naast Nederlands ook Arabisch/ Hindi/ Turks/ Berbers/ Chinees/ Thais/ Somalisch/ Bahasa Indonesia/ Egyptisch op B2 niveau’. Of…

Als ik over dit vraagstuk met collega’s discussieer, oppert er altijd minstens één: je moet de meest geschikte kandidaat kiezen. Degene die het best past bij de functiebeschrijving, degene met de juiste papieren, de juiste studie, de beoogde nodige netwerken. Dus gewoon: kies de beste.

De​ ​beste​ ​kandidaat

Ik betwijfel echter of de beste kandidaat ook de meest geschikte is. Wat wij in de culturele sector als het beste beschouwen is altijd gekleurd door onze kijk op het leven en het werk. Het bestaande idee van het beste gaat over een bepaald kennisniveau, een beoogde werkwijze, een bepaald netwerk, een beoogde manier van communiceren en van praten.

De sector kiest graag kandidaten met de manieren die bij hem passen, die bekend en dus vertrouwd zijn. Een standaard waar de meeste collega’s in de culturele sector mee opgegroeid zijn vanuit gezins- en middelbare schoolervaring, een standaard die we hebben geleerd binnen onze kunstopleiding en vervolgens in onze werkomgeving. Tot nu toe kiest de sector in het personeelsbeleid niet voor onbekende wegen, ongemakkelijke paden of werkwijzen die in zijn ogen ineffectief zijn.

De​ ​vraag​ ​om​ ​kwaliteit

Dat is verklaarbaar. De culturele sector staat onder druk, de vanzelfsprekende waardering voor kunst neemt af en beschikbare middelen zijn minimaal. Er is een onophoudelijke roep om kwaliteit, voor de Raad voor Cultuur bijvoorbeeld staat kwaliteit centraal bij het beoordelen van subsidieaanvragen. Dus kiezen we alsmaar vertrouwde kandidaten omdat we onder druk staan om kwaliteit te leveren. Alleen: druk en kwaliteit verhouden zich slecht tot elkaar; en wat bedoelen we eigenlijk met kwaliteit?

Kwaliteit is iets dat we kunnen voorspellen, inplannen, berekenen.
Wat ik vooral ervaar is dat wij onder kwaliteit iets verstaan dat risicomijdend is. Kwaliteit is iets dat we kunnen voorspellen, inplannen, berekenen. Kortom: iets dat niet fout kan gaan. We willen de volgens onze maatstaven beste kwaliteit in medewerkers, en dat gaat in de huidige mindset niet samen met betrekken van buitenstaanders. Zij vormen een onzekere factor, een niet in te schatten afbreukrisico, zeker als het om sleutelposities gaat.

Zijn​ ​die​ ​goede​ ​mensen​ ​er​ ​niet,​ ​of​ ​zien​ ​we​ ​ze​ ​niet?

Naast het vermijden van risico is een veelgehoord argument voor het vasthouden aan een homogeen team: “ze zijn er niet”. Kandidaten met de juiste kwaliteit en een niet-oorspronkelijk Nederlandse achtergrond ontbreken. Migrantenkinderen kiezen immers vaak voor traditioneel veilige opleidingen zoals rechten, medicijnen, economie en bedrijfskunde in plaats van cultuuropleidingen. Opleidingen in kunst en cultuur lijken te onzeker om als toekomstperspectief en investering gekozen te worden.

Maar wanneer ontstaat precies de droom om je bezig te houden met kunst en cultuur? Op je 18de jaar? Als je net klaar bent met je middelbare school? Wanneer je om je heen kijkt wat je vrienden doen? Als je ouders je onder druk zetten om een studie te kiezen waar je echt geld mee kunt verdienen? Op je 30ste, als je beseft dat je je werk toch nog echt een hele lange tijd zal vol moeten houden, en je dus gaat overdenken waar je hart echt naar uitgaat? Ook al zijn er wellicht relatief weinig kandidaten via de traditionele onderwijsroute, dat wil niet zeggen dat ze niet vanuit andere sectoren kunnen overstappen.

Ontbrekend​ ​referentiekader

Ik had de films niet gekeken die je moest kijken, ik had de vooropleidingen niet gevolgd waar je op had moeten zitten, ik kende de beroemdheden niet, die liedjes zeiden me niets, ik had de voorstellingen niet gezien.
Mijn vader zei in 1991 tegen me: ‘Kind, ga werken bij een bank. En studeer Chinees. Dat is wat je moet doen. Dan lacht je een gouden toekomst tegemoet.’ Hij had gelijk. Had ik kunnen doen. Zat ik nu niet dit artikel te schrijven. Ik koos een andere uitdaging. En toen ik via omwegen als – ja ik ga dit geschrapte woord toch wel gebruiken – als allochtoon op een Nederlandse Hogeschool voor de Kunsten terecht kwam, voelde ik de kloof. Ik was een laatbloeier én een buitenstaander. Ik had de films niet gekeken die je moest kijken, ik had de vooropleidingen niet gevolgd waar je op had moeten zitten, ik kende de beroemdheden niet, die liedjes zeiden me niets, ik had de voorstellingen niet gezien.

Bovendien was mijn taal niet perfect, ik had een accent dat mij duidelijk als buitenlander kenmerkte, en ik snapte de grapjes niet. Lastig voor mijn omgeving, dat andere denken en dat ontbrekende referentiekader. En natuurlijk ook aanleiding tot het vormen van een eigen identiteit: ik was anders en dat maakte mij bijzonder, vond ik.

Stapje voor stapje

Andere landgenoten zochten vooral elkaar op, vertrouwd, veilig en het gevoel gedeelde herinneringen gemeenschappelijk te hebben. Ik wilde bij mijn nieuwe landgenoten horen en nam alle hulp aan die er onderweg geboden werd. Ik leerde, door te doen. Stapje voor stapje. Ik greep elke kans die er langs kwam. Probeerde soms aan mensen uit te leggen dat het knap lastig is om de weg te vinden in een ander land, de manier te begrijpen waarop gecommuniceerd wordt. Men ging ervan uit dat ik me zou aanpassen en dus mee kon rennen met de anderen. Omgaan met die drempels, bluffen en me continu proberen te verbeteren, me redden ook al stond ik er alleen voor, blijven leren, dat heb ik van die tijd overgehouden.

Niets ging vanzelf. Ik werd gedreven door een sterk ‘ik wil’. Nu terugblikkend heeft dit freerunnen mij gevormd. Deze ervaringen helpen mij en mijn anders zijn mij juist bij het oplossen van grotere vraagstukken.

De​ ​drempel​ ​is je ​leermeester​

De buitenstaanders, ‘de anderen’, zijn er allang klaar voor om de nodige stappen te nemen. Juist hun doorzettingsvermogen maakt hen onderscheidend. Darvin Edwards, afkomstig van het onafhankelijke eilandje Saint Lucia, voormalig hoogspringer, zei in de documentaire Londens meest luxueuze Hotel het volgende: ‘Ik kom uit een omgeving waar je constant moet presteren. Zonder hindernissen kun je niks presteren. Ik ben dol op hindernissen. Kom maar op. Ik leer ervan.’

Deze omhelzing van de barrières zal een van de sleutels zijn voor het overwinnen van de grote obstakels waarmee de culturele sector geconfronteerd is en tot nu toe geen antwoord op heeft gevonden. Hoe kan een culturele werkgever nu de moed opbrengen om deze expertise van hordelopers, hoogspringers en freerunners daadwerkelijk in zijn organisatie op te nemen?

Kies​ ​voor​ ​de​ ​hoogspringer

Wat heeft een werkgever nodig om uit zijn comfortzone te stappen en een voor zijn gevoel aanwezig risico aan te gaan? Ik zou willen beginnen bij een aantal ijkpunten. Stel, de opleiding doet er niet toe, maar een bepaald denkniveau wel. Professor Paul Boselie bevestigde tijdens een recente lezing: een intelligentietest is de beste graadmeter om te voorspellen hoe iemand ten opzichte van anderen gaat presteren. ‘Als je niet met een intelligentietest wilt werken, dan kun je ook een integriteitstest gebruiken, ook een hele goede voorspeller’, zegt Boselie.

Als werkgever wil ik mensen die in staat zijn nieuwe leerstof tot zich te nemen, die buiten de gebaande paden kunnen denken, die parallellen uit hun vakgebied kunnen leggen met de inhoud van de nieuwe arbeidsomgeving. Een CV met de ‘passende’ opleidingen doet er dan niet meer toe, referenties zijn oninteressant. De werkgever staat dan oprecht open voor de ander.

Zoek​ ​ze​ ​op

Door diepgaand begrip voor elkaar te ontwikkelen komt het grote voordeel van diversiteit naar boven.
Als een culturele werkgever werkelijk nieuwe wegen wil inslaan, vereist dat een grote nieuwsgierigheid naar de ander, moed om af te wijken van de collega’s en doorzettingsvermogen om de nieuwe richting vol te houden. Birgit Sziller van adviesbureau HRD Hamburg is duidelijk: juist heterogene teams zijn in staat om excellente prestaties te leveren.

Door diepgaand begrip voor elkaar te ontwikkelen komt het grote voordeel van diversiteit naar boven. Het creatieve proces floreert bij de verschillende perspectieven en ervaringen. Men luistert naar elkaar, ontwikkelt daardoor meer prototypes en vindt ongewone oplossingen. Blinde vlekken worden verminderd, omdat men minder in routines vervalt. En de interculturele competenties, de meest belangrijke voor deze 21ste eeuw, worden bevorderd: medewerkers kunnen beter met verschillen omgaan en kunnen daardoor makkelijker actief blijven, meerduidigheid en het gevoel van niet-weten kunnen zij beter verdragen.

Plezier

Met deze voordelen in het achterhoofd zal het voor culturele organisaties een plezier zijn om diverse teams samen te stellen. De zoektocht naar de kandidaten die tot nu toe uit het zicht waren, zal bijdragen aan nieuwe energie en elan van de organisatie. Zijn ze er niet? ‘De anderen’ zijn er wel degelijk. En ze zijn hard nodig om de cultuursector beter te laten aansluiten bij de samenleving.

Waar kun je ze vinden? Ga daarheen waar de doelgroep zit, op sociale media, bij evenementen en ook in je eigen netwerk. Als het nodig is, ga de wijken in. Ga ze opzoeken. Denk als een marketeer, zorg dat ze bij jou solliciteren. Doe je dat niet, dan mis je deze wonderschone doelgroep en de grote kans die er voor de cultuursector ligt. De bal ligt nu bij de werkgevers: kijk buiten je eigen kaders en toon lef.

Brian Elstak schreef Tori. Eindelijk een boek voor alle kinderen? Afke Bohle vroeg het aan de hare. Het antwoord is verrassend.

0
©Brian Elstak

A Quattro Mani’s pop-uprecente Afke Bohle gaat de uitdaging aan om met haar zoons een boek te lezen. Na goede ervaringen met Suzie Ruzie en De Groene Hand-serie van Susan van ‘t Hullenaar waagt ze zich nu aan Tori, het recente kinderboek van Brian Elstak in samenwerking met schrijfster Karin Amatmoekrim, dat wordt aangeprezen met: ‘eindelijk een boek voor álle kinderen’. Kan niet missen dus. Toch?

Boekenhit

Als ik het boek Tori opensla, valt er een kaartje uit van uitgeverij DasMag. ‘Eindelijk een boek voor álle kinderen’ staat erop. Ik vraag me af wat ze daarmee bedoelen. Deden kinderboeken(auteurs) dan aan discriminatie?

Het boek schijnt een hit te zijn in de Randstad, en op de Facebookpagina van DasMag buitelen de positieve reacties van dagbladen en bekende volwassenen over elkaar heen. Het liefst begin ik zo onbevangen mogelijk aan een boek en lees ik geen recensies voordat mijn jongens en ik het boek zelf hebben gelezen. Nu sluipt er onzekerheid in mijn hoofd. Ineens voel ik de druk om ‘iets verantwoords’ af te leveren. Ik voel me zoals ik mij ook op de middelbare school kon voelen tussen de alto’s en kakkers met hun muziekstijl, hun eigen taal en kledingstijl. Ik stond ertussen, maar was nooit één van hen. Wat als ik de boodschap van het boek niet heb begrepen?

Donald Duck

©Brian Elstak

Mijn kinderen (twee jongens en een dreumes) hebben nergens last van. Joppe,de oudste van 8 jaar, met wie ik dit boek wil lezen, zei dat hij het ‘best’ vond. Eerder, bij de recensie van De Groene Hand van Susan van ‘t Hullenaar, was hij heel enthousiast. Maar nu kiest hij tot mijn ergernis voor de Donald Duck in plaats van het boek. Sem, de middelste van 5, kijkt over de rand van het stapelbed naar beneden en zegt zacht dat hij wel wil lezen, maar dat lijkt me geen goed plan. Tori lijkt mij een boek voor wat oudere kinderen, niet geschikt voor kleuters. Ik geef hem een kus en pak Rupsje Nooit Genoeg voor hem uit de kast. Morgen weer een nieuwe kans.

De volgende avond pak ik het anders aan.

Ik kondig aan dat we (leuk!) het nieuwe boek gaan lezen.

Vechtsport

Als ik begin, klimt Sem uit zijn bed en nestelt zich stilletjes naast mij. We besluiten eerst de plaatjes te bekijken en op te zoeken wat ‘Tori’ betekent. ‘Tori: in het Sranan en via deze taal ook in het Surinaams-Nederlands, een verhaal. Tori: een vechtsport.’ lezen we op Wikipedia. Ik ben benieuwd of mijn jongens opmerken dat de kinderen in het boek ‘een kleurtje’ hebben. Bij iedere bladzijde die we omslaan hoor ik: ‘Wow.. kijk dan! Hier, DoesjhBam!’ De broers lachen precies op hetzelfde moment om dezelfde dingen. Ze hoeven elkaar niets uit te leggen, het lijkt alsof ze elkaar woordeloos verstaan. Ik heb geen idee waar ze het over hebben en let duidelijk op heel andere dingen. Sem roept: ‘Hee, die jongen met het zwaard heeft soms gewone kleren aan en soms “oerwoudkleren”.’ Het was mij niet opgevallen.

We beginnen te lezen.

Schildpad Jean-Michel vóór… ©Brian Elstak

Het verhaal gaat over drie mensenkinderen – Zi, Cel en Bones – die opgroeien bij hun vader Jean-Michel, de reuzenschildpad. Jean-Michel vertelt verhalen waar iedereen zo graag naar luistert dat hij ze op een dag besluit te bundelen en uit te geven. Hij vraagt zijn vriend Lennox om hulp, maar Vos, een sluwe zakenman, heeft andere plannen. Zonder dat ze het in de gaten hebben komen de kinderen in een spannend avontuur terecht als ze hun vader willen helpen en wordt hun moed en vertrouwen op de proef gesteld.

Babybots

En schildpad Jean-Michel ná. ©Brian Elstak

Ik verwacht dat mijn kinderen vragen zullen stellen over hoe het kan dat drie mensenkinderen opgroeien bij een reuzenschildpad, maar tot mijn verbazing nemen ze het verhaal aan voor wat het is. In het boek leven bestaande dieren, mensen en fantasiefiguren, zoals babybots, naast elkaar. Hun verschillende karakters komen duidelijk naar voren net als de verschillende kwaliteiten van Zi, Cel en Bones die tezamen een enorme kracht vormen. Dat laatste vormt een mooie brug naar mijn eigen kinderen die zo vaak gefrustreerd raken doordat ze zichzelf met de ander vergelijken en alles ‘hetzelfde’ willen. Als ik opzij kijk, zie ik dat Joppe inmiddels de Donald Duck ligt te lezen. Hoe is het mogelijk! Ik slik mijn woorden van verontwaardiging in en denk aan wat ik net voorlas: ‘Ze deden altijd goed hun best. Dat vond Jean-Michel belangrijk, dat ze hun best deden. Want meer kon je niet doen.’

Potloodzwaard

Ik constateer dat ik mijn best heb gedaan. Dan trekt Sem aan mijn mouw en zegt:  “Mama kijk, eigenlijk zijn wij dit.” Hij wijst naar Zi, Cel en Bones. “Twee jongens en een meisje, net als bij ons.”

Het befaamde potloodzwaard ©Brian Elstak

De dagen daarna lees ik samen met Sem verder. We lezen hoe de kinderen in spannende situaties terechtkomen; over moed en jezelf niet laten intimideren. We lezen hoe niet iedereen altijd is zoals je verwacht dat ‘ie zal zijn; waarom niets voor altijd is, en dat zelfs slechteriken kunnen veranderen. Halverwege schuift Joppe weer aan. Hij is gefascineerd door de magische krachten van het potloodzwaard. ‘Als ik een potloodzwaard had zou ik een zeearend tekenen,’ mijmert hij. ‘Dan zou ik lekker boven de wereld kunnen vliegen en alles zien.’ Ik geniet van zijn opmerking, maar verslik me bijna als hij zegt: ‘Hm… Ik geloof toch dat ik een WII U zou tekenen, die heb ik liever.’

‘Ik zou toch liever een WII U tekenen.’ ©Brian Elstak

Kaartje

De laatste avond blijven we extra lang op zodat we het boek uit kunnen lezen. Sem hangt aan mijn lippen. Als we het boek dichtslaan, zegt Joppe verbolgen: “Dat was toch geen einde! Je moet maar snel vragen aan de schrijver of het volgende boek al af is, hoor.”

Als ik het boek wegleg valt het kaartje van de uitgeverij op de grond. ‘Eindelijk een kinderboek voor álle kinderen,’ leest Joppe hardop voor. Ik vraag hem wat hij daarvan vindt. ‘Nou, misschien is het boek toch niet voor mij, want ik hou niet zo van fantasie,’ antwoordt hij.

Stoer

Sem roept: ‘Maar het is wel voor mij, want ik ben al vijf! Ik denk dat het niet voor kinderen van drie jaar is hoor, dat is nog te eng. Ik vond het écht niet eng.’ Hij kijkt er heel stoer bij en gluurt of zijn broer het ook heeft gehoord.

Even later zet hij zijn ambulancewagen van Playmobil op mijn laptop, en hij drukt de knop van de sirene in. Verwachtingsvol kijkt hij me aan. ‘Hoor je het? Hij zegt “tori tori”!’

Ik luister, hou de wagen nog eens dicht tegen mijn oor, maar hoor niets wat op ‘tori tori’ lijkt. Voordat ik iets kan zeggen haalt hij zijn schouders op en rent hij weg met zijn ‘vliegende Tori-ambulance’. Ik benijd hem om zijn onbevangen geest en open blik.

Spannend

©Brian Elstak

Wat moet ik schrijven over ‘Eindelijk een kinderboek voor álle kinderen’? Ik heb genoten van het boek vanwege de spanning, de vormgeving en de wereld die wordt beschreven. Een wereld waarin iedereen naast elkaar leeft, waarin kleur en uiterlijk geen issue zijn. Een wereld waar ook goed en slecht voorkomen, maar in onverwachte vorm en steeds weer veranderend. Tori nam ons mee in een wereld zonder de hokjes zoals wij die in onze maatschappij kennen en die grote mensen, zo vaak onbewust, het leven laten bepalen. Een spannend avontuur voor mijn kinderen en een uitnodiging om hun eigenheid te ontdekken, te koesteren en delen met de rest van de wereld. Volwassen vastgeroeste geesten doen zichzelf een plezier door het boek samen met hun kinderen te lezen. Die van mij kan in ieder geval nog wel de prikkeling van een nieuwe ‘Tori’ gebruiken.

De auteurs Brian Elstak en Karin Amatmoekrim.

Ik besluit de auteurs een paar vragen te stellen.

In het boek is de vader van de drie mensenkinderen, Jean-Michel, een ‘tori-man’, een verhalenverteller. Wie was vroeger jouw ‘tori-man’?

Brian Elstak: ‘Als kind was ik een spons voor verhalen. Of ze nou van mijn ouders, opa, oma, ooms, tantes, neven of nichten kwamen, alles wat ik tof of interessant vond, archiveerde ik in mijn hoofd om later te gebruiken. Ik geniet nog steeds van die kluis vol ideeën. Tekenfilms en stripboeken waren bronnen vol inspiratie waar ik uit kon putten.

Fun Factory

Televisie in de ochtend op zaterdag en zondag waren altijd al een feest als klein kind. Fun Factory op Sky Channel voedde mij met Transformers, M.A.S.K, G.I. JOE, The Care Bears en Inspector Gadget. Yo! MTV Raps in het weekend gaf mij mijn belangrijke dosis hiphopcultuur en rapvideo’s waren alles voor mij. De verhalen die daar werden verteld door rappende superhelden maakte mijn oren scherp en mijn ogen groot, bijna net zo groot als de glimlach op mijn gezicht. Popcultuur was mijn tori-man. Bij de Tori-man in het boek wilde ik een hat tip doen naar één van mijn favoriete kunstenaars, namelijk Jean-Michel Basquiat.’

Er komen verschillende dieren voor in het boek en ze vertalen verschillende karakters. Was het voor jou meteen duidelijk welke karakters bij welke dieren hoorden?

‘Meestal zijn vossen in fabels sluw en slim. Ze doen vaak dingen voor eigen gewin. Dat heb ik uitvergroot bij Vos. Iemand omschrijven als een rat is vaak iemand die niet te vertrouwen is. Dat je met krokodillen en draken geen ruzie wilt hebben heb ik ook ingezet.’

Bad guy

‘Toch wilde ik spelen met het feit dat niet alles is wat het lijkt. Don’t judge a book by it’s cover. Wie zegt dat iemand écht een bad guy is? Daar wilde ik mee spelen.’

Welke lessen wil jij je kinderen meegeven met dit boek?

‘Er zitten er een heleboel in. Dat ze altijd hun best moeten doen. Écht hun allerbest. Als iets dan toch niet lukt, dan weet je dat je het in ieder geval geprobeerd hebt. Dat ze elkaar moeten beschermen als broers en zus zijnde. Dat wanneer je aangevallen wordt, je jezelf mag en moet kunnen verdedigen. Dat roddels dingen op scherp kunnen zetten en niet waar hoeven te zijn. Dat je dingen met een goed gesprek vaak kan oplossen. Dat je anderen niet moet beoordelen op uiterlijk, omdat dat niets over hun persoonlijkheid zegt. Dat en nog veel meer.’

Keurslijf

Karin, hoe was het voor jou om samen met Brian een boek te maken?
Karin Amatmoekrim: ‘Als schrijver ben ik niet gewend om samen te werken met anderen. De verhalen die Brian had opgeschreven waren heel spannend en bijzonder, maar het was ook een soort keurslijf waarbinnen ik moest schrijven. Het was echt zijn verhaal, zijn ideeën, en de personages waren gebaseerd op zijn kinderen. Ik heb er goed over na moeten denken of ik daaraan zou beginnen, maar toen ik als oefening een hoofdstuk schreef, bleek het juist heel goed te werken. Zijn verhalen waren het kader waarbinnen ik met taal kon kleuren. Het is een heel andere manier om je verbeelding te gebruiken.’

Waar gaat dit boek volgens jou over? 
‘Over drie kinderen die op eigen kracht de wereld tegemoet treden.’

Tijdens het voorlezen heb ik regelmatig de betekenis van woorden en uitdrukkingen moeten uitleggen aan mijn kinderen, bijvoorbeeld van ‘ten enenmale’, ‘prompt’, ‘langzaam stierf het gekibbel weg’ of ‘de achterste gelederen’. Heb je bewust voor zulk taalgebruik gekozen?
‘Ja, want ik geloof niet dat kinderboeken simpel geschreven hoeven te zijn. Ik denk dat we de rijkdom van onze taal vroeg moeten tonen. Kinderen zullen lang niet altijd precies weten wat een woord betekent, maar ze ontwikkelen zo wel een gevoel ervoor. Belangrijker nog is dat soms ouderwets aandoende uitdrukkingen een wereld oproepen die als het ware tegenover het flitsende verhaal staan. Het maakt het verhaal rijker dan wanneer het in eenvoudiger taal zou zijn geschreven.’

Gekleurd

Het boek wordt aan de man gebracht als ‘een boek voor alle kinderen’, onder meer omdat gekleurde kinderen de hoofdrol spelen. Heb jij vroeger als meisje dit soort boeken gemist?
‘Ik denk niet dat we bewust representaties missen, maar kinderen worden wel beperkt in hun voorstelling van wat ze zelf zouden kunnen zijn. Toen mijn dochter 4 was, zei dat ze wilde dat ze wit was en blond haar had. Toen ik vroeg waarom, antwoordde ze: ‘Alleen witte meisjes zijn prinsessen.’ Het is net als dat met meisjes opgroeien in de overtuiging dat stoer en avontuurlijk zijn alleen iets is voor jongens. Er zijn onvermijdelijk gevolgen verbonden aan een beperkte vorm van representatie.’

‘Maar Tori is niet vanuit een soort diversiteit-overtuiging geschreven. Toevallig zijn de drie hoofdpersonen bruin – net zo toevallig als het feit dat het gros van de kinderboeken in Nederland witte personages heeft. Ik kon me als kind prima identificeren met de kinderen in Kruistocht in spijkerbroek of De koning van Katoren. Witte, Nederlandse kinderen kunnen zich ook met Bones, Cel en Zi identificeren. Dat zie ik nu gebeuren bij de kinderen om me heen, en het is prachtig om mee te maken.’

Alle kinderen?

Dus. Is Tori eindelijk een boek voor alle kinderen? vraag ik mezelf af. Klopt dat wat wij grote mensen er allemaal van vinden en erin zien eigenlijk wel? Ik roep mijn kinderen bij me en vraag ze wat zij aan Brian en Karin zouden willen vragen over het boek. Sem heeft niets te vragen. Nou ja.. ‘Waar koop je eigenlijk zo’n potloodzwaard?’

Joppe rolt met zijn ogen. ‘Ik had al gezegd wat je moest vragen: wanneer is het volgende boek klaar?’
Ik leg mijn pen zónder magische krachten neer en kijk naar mijn kroost. Dan besef ik dat zij zonder het  te weten zojuist antwoord hebben gegeven op de vraag of Tori eindelijk een boek is voor álle kinderen. Het antwoord is dat die vraag er niet toe doet voor hen, degenen voor wie het boek is geschreven. Joppe stelde de beste vraag van het interview, uiteindelijk de enige die ertoe doet: wanneer komt het vervolg?

Goed om te weten Goed om te weten

Tori van Brian Elstak (i.s.m. Karin Amatmoekrim) is verschenen bij DasMag, € 19,99

De Raad voor Cultuur is op cursus Storytelling geweest. Het nieuwste advies van de Raad gaat dus alleen nog maar over verhalen. En over ruïnes.

0
Hotel du Parc in Saint Honoré stond al jaren te koop en dus leeg toen ik het in 2010 in deze staat aantrof. (foto auteur)

Een van de leuke dingen van Frankrijk is dat het niet aangeharkt is. Op elk fietstochtje, of wandeling over dat overwoekerde pad dat zo mooi begon, kun je zomaar tegen een ruïne aanlopen. Zo’n ruïne waar wij hier in Nederland al gauw een attractie van zouden maken, als we het stukje onbeheerd vastgoed niet allang zouden hebben gesloopt om plaats te maken voor een boetiekhotel.

Dus niet bij die Fransen. Zij hebben hun land in de afgelopen eeuwen, of liever millennia, zo vol geplempt met onroerend erfgoed dat er geen beginnen meer aan is om het te behouden, te restaureren of anderszins nuttig in te zetten. Dat ze soms even niet opletten is hun vergeven. Zoals toen die Hollandse prins naar zijn Orange kwam om de plaatselijke, aardig geconserveerde Romeinse ruïnes te slopen. Hij had de stenen nodig voor zijn stadsmuur.

Een advies zonder nieuws

Over die pragmatische en op economisch gewin gerichte aanpak van het Nederlandse erfgoedbeleid verscheen maandag 18 december een advies. Het zal u niet zijn opgevallen, want het advies bevat geen echt nieuws. Althans: de Raad voor Cultuur en de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur hebben samen een antwoord geformuleerd op de vraag van de vorige minister van Cultuur om een briefadvies over de toekomst van ons onroerend erfgoed. Denk: kerken, oude boerderijen, terpen, bekenlandschappen, weverspandjes en gietijzeren fabriekshallen.

Heel kort gezegd behelst het advies in de brief dat er niets hoeft te veranderen. We gaan best lekker met ons erfgoed. Zijn natuurlijk wel een paar dingetjes om op te letten. Zoals de stem des volks, die soms hele eigen opvattingen heeft over monumenten, zoals onlangs nog bleek bij het gesteggel rond de Mussertmuur in Lunteren. Komen ook nieuwe problemen bij, zoals het gedoe rond gebouwen of plekken die ooit geroemd werden om hun grandeur, maar waarbij nu de vraag gesteld wordt over wiens rug die grandeur tot stand gekomen is. Iets dat vooral speelt bij de nabestaanden van tot slaaf gemaakten uit onze rijke koloniale geschiedenis.

We gaan allemaal verhalen vertellen

In de tekst, die wegens een overdaad aan ambtelijk taalgebruik niet echt goed te lezen is voor de gemiddelde leek, duikt wel opeens het woord ‘storytelling‘ op. En niet een keer, maar honderd keer. Sterker nog: de raad speelt met het idee om het beleid minder te richten op stenen en meer op stories. Soms krijgt een plek pas betekenis door de verhalen die erover verteld kunnen worden, en nog vaker is een verhaal nog het enige dat overblijft van een plek, zoals bijvoorbeeld het voormalig concentratiekamp aan de duinrand bij Schoorl.

In ons kleine land is de ruimte beperkt. We kunnen we niet heel veel hectares vrij laten liggen omdat daar ooit iets gebeurd is. Dat kunnen ook boerensloten zijn, het hoeft niet per se een schuldig landschap te zijn. Als zich niet direct een financiële redder aanbiedt, wacht meestal de slopershamer en rest er in het beste geval nog een plaquette.

Meer ruïnes

Verhalen moeten daar het verschil in maken. Volgens de Raad, en dat vind ik eigenlijk wel de leukste verborgen parel in dit advies, kunnen we in de krimpgebieden aan de rand van Nederland weleens dingen gewoon tot ruïne laten vervallen. Niet opruimen dus. Zodat die ruïne het verhaal blijft oproepen. Zodat we een beetje Frankrijk in Nederland krijgen.

Men zal daarbij wel weer niet doelen op Slochteren en omgeving, waar het monumentale erfgoed nu wel erg snel wordt opgeofferd aan onze gasbehoefte. Maar dat is natuurlijk ook weer een heel ander verhaal.

Of niet? Je mag het zeggen.

Lees het hele advies hier. (als je kunt)

Leila Slimani en Fatma Aydemir: twee jonge schrijvers die mijn kijk op de wereld echt veranderen. Je kunt ze ontmoeten tijdens Winternachten 2018

0
Affiche winternachten 2018

Tijdens de komende editie van Writers Unlimited/Winternachten in Den Haag komen twee schrijfsters langs die met hun werk en hun succes voor spannend nieuws zorgen. Fatma Aydemir, journaliste uit Berlijn, schreef met ‘Ellebogen‘ een schurend debuut over een Turkse meid die wat minder goed op haar toekomst voorbereid is dan iedereen zou willen. De Parijse auteur Leila Slimani won in 2016 de Prix Goncourt met haar roman ‘Een zachte hand‘. Daarin beschrijft ze hoe een kinderverzorgster uiteindelijk tot kindermoord komt op de kinderen die ze onder haar hoede heeft.

Tamelijk heftige thema’s voor beide boeken. Wat ze beiden nog interessanter maakt is hun omgang met de verhouding tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Aydemir schrijft vanuit het perspectief van een Turkse pubermeid, die moet overleven in een wereld die bepaald wordt door afkomst en al dan niet zelfgekozen segregatie. Ze wordt bijna terloops dader, wanneer een  dronken student haar uitdaagt, en ze hem half per ongeluk voor een aanstormende metro duwt. Slimani’s dader is een blonde française, de slachtoffers zijn welgestelde Fransen van marokkaanse afkomst.

Gevoeligheden

Fatma Aydemir. Bron: Winternachten

Schrijven over ontsporende migrantenkinderen is lastig, zeker als ze in al hun onbeholpenheid ook niet echt positief in beeld komen. Als een hoogduitse mannelijke auteur ‘Ellebogen‘ had geschreven, zou dat best wat problemen hebben kunnen opleveren. Dat Aydemir het wel doet, is daarom des te opvallender, zeker omdat ze het onderwerp flink agressief te lijf gaat. Aydemir praat helemaal niets goed.

De woede die ze haar hoofdpersonage Hazal toedicht, lijkt ook een drijfveer voor het schrijven. De auteur maakt zich boos over de positie van dochters in traditioneel Turkse gezinnen. Maar ze maakt zich ook boos over onverschillige pubers die niets meer weten van de wereld om hen heen. De Turkse president Erdogan wordt niet bepaald prettig afgebeeld en het hoofdpersonage zelf is dankzij haar gebrek aan empathie niet bepaald prettig om al te lang bij in de buurt te zijn. Wanneer je haar als lezer aan het einde van het boek achterlaat, kun je maar heel weinig sympathie voor haar opbrengen.

Klassenstrijd

Leila Slimani. Foto: Thibaut Chapotot/Ministère de la Culture et de la Communication [CC BY-SA 3.0 fr (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/fr/deed.en)], via Wikimedia Commons
In de roman van Leila Slimani speelt etnische afkomst een veel minder prominente rol. Het verschil tussen de ‘geslaagde’ ouders met hun succesvolle leven en de kindermeid is vooral bepaald door sociale positie, en de moord waarmee het boek begint en eindigt heeft geen duidelijk racistisch motief.

Toch speelt het thema wel mee, al is het alleen maar doordat we niet zo vaak succesvolle Marokkaanse stellen als hoofdfiguur van een roman zien, en een doorgaans geprivilegieerd blond en blank personage in een kwaadaardige bijrol. Volgens Slimani is het geen bewuste keuze, maar juist daarom, in dat niet willen opvallen, valt het op.

Van de straat

Na het kort achter elkaar lezen van beide boeken besefte ik hoe goed het is dat beide auteurs zo succesvol zijn in het beschrijven van een tot nu toe onderbelichte, of vaker nog eenzijdig belichte kant van onze grootsteedse samenleving. We zien de coole meiden wel, de migrantenkinderen die ons evenveel op afstand houden als wij hen. We kunnen, dankzij Fatma Aydemir, even meekijken met hun blik. Zo kunnen we ook invoelen hoe het is om als jonge vrouw in een traditioneel Turkse omgeving in Berlijn op te groeien. Zonder dat we gedwongen worden tot medelijden. Iets dat ook ontbreekt in de totaal gewone, maar toch een beetje andere wereld Slimani.

Soms hoef je inderdaad de straat niet op de wereld te leren kennen, maar kun je volstaan met een boek. Twee boeken, in dit geval.

Goed om te weten Goed om te weten

Fatma Aydemir vertelt op 20 januari tijdens Saturday Night Unlimited op Winternachten in Den Haag over het boek dat haar leven veranderde.

Leila Slimani treedt op tijdens het festival. De precieze tijd is nog niet bekend.

6,038FansLike
919VolgersVolg
16,243VolgersVolg

Welkom terug

Goed om je terug te zien!

Mis nooit meer een bericht.

Ben je al lid?  Login !

Nog geen lid?

Schrijf je dan snel in.  
Holler Box
Fijn dat je er was. Vond je dit een goed bericht? Blijf op de hoogte van ons nieuws!
Holler Box
Heb je een vraag aan de redactie?
Holler Box